Geen controle op besteding hulpgeld

De Samenwerkende Hulporganisaties hebben beloofd verantwoording af te leggen over de besteding van het ingezameld geld, maar hoe ze dat gaan doen is nog onduidelijk.

De opbrengst van ten minste 112 miljoen euro voor de hulpactie voor Azië stelt meer dan ooit hoge eisen aan de publieke verantwoording van de besteding van ingezameld geld. En juist dat blijkt tot nu toe niet de grootste kracht van de negen Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) die het geld van giro 555 verdelen.

Al jaren gaat het ingezamelde geld volgens een verdeelsleutel naar de deelnemende hulporganisaties. Maar wat de leden met hun aandeel doen, dat is ieders eigen verantwoordelijk. De SHO noch een onafhankelijke derde organisatie controleert in de regel of het geld ook effectief besteed wordt.

De roep om meer verantwoording is er wel. Tijdens een conferentie in november vorig jaar, over het tienjarig bestaan van de internationale gedragscode voor humanitaire hulpverleners, zeiden SHO-leden hun acties samen te willen gaan evalueren. Onderling zou er beter overlegd gaan worden en na afloop van een crisis zou in een gezamenlijke advertentie het publiek geïnformeerd moeten worden over de resultaten van de hulpactie.

Tijdens de conferentie was er aandacht voor de Britse zusterorganisatie van de SHO, de Disasters Emergency Committee (DEC). Die staat al langer op het standpunt dat wie fondsen wil aantrekken ook moet kunnen aantonen dat hij zijn werk goed doet. In Groot-Brittannië worden, in tegenstelling tot Nederland, hulpacties gezamenlijk geëvalueerd aan de hand van de gedragscode.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken bleek tijdens de conferentie voorstander van het idee dat Nederlandse hulporganisaties elkaar beoordelen op hun werk. Zover zijn de organisaties nog niet. Hoewel na vragen vanuit de media de SHO-leden eerder deze week besloten om na de lopende 555-actie een betere verantwoording af te leggen. Of dat een advertentie wordt met globale informatie of een onafhankelijke audit, dat is onduidelijk.

Hoe is de praktijk in Nederland? De SHO publiceren geen gezamenlijke evaluaties en er zijn in de regel geen onafhankelijke controles op de effectiviteit van de hulp. Een enkele keer is er wel onderzoek. De SHO schakelde in 2000 een extern bureau in voor een onderzoek naar de hulp aan het door aardbevingen getroffen Turkije. Het besluit werd genomen tijdens het directeurenoverleg van de SHO.

Henk Franken (Unicef) zei in de vergadering volgens de notulen: ,,We moeten niet teveel geld uitgeven aan de evaluatie. Die moet heel licht blijven.'' De resultaten van die evaluatie zijn nooit openbaar gemaakt.

Dat gebeurde ook niet met de bevindingen van een intern onderzoek van KerkinActie (SHO-lid) naar misstanden bij de verdeling van 555-geld in Turkije. Een medewerker werd uiteindelijk ontslagen, bevestigde senior consultant J. Willemse van KerkinActie gisteren.

Wat wel openbaar is na elke actie, is een gezamenlijk financieel verslag. Daarin staan in grote lijnen de inkomsten en uitgaven. De accountants van kantoor Dubois & Co die de verslagen controleren, melden steevast dat zij ,,de aandacht [vestigen] op het feit dat in het genoemde financieel verslag van de Samenwerkende Hulporganisaties geen verantwoording wordt afgelegd over de daadwerkelijke besteding van de gelden, zoals die op basis van de vastgestelde verdeelsleutel ter beschikking zijn gesteld aan de aan het samenwerkingsverband deelnemende organisaties.'' De SHO-leden zeggen dat in hun eigen jaarverslagen te doen, maar ook dat betreft summiere informatie.

