Het verdwenen paradijs

Een uur was een dag, een dag was een week in The Villa, een goddelijk vakantiecomplex aan de westkust van Sri Lanka.

Het was zoals je je het paradijs voorstelt: een villa omgeven door palmbomen aan de Indische Oceaan. De tuin grensde aan een strand met wit zand en een zee die net een slagje blauwer was dan de lucht. Zo'n uitzicht bestaat alleen maar in reclames. En bij The Villa aan de westkust van Sri Lanka.

The Villa werd gerund door Ernest, die altijd buitengewoon vriendelijk en beleefd was en doodserieus, bij hem ging het om the importance of being Ernest.

Tussen de tuin en het strand lag de spoorlijn, om de paar uur kwam een trein stapvoets voorbij. Ik vroeg me af hoe het mogelijk was dat de mensen zo rustig uit de ramen hingen en in de deuropeningen stonden terwijl ze toch moesten weten dat ze uren zouden doen over een afstand die wij in een kwartiertje afleggen. Maar ze vonden het niet erg, ze hadden stukken minder haast dan ik, die op vakantie was.

Op de spoorlijn liepen schoolmeisjes in hun witte bloesjes met donkerblauwe vlechten, vrouwen die naar de markt waren geweest, een mand met mango's op hun hoofd, mannen op weg naar het werk met hun curry lunch in een pannetje. Het was de snelste manier voor de mensen om van hun hutjes aan het strand naar het dorp te komen, de bestaande weg was slecht geasfalteerd en kronkelde.

De eerste nacht in The Villa schrok ik wakker van een hels kabaal: de trein denderde dwars door mijn kamer, het was alsof de wereld verging. Je went eraan, zei Ernest, maar zelfs na twee weken klopte mijn hart nog regelmatig in mijn keel.

Het eten werd opgediend door twee jongens uit het dorp, ze droegen oranje geruite sarongs en veel te grote, eens witte overhemden. Hun Engels was niet perfect, maar al snel hadden we een running joke: ik vroeg hen na iedere maaltijd wat er voor dessert was. Dat varieerde nooit, de keus bestond uit een vruchtencocktail uit blik, vanille-ijs of een soort van kwark met mierzoete stroop – ,,Proetcocktail, eissekriem or kurt and trickle'', antwoordden ze steevast in koor, waarop ik steeds `no thank you' zei tot hun grote vermaak.

Iedere namiddag wandelde ik over de spoorweg naar het dorp. Ik begreep toen ook waarom de treinen zo langzaam reden en zo hard toeterden. Wanneer ik die toeter hoorde stapte ik van de rails en liep over het strand tot de trein voorbij was gekomen. In het dorp keek ik mijn ogen uit, de open werkplaatsen, de mannen in hun sarongs met blote bast, de vrouwen die hun sari's over hun hoofd trokken om zich te beschermen tegen de zon, die zelfs om vijf uur 's middags nog brandde, de kinderen die in het stof speelden met niets.

De verwondering was wederzijds, de dorpelingen konden hun ogen niet geloven bij het zien van een toerist die niet compleet was. Ontbrekende ledematen kenden ze alleen van de bedelaars die op iedere hoek van de straat zaten, zoiets kwam toch niet voor in het rijke westen. Ze uitten hun verbazing dan ook luidkeels: ,,Hee, your hand!'' riepen ze en wezen om ook mij op dit ongewone fenomeen te attenderen. Regelmatig vroegen mensen me: ,,What happen to your hand?'' Wanneer ik ze uitlegde dat ik zo geboren was werd het even stil, dat antwoord hadden ze niet verwacht en ze begrepen het ook niet helemaal. ,,Oh, recently?'' vroeg iemand me. Een wandeling door het dorp was een hele gebeurtenis, zowel voor hen als voor mij.

Ernest was natuurlijk veel te beleefd om mij deze dringende vraag recht op de man af te stellen. Hij wachtte tot ik even naar het toilet ging en vroeg toen aan mijn vriend wat er met mijn hand was gebeurd. Toen die hem vertelde dat het een kleine fabricagefout betrof, schudde Ernest zijn hoofd, de werkelijkheid is toch wel heel vreemd wanneer westerlingen typisch derdewereldproblemen krijgen. Ik trof hem nog steeds diep in gedachten verzonken aan toen ik terugkwam van het toilet. Hij kon het niet geloven.

Zo verstreken de dagen in The Villa. Ik hield me vooral bezig met onder een palmboom liggen en kijken naar de mensen die wandelden over de spoorlijn, oranje stipjes die dichterbij gekomen boeddhistische monniken bleken te zijn, een man met een koe, moeders met een schaar kinderen achter hen aan.

Ik hoorde de golven van de Indische Oceaan tegen het zand slaan, ik rook de wind en verbaasde me over de vele kleuren wit van het strand. Een uur was een dag, een dag was een week en wat nieuw was werd langzaam aan vertrouwd. Ik kende elke biels op de spoorlijn voor de villa, ik zwaaide naar de vrouw in de fuchsiakleurige sarong die iedere ochtend voorbijkwam met een baby op haar arm en een dochtertje aan haar rokken, ik zag de omtrek van de palmboom tegen de azuurblauwe lucht, ook als ik mijn ogen sloot. Nog steeds zie ik de Indische Oceaan, het strand en de vissersboten.

Gisteren hoorde ik dat The Villa niet meer bestaat. Ernest is er niet meer, net als de jongens van de `eissekriem'. Ze zijn weggeslagen. Het paradijs verdween in het niets, net als de spoorlijn en de trein met honderden passagiers en het dorp.

Ik kan het niet geloven.

    • Han Nefkens