Een heksenketel vol schatten

Kairo staat in de steigers. Histori- sche monumenten worden in rap tempo opgeknapt met een tweeledig doel: behoud van erfgoed én behoud van de schare toeristen die de stad jaarlijks bezoekt. Maar welk doel heeft de prioriteit?

Het is gelukt, en razendsnel ook. Kairo heeft er een stadspark bij. Op een heuvel boven de krioelende oude binnenstad is een oase aangelegd van ruisend water en groen. Fonteinen klateren, uit luidsprekers kabbelt zachte muzak, en over de heuvel waait de lome rust van toeristische Lebensraum. Dit alles met dank aan de Aga Khan, de imam van de sji'itische Ismaelieten, wiens stichting dit Al-Azhar Park betaalde, en het noemde naar de beroemde en nog altijd gezaghebbende moskee en islamitische universiteit van Kairo.

Een half jaar geleden werd aan dit eiland van luxe in de open lucht nog volop gewerkt, met het koortsachtige tempo van getergde stadsbewoners die eindelijk willen ontsnappen aan de omringende betonwoestijn van hoogbouw en viaducten die het moderne Kairo kenmerkt. De locatie is voortreffelijk: het park wordt aan één kant geflankeerd door de verkruimelende stadsmuur van de Ayubiden, uit de twaalfde eeuw, en aan de andere door de stoffige wirwar van de Dodenstad, waar de minder bedeelde Kairenen een bestaan bij elkaar scharrelen tussen de graven en mausolea. Vanaf de heuvel doemt tussen de nieuwbouw een klassiek, exotisch stadsprofiel op van minaretten, glinsterende koepels en bazaars.

We struinen over de heuvel met onze gids, Gert Borg, die ons zal voorgaan door oud-Kairo en dwars door de Dodenstad. Borg is directeur van het onder de Egyptische elite welbekende Nederlands-Vlaams Instituut in Kairo (NVIC), dat zich sinds zijn aantreden ruim anderhalf jaar geleden met hernieuwd elan ook heeft toegelegd op enkele archeologische projecten in de Egyptische hoofdstad. Borg, in Nijmegen opgeleid als arabist, heeft zich geworpen op het steunen van conserveringsprojecten voor historische monumenten, wekelijkse lezingen en een tentoonstelling over oude Egyptische ambachten. Borg geniet nog altijd enorm van het energieke en kleurrijke Kairo, zegt hij, maar even op adem komen op een zeldzame vierkante kilometer groen, dat is ook wel prettig.

Alleen, de Kairenen moeten het park nog ontdekken. Rond het middaguur dwaalt maar één verliefd paartje doelloos over de wandelpaden. En dat doet weliswaar enorm zijn best, drentelend en tortelend, maar het is nog geen concurrentie voor de kilometerslange sliert jongens en meisjes die fluisterend in elkaars oor hangen langs de Nijl, van de noordelijke volkswijk Bulaaq tot het oude koloniale centrum. Niet vreemd in een stad die met minstens vijftien miljoen inwoners elke dag verder uit zijn voegen barst, waar gezinnen van acht in één appartementje wonen en een eigen kamer voor de meeste jongeren een illusie is. Dan dient die good old Corniche El-Nil boulevard, waar het verkeer permanent als een tropische orkaan langsraast, tegelijk als stadspark, sociëteit, discotheek en vergaderzaal voor aan elkaar beloofde jeugd die overeenstemming moet bereiken over muzieksmaak, trouwdatum, kinderen, werk en uitzet. De oase op de heuvel, waar de muzak niet hard genoeg staat om adolescent gesmiespel te overstemmen, moet kennelijk nog even ingeburgerd raken.

Het park van de Aga Khan is maar één van de ontelbare bouwputten en renovatie- en restauratieprojecten die zich de laatste jaren over Kairo hebben verspreid als mazelen over een kindergezicht. Zelfs het moderne beeld van Ramses op het gelijknamige drukke plein, onder weer een betonnen viaduct, staat in de steigers. Vooral de oude `islamitische' binnenstad (zo genoemd hoewel de rest van Kairo niet minder islamitisch is, behalve het Koptische deel), staat vol met steigers, bouwketen en pijpleidingen. Projectontwikkelaars hebben een reeks antieke gebouwen in de toeristenwijk Khan-al-Khalili in de steigers gezet. Roodverbrande Europeanen struikelen er nu niet alleen meer over de ezeltjes en de kruidendragers, maar ook over de tegels en betonmolens.

