Zonder verlies zijn we nergens

De ziel doet zich gelden in de dingen waar het ons het meest aan ontbreekt. Oftewel: hoe de schrijfster A.S. Byatt werd overstemd door de Hazerswoudense muziek van Ivy Green. Met een ik-figuur op drift.

De titel alleen al. Van Ziel naar Hart naar Psyche naar Persoonlijkheid. Hoe zou ik níet geïnteresseerd kunnen zijn in wat de Britse schrijfster A.S. Byatt daarover zou gaan zeggen in haar Huizingalezing? Het klonk als het recept voor een viergangendiner met louter gefundenes Fressen krachtvoer voor de stoottroepen in de alom woedende strijd om betekenis. Of beter nog, mits voorzien van de juiste beat: als een mantra, vatbaar voor herhaling op herhaling tot het inzicht er vanzelf op volgt. Ik was dan ook niet voor nadere uitleg naar Leiden gekomen niet nodig! – als wel ter bevestiging: om Dame Antonia vanaf de kansel in de Pieterskerk telkens weer die woorden te kunnen horen zingen. Van ziel naar hart naar psyche naar persoonlijkheid. En nu allemaal!

Het was een goed verhaal dat ze hield, zij het wat bedeesd gebracht, alsof haar stem werd aangetast door de hoogtevrees waardoor ze op die verheven plek zei bevangen te zijn.

Een romanpersonage, zei ze, is vlees dat woord is geworden, en zit als zodanig verweven in het wandkleed van woorden waaruit het boek in zijn geheel bestaat een wandkleed dat haar bijzondere patroon ontleent aan de omringende cultuur op het moment van schrijven. Omdat die cultuur in Europa heel lang de christelijke was, schetst Byatt vervolgens de ontwikkeling die romanpersonages hier hebben ondergaan onder invloed van onze veranderende verhouding tot de in de Bijbel verankerde opvattingen over wat een mens is of zou moeten zijn. In Dostojevski's De idioot is de mens nog vooral een ziel geseald in een lichaam. De personages uit Balzacs Comédie Humaine zijn al van meer markten thuis, terwijl Flauberts Madame Bovary puur gedreven wordt door de decreten van het hart. Door Freud zijn we er achter gekomen dat het echte weefwerk stiekem in de kelders van de psyche geschiedt en daar hebben bijvoorbeeld de personages van Iris Murdoch flink weet van gehad. Via de mens als wandelend memento mori in De Toverberg van Thomas Mann en als sterfelijk dier in Nootebooms Rituelen komt Byatt tenslotte uit op de eendimensionale seks- en dood-shoppers uit het werk van een hedendaagse schrijver als Adam Thirlwell. Kortom: van een universum waarin de afstand tussen lichaam en ziel hemelsbreed en maximaal was naar één waarin die afstand samen met God zelf tot het grote niets is gereduceerd.

Geen speld tussen te krijgen. Ik kon de verschillende fasen in de ontwikkeling van ziel naar persoonlijkheid afvinken als waren het namen op de gastenlijst voor een kerstdiner met Onze Lieve Heer als grote kalkoen.

Maar naarmate Byatt het einde van haar betoog begon te naderen werd de echo van haar woorden in mijn hoofd steeds vaker overstemd door die van een heel ander lied. Een lied dat bijna twintig jaar eerder nota bene op nog geen twaalf kilometer van de Pieterskerk gecomponeerd was: `I lost the sound of my heart' van Ivy Green, een band uit Hazerswoude die al in 1975 en zonder enige ruggenspraak met Londen of New York de Nederpunk uitvond, en vervolgens in de jaren tachtig een geheel eigen mengvorm van rock, punk en soul ontwikkelde, waarvan het lied in kwestie misschien wel het mooiste voorbeeld was.

`I lost the sound of my heart.'

De titel alleen al.

Het werd geschreven door de zanger-gitarist en voorman van Ivy Green, Tim Mullens, een ontroerende jongen met donker stekeltjeshaar boven zijn door een wit masker van depressie strakgetrokken gezicht. In mijn ogen had hij zich alleen al onsterfelijkgemaakt door halverwege de jaren tachtig in een bomvolle VPRO-kantine, waar de mensen met zuinige monden het eten op hun bord aan het heen en weer schuiven waren, heel hard te roepen: ,,Wie lust er zijn aardappelen niet?!''

Een kind kon zien dat hij zijn hart op de goede plek had; toch hoorde hij zelf, wanneer hij zijn innerlijk oor spitste, alleen nog het wegsterven van wat vroeger een gezond gebonk was geweest. Misschien dat hij daarom zulke luide muziek maakte om zijn hart wakker te brullen, zoals moederleeuwen dat met hun zieltogende welpen doen. Of misschien was die muziek zelf de enig aangewezen plek om zijn hart te horen.

