Amerika is ouder dan de Verenigde Staten

De UNESCO erkent in het Zuid- Westen van de VS drie plaatsen waar sporen van het Indiaans verleden bescherming verdienen. Een lange reis door het droge, warme bergland wordt beloond: in Taos Pueblo wonen nog echte indianen.

``Waar zijn de indianen nou?'' De vraag wint iedere dag aan urgentie. Onze bijna vierjarige reisgenoot verlangt dat de reisbeloften worden ingelost. We zouden naar New Mexico gaan om de indianen te zoeken. We hebben al heel wat mijlen door het droge, warme bergland getuft, maar geen indiaan gezien.

Leg het maar eens uit: Het is een tragisch gegeven van dit immense land dat de eerste generaties Europese immigranten de eerdere bewoners pas een plek onder de zon gunden toen de meesten er niet meer waren. Heel Amerika zoekt nu naar de indianen. Op de Mall in Washington ging in september, niet ver van het Capitool, het Museum of the American Indian open. Gelukkig, want tot voor kort moest je voor de geschiedenis van de `native Americans' naar het Museum of Natural History.

De Werelderfgoedlijst van de UNESCO erkent in het zuidwesten van de Verenigde Staten drie plaatsen waar sporen van het indiaans verleden bescherming verdienen: het Chaco Culture National Historic Park (waarbij ook de Aztec Ruins worden gerekend), het Mesa Verde National Park en Taos Pueblo.

Deze reisdoelen liggen op flinke afstanden van elkaar in de noordelijke helft van New Mexico; Mesa Verde is in het zuiden van Colorado. We hebben er een week over gedaan overal te komen en het meeste te bekijken, met een dagje voor Santa Fe en Albuquerque tot slot. Het hadden gemakkelijk twee weken kunnen zijn.

De bergachtige leegte op hoogtes van 2.000 tot 3000 meter is spectaculair. Het klimaat is het grootste deel van het jaar heerlijk. De vraag hóe de reis te maken sleepten we vantevoren weken met ons mee. Hoe zouden we het meeste zien van waar we voor kwamen? Welk middel van vervoer zou de vier- en zevenjarige ontdekkingsreizigers het meest bij het avontuur betrekken?

De favoriete optie was weken `traveling light', auto huren en iedere avond een hotel of motel vinden. Aangeraden door Franse vrienden die net een vergelijkbare reis hadden gemaakt. Spannender leek de variant huurauto plus tent. Maar sleep je dan slaapzakken, matten, pannen en kooktoestellen mee in het vliegtuig? Op het laatste moment werd ons de oplossing aangeraden die je het diepst de parken in zou brengen: een RV (recreational vehicle, een camper in het Nederlands).

Het werd de `woonauto', zoals David het 7,62 meter lange vehikel op basis van een 350 pk Ford personenbus doopte. We hadden er tegen opgezien het gevaarte door dorpen en bergen te moeten sturen. Ten onrechte. Dit is Amerika, overal is ruimte voor dit soort monsters. Steeds meer gepensioneerden doorkruisen het land met hele appartementen van tien meter lang; vaak hangt er nog een boodschappenautootje achter.

De voordelen van het reizen per RV zijn talrijk: je hoeft 's avonds geen tent op te zetten, je slaapt iedere avond in je eigen bed, de keuken is gebruiksklaar zodra de auto stil staat en de elektriciteit en het water zijn aangesloten – zonder kan het ook. De ijskast werkt op lpg of stroom, de douche heeft binnen een kwartier warm water. In de afdeling luxe: een eigen wc op ieder moment van de reis is ook niet onprettig.

De beperkingen van het rijdend vakantiehuis kwamen aan het licht toen we de onverharde weg naar Chaco insloegen. Veertig kilometer langzaam schokken en schudden over een wasbordachtige ribbelweg geeft een echt expeditie-gevoel. Een keukenkastje sloeg zo vaak open en dicht dat de scharnieren er na een tijdje uithingen. Erger was dat al het speelgoed van tafel schudde en `Ja Zuster, Nee Zuster' was ook niet meer te horen door het oorverdovend gerammel.

We gingen steeds meer indiaanse wonderen beloven om de stemming er in te houden. Soms bood zelfs de stofwolk van een tegenligger even afleiding. Het geluk was overigens met de dommen. Je rijdt deze weg niet als het regent; de route voert meer dan eens door een rivierbedding. Bij nat weer is het een ideaal parcours voor op vier wielen aangedreven stadsmensen.

De Chaco Canyon is een vallei waar, naar men aanneemt, tussen 850 en 1250 verschillende indianenculturen bloeiden. Er zijn resten gevonden van gebouwen met honderden kamers. Het is onzeker of het vooral ging om wonen, openbare functies, winkels of opslagruimtes. Zeker is dat de typerende ondergrondse ronde kiva's er een centrale rol speelden. Deze religieuze gemeenschapsruimtes zijn in het hele gebied nog te zien.

Toen de Chaco-vallei te droog werd moeten de laatste indianen verder zijn getrokken. In 1849 ontdekte een Amerikaanse leger-expeditie de in onbruik geraakte nederzettingen. Eind negentiende eeuw ontfermden schatgravers zich over de complexen. Zij groeven veel potten, sieraden en huishoudelijke voorwerpen op, die zij verkochten. Vooral Pueblo Bonito, waar nu nog de meeste muren overeind staan, werd leeggeroofd voordat wetenschappelijke archeologen aan de bel trokken.

