Moeder Aarde zal ons nooit zekerheid verschaffen

Waarom moeten er in één klap zoveel mensen doodgaan? De tsunami in Azië doet iedereen stilstaan bij deze vraag. Aan de aarde hebben wij ons leven te danken, maar een echt veilig en betrouwbaar thuis zal zij nooit zijn. Wat is eigenlijk onze plaats in de wereld?

De Britse essayist Joseph Addison schreef in de Spectator van 20 september 1712: ,,Van alle dingen die ik ooit heb gezien is er geen dat mijn verbeelding meer raakt dan de zee of de oceaan. Ik kan het deinen van deze enorme massa water, zelfs bij kalme zee, niet aanzien zonder een zeer plezierige verwondering, maar als het water in een storm wordt opgejaagd, zodat de horizon aan alle zijden slechts bestaat uit schuimende golven en drijvende bergen, dan is de aangename verschrikking die zo'n aanblik wekt onmogelijk te beschrijven.''

Het sublieme – want daar hebben we het over: die wonderlijke esthetische ervaring van tegelijkertijd smart en genot – gaat alle begrip te boven. Maar Addison vergeet niet te vermelden dat de onbeschrijflijke storm hem wél het `idee van een Almachtig Wezen' opleverde. Sterker nog, de storm had hem ervan overtuigd dat dit opperwezen echt bestond.

Bij de tsunami die met Kerstmis in Azië heeft huisgehouden, zal voor soortgelijke sublieme emoties weinig ruimte zijn geweest. De `aangename verschrikking' van het sublieme vereist distantie, en die ontbrak ter plekke. Wie desondanks niet ontbrak, dat was God, althans in de commentaren van overlevenden en andere getuigen.

Sommigen lazen in de natuurramp Zijn vermanende boodschap aan de `zondige' mensheid. Anderen vroegen zich vertwijfeld af hoe God zoveel ellende had kunnen toestaan: waarom moesten al die onschuldige kinderen sterven? Een vraag die ook werd gesteld – maar nu zonder veel vertwijfeling – door vijanden van de religie, die de ramp aangrepen om hun gelovige tegenstanders weer eens in het nauw te drijven.

In beide laatste gevallen is het de klassieke kwestie van de `theodicee' (de rechtvaardigheid én rechtvaardiging van God) die opspeelt. Zoals steeds wanneer het op grote schaal misgaat in de wereld. Wat dat betreft verkeren we wel degelijk in de ban van het sublieme, dat zich immers vooral voordoet bij reusachtige, overweldigende gebeurtenissen en verschijnselen. Hoe laat het bestaan van het kwaad in de wereld, zowel het natuurlijke als het morele kwaad, zich verenigen met Gods goedheid en almacht? Ziedaar de vraag waarop een theodicee het antwoord pretendeert te geven.

Orthodoxe christenen zullen er geen moeite mee hebben: het kwaad komt niet van God, maar is een gevolg van de erfzonde, en die maakt dat niemand zonder schuld is. Sinds de verdrijving uit het paradijs is de wereld een tranendal; verstandige mensen stellen daarom hun hoop op een beter leven in het hiernamaals. En voor het overige geldt dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn.

Je moet misschien wat eelt op de ziel hebben om hiermee genoegen te nemen, maar eeuwenlang nam men dat – totdat de moderne wetenschap in de zeventiende eeuw met mathematische precisie wist aan te tonen hoe vernuftig en rationeel het aardse tranendal eigenlijk in elkaar stak. Terwijl Addison het bewijs van Gods bestaan in een woeste storm op zee ontdekte, wendden steeds meer van zijn verlichte tijdgenoten zich tot de natuurlijke orde die door Newton en de zijnen aan het licht was gebracht. Zoveel harmonie, zoveel regelmaat moest wel het werk zijn van een goede en almachtige schepper!

Alleen het kwaad bleef een lelijke smet, maar die werd in 1710 listig weggepoetst door de Duitse filosoof Leibniz, die meteen ook het begrip `theodicee' (samengesteld uit de Griekse woorden voor god en recht) introduceerde. Volgens Leibniz had God geen volmaakte wereld kúnnen scheppen, want volmaakt was alleen Hijzelf. De erfzonde, symbool bij uitstek van de menselijke onvolmaaktheid, was onvermijdelijk. Maar God had wél de beste van alle mogelijke werelden geschapen, inclusief het kwaad, dat binnen het grote verband diende om het goede nog beter te maken. Om een symfonie harmonisch te laten klinken zijn ook dissonanten nodig. Dankzij de honger vergeten we niet om op tijd te eten.