Hoe dan ook, dat ik Tim steeds luider en duidelijker boven de Huizingalezing uit hoorde zingen over het verlies van radiocontact met zijn hart kwam omdat Byatt steeds meer woorden van gelijke strekking begon te bezigen. ,,Ik geloof niet in de (christelijke) God,'' zei ze, ,,maar diens gestage ondermijning heeft de wereld waarin we leven wel kleiner gemaakt.'' `Diminishing' was het woord dat ze gebruikte, bijna fluisterend, alsof ze haar best deed iets onsmakelijks heel netjes te zeggen, en ik kon het grote krimpen dat ze had beschreven van ziel naar hart naar psyche enzovoort – meevoelen in mijn maag. Vervolgens had ze het nog twee keer over `verlies', en toen, op die noot, ergens tussen berusting en mineur in, hield ze ermee op – precies op het moment dat ik dacht `nu komt het'.

Maar het kwam niet: het keerpunt in haar betoog, vanwaar ze ons zou wijzen hoe we van `persoonlijkheid' die make-over creatie van de media-goden via psyche en hart weer terug zouden kunnen komen bij zoiets als `ziel'. Of hoe we ze misschien allemaal in elkaar zouden kunnen laten passen als zo'n set Russische poppetjes. Is te doen, namelijk. Het zijn tenslotte vier verschillende aanduidingen van diepte waar we het hier over hebben: van de ziel als onpeilbaarheid, misschien wel de diepte an sich, via intensiteit van gevoel bij het hart en als weggestopt slagveld van tegenstrijdige verlangens in de psyche, tot alles aan de oppervlakte bij de persoonlijkheid. Waarbij `ziel' misschien wel zowel het grootste, buitenste poppetje is als ook het kleinste, binnenste.

Handvat voor het behendig uit-elkaar-halen en in dezelfde beweging weer in-elkaar-zetten van de diepte-puzzle is precies dat gevoel van verlies waar Antonia, net als Tim Mullens, in haar verhaal op uit was gekomen. Omdat `ziel de engel die het mogelijk maakt dat we door iets of iemand geraakt kunnen worden zich nu eenmaal doet gelden in de dingen waar het ons het meest aan ontbreekt; een ontbering die ook het wezen uitmaakt van de liefde. Als ik het me goed herinner wordt Eros al door good old Socrates beschreven als een ongewassen dakloze die vanuit donkere portieken een behoeftige hand naar je uitstrekt. Maar een keer goed luisteren naar een ballad van Otis Redding of Aretha Franklin is trouwens ook al voldoende om weer te weten dat `soul' en verlies hand in hand gaan en dat het goed is zo.

Zonder verlies zijn we nergens.

Wat Byatt betreurt, is dan ook niet zozeer het verlies aan diepte of ziel of hart of God zelf, als wel het geleidelijke verlies van een bepaalde manier om ze ter sprake te brengen. Ik betreur daarentegen dat we er nog zo aan vasthouden.

We zijn zo langzamerhand inderdaad al te ver van die ene God los om over de ziel te kunnen praten als iets waar het lichaam of de wereld geen deel van uitmaakt. En mochten we dat vergeten, dan is er altijd nog die kleine vochtplek op de longen van de hoofdpersoon uit De Toverberg om ons daaraan te herinneren. Maar helaas zijn we, als het gaat om wat er zich in de diepte afspeelt wel nog steeds verstrikt in een vorm die in wezen puur christelijk is.

Het was Augustinus die `hart' (vul naar believen in: `ziel', `psyche', enz.) voor het eerst gelijkstelde met mijn hart. ,,Cor meum, ubi ego sum quicumque sum mijn hart, waar en wat ik ben'', staat er in zijn Confessiones. Dat is een boek waarmee hij in feite het literaire genre introduceerde dat tot op de dag van vandaag dominant is gebleven, ook buiten de autobiografie: de bekentenis. Met zijn retoriek van het ego, het ik dat heroïsch afdaalt in de duistere diepten van het gemoed om ons ware zelf naar boven te halen. Vanaf dat moment zijn we wat we ervaren allemaal zo godvergeten persoonlijk op gaan vatten – terwijl er zich legio gemoedsbewegingen aan ons voordoen waar de ik-vorm absoluut ontoereikend voor is. Geen sprake van dat-ie de boel in zijn eentje bij elkaar kan houden, die eerste persoon enkelvoud. Al was het maar omdat onderzoek al lang geleden heeft uitgewezen dat hij daarbinnen helemaal niet op de eerste plaats komt. Als persoon maakt hij trouwens ook niets klaar, enkelvoudig of niet.

Het ik en dan met name het inmiddels verdwaalde christelijke ik – is een slechte verslaggever als het gaat om wat zich allemaal afspeelt in de wereld van het hart. Niet omdat het te `subjectief' zou zijn, maar omdat het in al zijn rechtlijnigheid en plichtmatige identificatie geen recht kan doen aan waar het hart vol van is: verlangen en verbeelding en heel veel niet-ik. Heel veel niet-alleen-menselijks ook, trouwens. En dat wreekt zich dubbel in de wereld van fictie en romans, waarin het ik fungeert als modelburger.

I lost the sound of my heart. De ik-figuur is op drift geraakt als een valk die de stem van de valkenier niet meer horen kan.

    • Roel Bentz van den Berg