Richard Wetherill, een handige boer die doodleuk een `trading post' opzette in het Pueblo Bonito-paleis, werd nog overhoop geschoten voordat het Congres in 1906 de `Antiquities Act' aannam. Vanaf 1921 is serieus onderzoek gedaan naar wat restte. Men vond nog een aantal met turquoise ingelegde kunstvoorwerpen en begon zich een idee te vormen van hoe het leven er uitgezien moest hebben.

De rangers van de Park Service geven aardige rondleidingen in deze indianen-opgravingen, maar je mag ook zelf op verkenning gaan. In de bezoekerscentra zijn goede gidsjes voor volwassenen en werkboekjes voor kinderen te krijgen. Op de langste dag van het jaar komen ieder jaar verschillende indianenvolken, die de `paleizen' in hun vervallen staat nog steeds als hun heiligdommen beschouwen, dansen uitvoeren die een religieus en voorlichtend karakter hebben.

Verder naar het noorden, niet ver van Farmington, liggen de Aztec ruïnes. Die zijn overzichtelijker dan het uitgestrekte Chaco-dal en zeker zo begrijpelijk. Dat komt ook doordat men een kiva heeft herbouwd. Op de warme zomerdag dat wij er rustig rondliepen was de lucht vol Zuid-Franse geuren.

Een halve dagreis verder naar het noorden ligt tussen Durango en Cortez het Mesa Verde National Park. De Hoge Veluwe kan er een paar keer in. Het is nog een heel eindje rijden als je de ingang al gepasseerd bent, maar wat zich verderop allemaal schuilhoudt is de tocht waard. Verscholen onder overhangende rotsen in verschillende met elkaar verbonden valleien liggen hele nederzettingen, vaak paleizen genoemd.

Deze wereldwonderen, die aan de rotspaleizen van de Dogon in Mali doen denken, krijg je niet cadeau. Sommige kan je in de verte zien liggen, de mooiste zijn alleen te voet te bereiken. In het geval van het `Spruce Tree House' valt dat reuze mee. Om het `Cliff Palace' van dichtbij te zien moet je van de rotswand naar beneden klimmen – wat steiler, maar voor de meeste kinderen en ouderen wel te doen. De gids gaat voor.

Het enige nog bewoonde indianendorp op het lijstje is Taos Pueblo, een kwartiertje rijden van het inmiddels populaire zomer- en wintersport-oord Taos. Je moet betalen om er in te kunnen, en een tientje extra om foto's te mogen maken. De mensen moeten ergens van leven. We worden verzocht extra op kousenvoeten rond te lopen en liever niet te fotograferen bij een huis waar een uitvaart gaande is. De vader des huizes kom ik later in de supermarkt in de stad tegen. Ook hij woont in twee werelden.

Teresa, onze indiaanse gids, vertelt dat bij de `red willow'-indianen die hier wonen de mannen het voor het zeggen hebben. De cherokee's en de navajo's (Mesa Verde) waren matriarchaal. Men houdt Taos Pueblo in leven, ook al wonen veel jongeren buiten het eigenlijke dorp met de wonderlijk mooie `adobe' huizen van modder en stro, die tot drie verdiepingen hoog kunnen zijn. Vroeger waren er geen deuren in, je klom met een ladder op het platte dak en ging met weer een ladder naar binnen. ,,Als we dat nog steeds deden, zouden we nu heel wat slanker zijn'', verzucht onze gastvrouw zachtjes.

Deze bijzondere plekken peperen je in dat hier een eeuwenoude cultuur bestond voordat de blanken Amerika naar hun hand zetten. Een geruststellende ervaring in een land dat zijn eigen geschiedenis eert als een tweehonderdjarig experiment van blanke, godvruchtige harde werkers die de democratie hebben uitgevonden.

Na al deze hoogtepunten hadden we nog één topper in petto. Op de Interstate 84, tussen Chama en Espanola, vlakbij het lieflijke Lake Abiquiu, ligt de Ghost Ranch. Het is een dromerig presbyteriaans bezinningsoord dat een vriendelijk museumpje voor paleontologie herbergt.

Hier is in de jaren twintig van de vorige eeuw een gaaf exemplaar van de coeleophysis (van 225 miljoen jaar terug) opgegraven, kleiner en ouder dan de dinosaurus. De kinderen waren niet weg te slaan van de botjes en tandjes die in een brokstuk te zien waren. De paleontoloog van dienst had een enorme baard en engelengeduld. Na afloop had niemand meer zin in Georgia O'Keefe's huis buiten Abiquiu – de echte rode bergen van New Mexico zijn toch mooier dan wat zij er met verf van maakte.

New Mexico

Voor de Amerikaanse beschermde plekken op de Werelderfgoedlijst, zie http://www.cr.nps.gov/worldheritage/index.htm.

De National Park Service (http://www.nps.gov/parks.html) heeft een perfecte website met informatie over bereikbaarheid, toegangstijden en kampeerplaatsen in alle parken.

De New Mexico State Parks (http://www. emnrd.state.nm.us/nmparks/) zijn een

nuttige aanvulling.

Om de reis te plannen is de site van het New Mexico Public Land

Information Center handig: http://www.public lands.org/explore/?plicstate=NM. Daar zijn overnachtingen ook online te reserveren.

    • Marc Chavannes