Ook op aardbevingen en overstromingen moesten we ons niet blindstaren, vond Leibniz, ze waren niet in strijd met de natuurwetten en de meeste mensen hadden er geen last van. Maar dan moet de natuur wel een beetje meewerken. In 1755, toen Lissabon door een aardbeving en een tsunami werd getroffen en er tienduizenden doden vielen, lukte het velen niet meer om nog met Leibniz' optimisme in te stemmen.

God mocht de wereld dan hebben geschapen als een harmonisch geheel, blijkbaar stond dat geheel niet in dienst van het menselijk geluk. In zijn satire Candide schreef een ontgoochelde Voltaire: ,,Als Zijne Hoogheid een schip naar Egypte stuurt, kan het hem dan wat schelen of de muizen in het ruim het naar hun zin hebben of niet?'' Nee dus. Als de mens het naar zijn zin wilde hebben, dan moest hij zelf de handen uit de mouwen steken en – met bescheidener pretenties dan die van de metafysicus Leibniz – zijn tuintje verzorgen.

Volgens de Amerikaanse filosofe Susan Neiman (Evil in modern thought, 2002) betekende de aardbeving in Lissabon een keerpunt in het Europese denken over het kwaad. Voortaan werden het morele en het natuurlijke kwaad, dat Leibniz nog moeiteloos met elkaar had verbonden (onder meer als oorzaak en gevolg), streng van elkaar gescheiden. Sprak men over het kwaad, dan werden daarmee de daden van de mens bedoeld. De moraalfilosofen, om slechts hen te noemen, zouden er in de eeuwen die volgden de handen vol aan krijgen. Aan revoluties, oorlogen, burgeroorlogen en zelfs bewuste genocides geen gebrek. Hoewel de verhouding tussen intentie en gevolg (bepalend voor het vaststellen van morele schuld) lang niet altijd evident is – wat met name na Auschwitz en Hannah Arendts `banaliteit van het kwaad' tot diepe ontreddering heeft geleid en voor Neiman zelfs een reden blijkt om de grens tussen het morele en het natuurlijke kwaad weer enigszins te relativeren – is er toch niemand die menselijke catastrofes, denk aan Hiroshima of 9/11, nog in volle ernst op één lijn plaatst met natuurrampen. Behalve wanneer er uitsluitend naar de slachtoffers wordt gekeken.

De kloof tussen moraal en natuur lijkt niet meer te dichten. Wat niet betekent dat we zouden zijn opgehouden met naar een harmonie tussen moraal en natuur te verlangen. Onze hele moderne beschaving wil niets liever. Waar stevent de Vooruitgang door cultuur, wetenschap en techniek – het belangrijkste erfstuk van de Verlichting – anders op af dan op zo'n harmonie? Dat wil zeggen: op een wereld waarin we ons volkomen thuis kunnen voelen, veilig en comfortabel, liefst zo lang en zo gezond mogelijk. Voor dat doel willen we, net als Voltaires Candide, graag de handen uit de mouwen steken.

In weerwil van felle kritiek en onmiskenbare schaduwzijden lijkt dit doel steeds naderbij te komen. Men kan twisten of er ook van morele Vooruitgang mag worden gesproken, maar het valt moeilijk te ontkennen dat de westerse mens (en dankzij de globalisering geldt het allang niet meer alléén voor de westerse mens) er steeds beter in is geslaagd de natuur te humaniseren oftewel aan te passen aan zijn eigen behoeften. Onze meest vertrouwde ervaringen met de natuur doen we op via het filter van de cultuur. Onze natuur bestaat uit huisdieren, melk uit fles of pak, vlees dat keurig op maat is gesneden, het maaien van het gras, een wandeling door park of reservaat, een vakantie in een tropisch paradijs.

In zekere zin creëren we onze eigen theodicee, niet als theorie maar als praktijk. En net als bij de theodicee van Leibniz is een grote natuurramp een onthutsende streep door de rekening, een bewijs dat de natuur zich beslist nog niet helemaal heeft laten humaniseren. Prompt herleven de oude vragen en antwoorden, inclusief die van de theodicee, zonder dat iemand er veel mee opschiet.

Na de eerste emotionele schokgolf is de meest voorkomende reactie echter pragmatisch en charitatief, zoals we hebben gezien, gericht op hulp en herstel. Kunnen we wat doen, is herhaling in de toekomst te voorkomen, wat is het gironummer en – met een half oog op het thuisfront – waar blijft minister Remkes? Economen verklaren intussen ietwat besmuikt dat de ramp voor de economie van de regio ook wel eens een voordeel zou kunnen zijn, zodat praktische theodicee en theoretische theodicee zowaar even lijken samen te vallen. Over twaalf maanden herinneren alleen de journaalfragmenten in het oudejaarsoverzicht nog aan de talloze slachtoffers. En aan het recordbedrag dat voor het goede doel werd opgehaald.