Behalve een historisch doel, heeft al die bedrijvigheid natuurlijk ook een lucratieve motivatie. Egypte, van oudsher een favoriete exotische bestemming voor Europeanen en Amerikanen, wil die koppositie niet verliezen en timmert aan een omgeving die moderne toeristen zoveel mogelijk tegemoetkomt. Kairo is een fantastische, levendige, maar ook lawaaierige, chaotische en stoffige stad, en van dat hardnekkige imago wil de overheid graag af. Het meest ambitieuze plan is de verhuizing van het wereldberoemde Egyptisch Museum, gelegen bij het hectische Midan Tahrir middenin verkeerstumult en smog. Een stuk dichter bij de pyramides van Giza, en verder weg uit de heksenketel, zou het museum dat de schat van Toetanchamon herbergt, beter tot zijn recht komen, samen met maar liefst dertien andere, regionale musea.

Soms moet je wat lager mikken. Een modern, schoon toilet bijvoorbeeld zou de uitbaters van de pas herstelde sabil van Mohammed Ali – een schitterend vormgegeven waterreservoir in de oude stad – een hoop toeristische valuta opleveren, suggereert Gert Borg. We lopen in gestrekte pas door het meest pittoreske deel van oud-Kairo, de binnenstad van steegjes en winkels die bekend staat als de bazaar Khan-al-Khalili. Op weg naar Mohammed Ali's waterreservoir, waaraan een Poolse kennis van Borg onlangs de laatste hand heeft gelegd. De opening voor betaald bezoek moet nog volgen, maar een kleine preview van de sabil in geconserveerde staat kan geen kwaad.

De sabil geeft bovendien inzicht in het klassieke debat over stadsbeheer dat in tal van hoofdsteden wordt gevoerd, en ook in Kairo. Een autovrij centrum om kunsthistorische monumenten te beschermen, zoals in Florence, is ronduit een lachertje in een stad waar stuifzand en uitlaatgassen om de voorrang vechten. Maar de zorg om de ruim zeshonderd monumenten in de stad begint toe te nemen. Restauraties staan onder toezicht van de Hoge Raad voor Oudheden, waarvan voorzitter en professor Zahi Hawass, soms getooid met cowboyhoed, de gang naar de publiciteit en Discovery Channel moeiteloos weet te vinden, zodra er een spectaculaire vondst is gedaan of ander resultaat is geboekt. Na de grote aardbeving van 1992 stelden de Verenigde Staten via Usaid en UNESCO miljoenen dollars ter beschikking om de schade aan monumenten in historisch Kairo te herstellen, en sindsdien is het een drukke dans om de subsidies.

Over de eisen aan site management lopen de meningen intussen uiteen. Europese kunstliefhebbers verwijten Egyptische bouwers een niet-historische aanpak, die er eerder op is gericht monumenten op te poetsen en `mooier te maken' voor de toeristen, dan op het waarborgen van een authentiek karakter: een bouwkundige variant van integratie met behoud van identiteit. Soms leidt het verschil in aanpak tot botsingen, of zelfs tot een diplomatieke rel. De Amerikaanse schrijfster Caroline Williams, auteur van Islamic Cairo. The Practical Guide, stuurde een brandbrief naar de cultuurbewuste vrouw van president Mubarak, om te protesteren tegen het bederf-door-herstel van de oude stad. Maar andere niet-Egypte kenners wijzen erop dat de gevoeligheid voor het argument dat oude objecten moeten worden `geconserveerd' in plaats van in glorieuze staat te worden hersteld, de laatste jaren is toegenomen. De oude stad van Kairo moet geen gestroomlijnd pretpark voor islamiteiten worden.

Agnieszka Dobrowolska, een freelance architecte die in Kairo woont en werkt, gelooft hartstochtelijk in zo'n zorgvuldig, historisch getrouw beheer van monumenten. We bezoeken met Gert Borg haar meest recente succes, de sabil van Mohammed Ali, waar Kairenen een dagelijkse portie water konden halen. Het elegante gebouw uit de vroeg-negentiende eeuw, achter de enig overgebleven poort van de Fatimidische stadsmuur, de Bab Zuweila, is een fraai voorbeeld van Ottomaans-Turkse decoratieve kunst: Mohammed Ali, een Albanees, liet zich ervoor inspireren en bedienen vanuit Istanbul. Het herstel van de verzakte sabil vergde engelengeduld – de zwaar vervuilde buitenkant werd schoongemaakt met plamuurmesjes – maar leverde ook een mooie ontdekking op. Het onderaardse, gewelfde reservoir was nog intact. Dobrowolska liet er een houten spiraaltrap in bouwen, die tevens dienst doet als steunbalk. ,,Zo is het toch in de sfeer van het authentieke gebouw gebleven'', aldus de architecte.

