Zwaar getroffen Atjeh kwam laat in beeld

Mede dankzij westerse toeristen met digitale camera's kwamen slachtoffers van de tsunami-ramp in Thailand snel in beeld. Pas later werd duidelijk dat twee derde van alle slachtoffers in het geïsoleerde Atjeh zijn omgekomen.

Op zondag 26 december om 2:58 uur Nederlandse tijd beefde de aarde onder de Indische Oceaan, dichtbij de kust van Atjeh, het noordwestelijke deel van Sumatra. Daar werden na een uur de eerste doden gemeld.

Terwijl men op Sri Lanka en in Thailand nog in onwetendheid verkeerde, had het natuurgeweld in Atjeh zijn verwoestende werk al gedaan, niet alleen door golven die de kuststreek platwalsten, maar ook door aardschokken die wegen en bruggen landinwaarts vernielden. Terwijl elders in Azië tot nu toe 50.000 doden werden geteld, overschrijdt het dodental in Atjeh nu al de 110.000.

Het beeld dat aanvankelijk in de media, ook in NRC Handelsblad, werd gegeven was omgekeerd. `Sri Lanka ergst getroffen', meldde de voorpagina anderhalve dag na de beving. Het eerste bericht van de correspondent in Indonesië, Dirk Vlasblom, kwam uit Jakarta. Op dat moment mochten buitenlandse correspondenten nog niet vrij naar Atjeh reizen, maar Vlasblom kreeg informatie van een Indonesische collega die wel ter plekke was.

Een dag later werd het beeld bijgesteld. Het geschatte dodental in Atjeh overtrof de aantallen in andere landen en op de voorpagina stond een artikel van Vlasblom, opnieuw vanuit Jakarta. Hij meldde dat de situatie `wanhopig' was door gebrek aan bijna alles. Maar het telefoonverkeer kwam langzaam op gang, zodat meer informatie beschikbaar was.

Terwijl zijn collega Michel Maas van de Volkskrant vanuit Jakarta naar Thailand vertrok, omdat hij vreesde weinig te kunnen uitrichten in Atjeh, reisde Vlasblom na twee dagen wel daar heen. Maar zijn voornemen om voor de krant van 31 december een reportage te maken, ging de mist in. Zijn auto bleef in de modder steken, er was onvoldoende benzine en de telefoon deed het niet. Een satelliettelefoon had hij niet bij zich. Zo stond het verhaal pas maandag 3 januari in de krant, tegelijk met de eerste reportage van de inmiddels ook naar Atjeh afgereisde Michel Maas in de Volkskrant.

Nederlandse radio- en tv-journalisten hadden meer geluk. De dag na de ramp zat de correspondent van Radio 1 al in Atjeh, snel daarna arriveerden de collega's van de televisie.

Op woensdag waren zowel via de NOS als RTL beelden te zien. Ook de internationale media waren inmiddels ter plekke. NRC Handelsblad kon zo nieuws en foto's van persbureaus brengen en in de oudejaarskrant stond ook een reportage van een journalist van de Washington Post. Zo werd na enkele dagen steeds duidelijker dat het zwaartepunt van de ramp op Sumatra had gelegen.

Zoals Vlasblom in de eerste zin van zijn eerste bericht vermeldde, heeft Atjeh generaties lang onder geweld van mensenhand geleden. Zonder dat hij er bij zei, was duidelijk wat hij bedoelde. Meer dan een eeuw waren er oorlogen in Atjeh. Eerst sneuvelden tienduizenden door Nederlands geweld, later velen door Indonesisch geweld. Dat is mede een oorzaak van de huidige armoede en ook van het isolement. Terwijl de armoede het effect van de ramp verergerde, zorgde het isolement voor onderbelichting in de eerste dagen.

Toen Atjeh openging voor de media en de hulp op gang kwam, nam het nieuwsaanbod toe. Daarbij werd ook de politieke dimensie zichtbaar.

Zowel Amerika als China is nu present. NRC Handelsblad citeerde de Amerikaanse minister Powell, die verklaarde dat deze operatie ,,de moslimwereld en de rest van de wereld gelegenheid biedt de Amerikaanse vrijgevigheid en waarden in praktijk te zien''.

In de eerste tien dagen na de tsunami heeft deze krant dagelijks twee à drie pagina's nieuws over de ramp in Azië gebracht. Alleen op oudejaarsdag, toen de krant 'sochtends al verscheen, was er minder tsunami-nieuws (anderhalve pagina).

Maar alles bij elkaar bood de krant de lezers voldoende nieuws, reportages en achtergrond. Ook de bijdragen van de wetenschapsredactie en het interessante opiniestuk van Michael Vatikiotis (over de kansen op verzoening in Atjeh, Sri Lanka en Thailand) droegen daartoe bij.

Toch moet een dagblad het bij zo'n ramp afleggen tegen radio, tv en internet als het om snelle berichtgeving en indringende beelden gaat. Het pijnlijkst was dat rond oud- en nieuwjaar. Tussen de ochtendkrant van 31 december en de avondkrant van 3 januari zat 80uur. En dat in een periode waarin de lijken bij tienduizenden werden geruimd en de internationale hulp massaal op gang kwam. Zelfs op de website van de krant werd al die tijd geen eigen nieuws toegevoegd.

Niet alleen de krant, ook de audiovisuele media kennen hun beperkingen. Dat bleek al uit de onderbelichting van de verschrikkingen in Atjeh. Deels was dat een gevolg van overmacht. Maar bij nog meer internationale samenwerking tussen media had misschien meer gedaan kunnen worden om de aandacht van de wereld te vestigen op het gebrek aan hulp in de eerste dagen.

In landen als Thailand, dat door westerse toeristen wordt gefrequenteerd, kwam de nieuwsstroom veel makkelijker op gang. Media konden er vlotter werken, ook al doordat de bestuurlijke en technologische structuren veel beter waren dan in Atjeh. Bovendien waren er westerse slachtoffers die aandacht verdienden.

In NRC Handelsblad zijn in de eerste tien dagen ongeveer evenveel westerse als Aziatische slachtoffers aan het woord geweest. Relatief weinig aandacht was er voor de kwaliteit van de hulpverlening, een thema dat bij andere rampen – terecht of niet – vaak al snel naar voren komt.

De berichtgeving werd sterk gedomineerd door officiële bronnen, zoals de VN, regeringen en hulporganisaties.

Waarschijnlijk volgt na de eerste publiciteitsgolf een tweede stroom, waarbij meer wordt ingegaan op de kwetsbaarheid van arme landen, de verbetering van waarschuwingssystemen en de organisatie van hulpoperaties op zo grote schaal, onderwerpen die in hoofdredactionele commentaren al werden genoemd. Als het om achtergrond en opinie gaat, is de krant weer in het voordeel ten opzichte van de televisie.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist' blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad.

Alle eerdere bijdragen op:

www.nrc.nl/krantachteraf