Bij rampen die door mensen zijn veroorzaakt, tonen we ons kennelijk minder gul, ook als daarbij evenveel of zelfs meer doden vallen. Hoewel de troosteloze aanblik van verwoesting nauwelijks verschilt, lijkt een natuurlijke catastrofe op de een of andere manier minder gecompliceerd. Er valt niemand als schuldige aan te wijzen, het internationale gerechtshof in Den Haag kan moeilijk de zee of de aardkorst een dagvaarding sturen. Daarom tasten we zonder hinderlijke bijgedachten in de portemonnee en dragen bij aan het herstel van de schade. Waarna alles gewoon doorgaat als vanouds, met een weldra hersteld vertrouwen in onze eigen praktische theodicee. De eerste toeristen liggen alweer op de stranden, hartelijk welkom geheten door de overlevenden die zo verstandig zijn om aan de toekomst te denken.

Dat is een alleszins begrijpelijke en ook volstrekt natuurlijke reactie. Misschien kunnen we niet eens anders. Maar waarom zouden we niet proberen, op veilige afstand en nadat het mediatumult weer op een volgend item is neergestreken, een dergelijke natuurramp toch even als aanleiding te nemen om onze plaats in de wereld op een andere manier te bezien?

Bijvoorbeeld met de `stereoskopische' blik van de Duitse schrijver Ernst Jünger, die in An der Zeitmauer (1959) suggereert dat de menselijke `wereldgeschiedenis' ook thuishoort binnen het veel meer omvattende kader van een Erdgeschichte. In dat geval is de wetenschappelijke en technische Vooruitgang, die in haar streven naar een steeds gerieflijker `thuis' voor de mens het aanschijn van de aarde verandert, niet alleen een zaak van de cultuur maar ook van de natuur. Onwillekeurig vervaagt het onderscheid en de door de mens veroorzaakte transformatie voegt zich in het geologische veranderingsproces van het aardoppervlak.

Jünger verlangt niet à la Rousseau terug naar de natuur, evenmin pleit hij voor een herstel van het `ecologisch evenwicht' dat door toedoen van de mens zou zijn verstoord. Het enige wat hij probeert is de relatie tussen mens en natuur op een andere manier in het oog te krijgen. In plaats van een humanisering van de natuur lijkt bij hem sprake te zijn van een naturalisering van de mens; in werkelijkheid betreft het een raadselachtig (`stereoskopisch') samengaan, waarvan hooguit de mythe een vermoeden geeft. In elk geval worden we opgenomen in een geschiedverhaal waarvan we niet meer de vanzelfsprekende hoofdpersonen zijn.

Dat is wennen en het staat allerminst vast dat de intrige zich in ons voordeel zal ontwikkelen. Wie weet suist de aarde straks als een `rein ozeanischer Planet' door het heelal, oppert Jünger even belangeloos als onverschrokken. We kunnen er enkel op hopen dat `Moeder Aarde' haar kinderen niet in de steek zal laten, zonder enige garantie. Waarschijnlijk is het aan zijn iets te romantische kijk op de – volgens hem bezielde – materie te danken dat Jünger de aarde of de natuur niet onverschillig noemt.

Het ís ook een ongelukkige term, vanwege zijn negatieve connotaties; tenslotte hebben we aan de aarde ons leven te danken. Waar het om gaat is dat alle menselijke categorieën (van betrokkenheid, wil of doelmatigheid, maar ook van goed en kwaad) hier tekortschieten. De kloof tussen natuur en moraal kan inderdaad niet gedicht worden: wat de aarde `bezielt' onttrekt zich aan onze macht en aan onze kennis. Maar omdat we er, zogezegd als levend oppervlakteverschijnsel, deel van uitmaken, zit het vreemde van de aarde ook in onszelf. Vandaar dat onze praktische theodicee nooit echt een veilig en betrouwbaar `thuis' zal worden, of we het nu proberen met de religie, met de cultuur, met de wetenschap, met de techniek of desnoods met al die middelen tegelijk.

Aan deze waarheid, die mij niet minder subliem voorkomt dan het godsbewijs dat Addison aan de stormende zee ontfutselde, worden we door elke ramp, zowel die van de natuur als die van de mens, hardhandig herinnerd. Het blijft alleen de vraag of de veel verder reikende strekking hiervan hoe ontnuchterend en illusieloos ook – zelf eveneens als een ramp moet worden opgevat.

Literair criticus van NRC Handelsblad. Docent aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.