Het vrijgevige publiek krijgt dus slechts summiere informatie. Na afloop van enkele hulpacties (zoals in India in 2001) is wel door de SHO via internet informatie verstrekt over hoeveelheden uitgedeelde dekens, tenten en andere goederen. Maar ook toen bleven de gegevens algemeen van aard.

Natuurlijk is er veel meer informatie voorhanden. Die staat onder meer in vertrouwelijke evaluatieverslagen die de SHO na afloop van een actie opstellen. In deze verslagen, in het bezit van deze krant, wordt het verloop van de geldinzameling beschreven en is er soms openhartige (zelf)kritiek.

Zo maakt het evaluatieverslag van de inzamelingsactie voor vluchtelingen in Kosovo in 2001 (opbrengst 52 miljoen euro) duidelijk dat de hulpverlening niet eenvoudig was. Er doken ,,bestedingsproblemen'' op door de grote toestroom van geld. De ,,bestedingsdruk'' leidde tot ,,het oprekken van criteria en het oprekken van bestedingstermijnen. Over deze zaken is binnen de SHO geen overleg geweest en dat had misschien wel gemoeten''.

Coördinatie tussen SHO-deelnemers in Kosovo was er te weinig, zo blijkt uit het verslag. ,,SHO leek ook geen houvast te geven aan `waar' te besteden. (..) SHO zelf sloot steun aan slachtoffers in Montenegro en Servië niet uit, maar in de communicatie naar het Nederlandse publiek werd er niet over gerept.''

In Kosovo was er voorts ,,een circus van NGO's (non-gouvernementele organisaties, red.), waaronder velen met bestedingsdrang. Dit leidde tot onverkwikkelijkheden, zoals het `stelen' van elkaars projecten.'' Er was in Kosovo ,,een oorlog over naamsbekendheid. Organisaties plakten stickers op hun materialen of gebouwen.'' Er ging ook ,,relatief veel SHO-geld in coördinatie zitten (..) Negatief daaraan was dat criteria verschoven. Organisaties die normaal nooit in huizenbouw investeerden deden dat nu opeens wel.''

Uit de eigen Kosovo-evaluatie van één van de SHO-leden, de Stichting Vluchteling, blijkt dat de 4 miljoen euro voor hulp niet door de stichting zelf werd besteed. Alle projecten waren uitbesteed aan internationale organisaties. De stichting was alleen doorgeefluik van 555-geld, met aftrek van een overhead van zes procent. Eén van de organisaties die het werk voor de stichting in Kosovo deed was CARE International. Dat is opmerkelijk omdat die organisatie al jarenlang geweigerd wordt als SHO-lid. Ook andere organisaties proberen lid te worden, maar de SHO houdt sinds 1996 de rijen gesloten.

Volgens afspraken binnen de SHO mogen leden zes procent van hun deel van het ingezamelde geld besteden aan ,,apparaatskosten''. Uit een vertrouwelijke SHO-evaluatie over de hulpactie na de watersnood in Mozambique in 2000 blijkt dat er in totaliteit méér bleef hangen. Van de 10 miljoen euro ging ruim 8 procent op aan apparaats-, coördinatie- en managementkosten.

Artsen zonder Grenzen deed een eigen evaluatie over Kosovo. Dit eveneens vertrouwelijke verslag trekt de conclusie dat men niet was voorbereid en dat UNHCR (de vluchtelingenorganisatie van de VN) het liet afweten bij de coördinatie.

Bovendien was er volgens de definities van Artsen zonder Grenzen eigenlijk helemaal geen medische noodsituatie in Kosovo. De vraag was dan ook: waarom wel in Kosovo hulp geboden en niet elders, waar de noden hoger zijn? Artsen zonder Grenzen, als SHO-lid goed voor 10 procent van de Nederlandse miljoenen voor Kosovo, gaf de helft van haar aandeel terug. Het werd verdeeld onder de overige SHO-leden, net als nu bij de actie voor Azië.

    • Joep Dohmen