Een beetje kwaken kan geen kwaad

Big Pit is een authentieke kolenmijn die voor iedereen toegankelijk is. De mijn ligt in de Blaenavon-vallei, op de grens van het `zwarte' en het `groene' Wales.

``Kwaak! Kwak-kwak-kwak!'', roept de gids in zijn oranje overall als het dak zo laag wordt dat je je hoofd gemakkelijk kunt stoten tegen een houten stutbalk of een rots. ,,Kwaak!'', roepen de twintig kinderen en volwassenen die hem volgen door de spaarzaam verlichte gangen, waar roestkleurig water langs de wanden loopt. Een beetje kwaken onder de grond klinkt namelijk geruststellender dan elke tien meter ,,Duck!'' roepen, wat niet alleen `eend' betekent, maar ook `bukken'.

Dit is de Big Pit, Pyll Mawr (`poel morr') in het Welsh en `grote put' in het Nederlands. Dat is precies de indruk die je hebt als de liftkooi wegzakt in de diepte en honderd meter lager, waar de steenkoollagen beginnen, tot stilstand komt. De Big Pit is niet meer dan één van de 34 mijnschachten die afgelopen twee eeuwen zijn geboord rond het stadje Blaenavon, dat op zijn beurt slechts één van tientallen steenkoolstadjes in Zuid-Wales is.

Maar nu die tak van industrie op sterven na dood is, is de grote put een uitzondering geworden: het is één van slechts twee Britse kolenmijnen in originele staat, zowel onder als boven de grond, die toegankelijk zijn voor publiek (de andere is in Yorkshire). Dat maakt dit museum, want dat is het, op zichzelf al ongekend realistisch.

Er is een tweede oorzaak: de vijftien gidsen hebben zelf bijna allemaal in de mijn gewerkt tot aan de definitieve sluiting in 1986. Ze weten dus waarover ze het hebben: niet alleen de verplichte jaartallen en weetjes over stoommachines en tonnen steenkool, maar vooral ook de way of life van de mijnwerkersgemeenschap, hun haat-liefdeverhouding met de mijn, bron van kameraadschap, stoflongen en dodelijke ongelukken, de stakingen en sluitingen onder Margaret Thatcher, en de nog steeds niet gedoofde hoop-tegen-beter-weten-in dat het steenkooltijdperk ooit terugkomt.

,,Nee, er zitten geen ramen in de mijn'', zegt Martin Davies droog, als iedereen op zijn verzoek op het diepste punt en in de nauwste gang van de mijn de koplamp heeft uitgedaan, die op de uitgereikte helm zit bevestigd. We zijn kwakend door ventilatiedeuren en langs lege kolenkarretjes gelopen, langs de stallen van de blinde paardjes die tot in de jaren zeventig een deel van het zware werk deden. En nu staan we aan het kolenfront, waar het zwarte goud werd losgehakt, eerst met een pikhouweel, op het laatst met een monsterachtige machine die de widow maker werd genoemd.

,,Nu weten jullie hoe het voelt als de lampen uit moesten bij ontploffingsgevaar door mijngas'', zegt Davies (51), die op zijn vijftiende in de mijn begon als leerling-reparateur voor de pompen en schudgoten. Het is donker. Stik-, pik- en aardedonker. Je voelt de berg boven je, onder je, en naast je. En daarom haalt iedereen opgelucht adem als Davies zegt dat het licht weer aan mag en de terugreis begint naar de bovenwereld.

Het dal van Blaenovon ligt op de grens van het zwarte en het groene Wales, het Wales van het steenkool, en het Wales van de groene heuvels en schapen, dat bij de toeristen bekender is. Beide landschappen zijn aan een comeback bezig. Het groene na de mond- en klauwzeerramp van 2001, waarbij een groot deel verboden toegang werd voor wandelaars, en hotels bij bosjes failliet gingen. En het zwarte Wales, omdat de voormalige mijnindustrie niet langer alleen synoniem is met werkloosheid, roestende fabrieksruïnes en huizen met planken voor de ramen, maar óók met cultuur en geschiedenis.

Blaenavon is daarvan het beste voorbeeld: het stadje en de directe omgeving staan sinds vier jaar op de Werelderfgoedlijst van de Verenigde Naties. De sporen van twee eeuwen kolen- en ijzerwinning, steengroeves, de arbeiderswoningen en fabrieken vormen volgens de VN een ,,uitzonderlijke illustratie van de sociale en economische structuur'' van de negentiende eeuw, toen Zuid-Wales de grootste producent van kolen en ijzer ter wereld was.

In Blaenavon staan ook de oudste hoogovens van het land: vier reusachtige bakstenen furnaces, letterlijk reuzenfornuizen waarvan het oudste in 1688 is gebouwd en zo ongeveer de aftrap gaf voor de Industriële Revolutie. Aan de bovenkant werden er ijzererts, kalksteen en kolen in gestort en aan de onderkant werd het vloeibare ijzer in vormen gegoten.

In die tijd moet het hier een visioen uit Dantes hel geweest zijn: een woud van rokende schoorstenen, gloeiende sintels en door stoommachines aangedreven reusachtige blaasbalgen. En je kunt je voorstellen dat je hier niet oud werd.

Maar op de herfstmiddag van mijn bezoek is het stil en helder en schijnt de zon op de zandstenen ruïnes. En in de smalle straatjes van Blaenavon, waar voormalige sloopwoningen en gesloten winkels nu in hoog tempo worden gerenoveerd, is het bijna gezellig.

,,Sinds we op de VN-lijst staan, zien we eindelijk veranderingen'', zegt Peter Walker, Big Pit-directeur en bestuurslid van de stichting die het erfgoedlandschap beheert. De 140.000 bezoekers van zijn mijnmuseum zetten tot voor kort meestal geen stap in het stadje zelf. Nu wel. Dankzij het Blaenafon Booktown-project. Met het nabijgelegen Hay-on-Wye als wenkend perspectief probeert Blaenafon met het aantrekken van specialistische boekhandels en antiquariaten de toeristenstroom en de lokale economie aan te jagen. Er zijn er nu dertien, van een kookboekhandel tot een kinderboekenwinkel. En van een winkel voor natuurboeken tot een boekwinkel voor, inderdaad, industriële archeologie. Zo is de cirkel rond: dankzij de steenkool hoopt Blaenavon opnieuw een bladzij om te slaan.

Wales

Vanuit Londen met de auto, circa 2,5 uur:

de M4 naar het westen, bij Bristol de tolbrug over de Severn over, Zuid-Wales in, en dan

bij afslag 24 de A449, volg borden `Big Pit'.

Big Pit, National Mining Museum of Wales,

Blaenavon; ma-zo 9.30-17u; inl. +44 (0) 14 95 79 03 11 & www.nmgw.ac.uk/bigpit.

VN-site: www.worldheritageblaenavon.org.uk;

overzicht boekwinkels: www.booktownblaenafon.com; inl. James Hanna +44 (0) 14 95 79 30 93