Kantoor houdt de Poolse architecte een paar kilometer verderop, buiten de kakofonie van de Khan-al-Khalili, in de middeleeuwse Dodenstad. Daar knapt ze, met steun van Gert Borg en het Nederlands-Vlaams Instituut, alweer een ander monument op: de Qubbat Effendina, een bescheiden mausoleum van de laatste koninklijke familie van Egypte. Een prins van de familie, sinds de revolutie van Nasser in 1952 woonachtig te Londen, wilde het innemende gebouwtje laten opknappen. Dat gebeurt met steun van de huidige eigenaar, het departement voor religieuze geschenken en goede doelen, dat onder meer donaties van vrome moslims beheert. Het Nederlands Instituut is bijgesprongen met een aanvraag voor het project, die Dobrowolska als particulier niet kan indienen.

Haar tekentafel staat in het mausoleum, dat ligt in een overwoekerd parkje achter een rij vervaarlijk verzakte panden. Even verderop raast de snelweg, met erachter eindeloze rijen Oost-Europees ogende flats. Het negentiende-eeuwse mausoleum zelf is een gehavend juweeltje. Verroeste spoorrails van het treintje dat bij de bouw in 1892 werd gebruikt, steken dwars door de vloer: ze werkten zich onstuitbaar omhoog. De koninklijke tombes, door dieven beroofd van hun marmeren panelen, staan in het halfduister. Een roestig wenteltrapje buiten spiraalt omhoog naar het dak. Dobrowolska doet haar best om alles aan het gebouw zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen en, waar mogelijk, schade te repareren en aanslag te verwijderen. Op het dak beland, met uitzicht over de autoweg en de uitgestrekte grijs-bruine Dodenstad, vraag ik Gert Borg waarom hij zich eigenlijk voor dit monument inspant. Twee slaperige grijze katten rekken zich intussen uit op een aanpalend dak. ,,Het is gewoon zo'n sympathiek gebouwtje'', zegt Borg glunderend.

En dat is het. In een stoffige hoek van het mausoleum staat een rijtje statige fauteuils. ,,De stoelen van het Suez-kanaal'', licht de beheerder laconiek toe. Ze zijn volgens hem gebruikt bij de opening in 1869, en na de Nasser-revolutie in het mausoleum gestald. Maar nee, ze zijn niet voor de verkoop, ook niet ééntje. Ernaast hangen twee kiswas, religieuze wandkleden die op bedevaart zijn meegenomen naar Mekka. Een Turkse prinses wilde ze naar verluidt ooit heimelijk kopen en vervangen door replica's, maar ook dat staaltje souvenirjacht ging niet door.

Terug met Gert Borg in het Al Azhar-Park. We kijken uit over het stadspanorama van glorieuze minaretten, ingestorte stadsmuren, bazaars, en daken die bijna bezwijken onder het afval. De mediterrane atmosfeer van luxere wijken als Heliopolis of Ma'adi, is hier ver weg, tussen de koepel van Mohammed Ali's grote moskee en het religieuze centrum van Al-Azhar. Er valt genoeg op te knappen, zeker. Maar eigenlijk is het al helemaal af.

Kairo, Egypte

De KLM vliegt rechtstreeks op Kairo. Andere luchtvaartmaatschappijen, sommige met overstap: Egypt Air, Lufthansa, British Airways.

Verblijf in Kairo: middenklassehotels in het moderne centrum Downtown (langs de Nijl) en elders. Top-hotels: Hilton, Sheraton en het Marriott, gehuisvest in een voormalige koninklijk paleis in de luxe wijk Zamalek.

Aanbevolen literatuur: Cairo. The City Victorious door journalist Max Rodenbeck, heldere en onderhoudende geschiedenis van de stad (American University in Cairo Press). Cairo door arabist Andre Raymond, doorwrochte stedebouwkundige analyse en overzicht (Harvard University Press). Ook aangeraden: Islamic Architecture, standaardwerk van kunsthistoricus Robert Hillenbrand, De reis van Ibn Battoeta (Bulaaq), vertaling van 14e-eeuws reisverslag. Voor oriëntalistische romantiek en decadentie: Gustave Flaubert, Reis door de Oriënt (Atlas).

Reisgidsen: Cairo, Lonely Planet, voor praktische informatie. Culture shock! Egypt van Susan L. Wilson, voor omgangsvormen en cultuur

(Kuperard).

    • Sjoerd de Jong