U lacht toch wel mee

P.G. Wodehouse heeft ongeveer honderd romans en verhalenbundels nagelaten, van The Pothunters in 1902 tot Sunset at Blandings in 1977, twee jaar na zijn dood. In de jaren dertig wist iedereen van hem af. Zou hij nu vergeten zijn, vraag je je af, zodat haast niemand meer glimlacht bij het horen van de namen van Bertie Wooster en Jeeves, en Lord Emsworth en Psmith en Mr Mulliner, die in de meest gelezen romans hoofdrollen vervullen? Wie rondvraagt in Nederlandse kringen zou het soms denken.

Bij nader onderzoek komt er een ander beeld van de Engels sprekende en de Engels napratende wereld aan het licht. In Engeland zelf is de helft van zijn titels in Penguins te krijgen. En volgens biograaf Robert McCrum is Wodehouse ook in vele andere landen waar hij altijd al goed verkocht werd, nog steeds gewild: Zweden, Duitsland, Spanje, Japan, Amerika en zo door.

Zijn genre was de klucht, en vooral de klucht van stand, de upper-class-klucht, van mensen die menen te weten hoe alles hoort en zich steeds verwonderen en ergeren over elkaars doen en laten. Dat was tenminste de wereld van zijn meest geciteerde personages: de doezelige Lord Emsworth van Blandings Castle aan de zuidkust, alleen actief in de zorg voor zijn bekroonde zeug Empress of Blandings; en de babbelende Londense rentenier Bertie Wooster, die in zijn verwikkelingen met familie en bekenden geadviseerd wordt door zijn levenswijze oppasser, zijn gentleman's personal gentleman Jeeves.

Wodehouse had een onvermoeibaar talent om situaties en complicaties voor zijn personen te bedenken, en ze te beschrijven in vindingrijk proza. Dat de betere kringen in werkelijkheid anders klonken was geen bezwaar. Het plezier lag in de herkenning van de parodie op het bevoorrechte leven. Er zijn punten van overeenkomst aan te wijzen tussen de verhouding van Wooster en Jeeves en die van heer Bommel en Tom Poes: stof voor een essay, met inzichten in het verschil tussen Engeland en Nederland. Kenners kunnen elkaar nog steeds met gemak aan het lachen brengen met herinneringen aan vele hoofd- en bijfiguren. En dan is er het toneelwerk, vooral geschreven tussen de twee wereldoorlogen, teksten voor Amerikaanse musicals en filmteksten voor Hollywood.

Wie Wodehouse's productie overziet vreest dat hij weinig anders deed dan schrijven. Dat was ook zo. Zijn biograaf kan vaak alleen over bezigheden vertellen, niet over belevenissen. Dat er nogal wat bezoekers over de vloer kwamen was op uitnodiging van Ethel, met wie hij getrouwd was op zijn drieënveertigste, in 1914. Een drukke, bedisselende vrouw die tot zijn dood het huis bestierde en daarna nog geleefd heeft tot haar negenennegentigste.

Zij had een dochter uit een eerder huwelijk, Leonora, met wie Wodehouse het heel goed kon vinden. Het was een verdriet voor hem toen zij, moeder van twee kinderen, op haar veertigste stierf na een kleine operatie. Zelf hoefde hij het gezin niet uit te breiden, want de activiteiten die daarvoor nodig zijn, boeiden hem niet. Hij sliep altijd alleen en hield zich zoveel mogelijk aan een vaste dagindeling. Als er gasten kwamen was hij vriendelijk, totdat hij de kans schoon zag om zich terug te trekken naar zijn schrijftafel.

Het leven van de grote komedieschrijver zou te kalm, welvarend en eentonig zijn geweest om na te vertellen als hij geen onvergetelijke misstap had begaan. In 1940 woonde hij, sinds een jaar of zes, in Le Touquet aan de Franse Kanaalkust, en hij hoopte net als meer Engelsen daar dat de Duitsers zover niet zouden komen. Dat viel tegen. In juli werden alle Engelse mannen onder de zestig opgepakt en Wodehouse, die bijna negenenvijftig was, moest mee naar een grauw interneringskamp in Silezië. Daar mocht in december een correspondent van AP – Amerika was nog niet in de oorlog – hem een interview afnemen dat hem aan beide zijden van de Atlantische Oceaan weer in de publiciteit bracht. De Duitsers kwamen toen op het idee om hem een paar radiopraatjes te laten houden voor hun uitzendingen in het Engels; daar zou hij vast ook heel vriendelijk vertellen over het kampleven. En jawel, dat deed hij. Hij besefte niet wat voor indruk hij zou maken, in Amerika en vooral in Engeland. Wodehouse wist niets van politiek en propaganda en dacht dat de luisteraars blij zouden zijn te horen dat het hem goed ging.

De Engelsen die in dat laatste misschien wel geïnteresseerd waren, werden in de openbare discussie ruimschoots overstemd door de aanklagers, van wie de scherpste William Connor was, columnist van de Daily Mirror onder de naam Cassandra. In zijn visie was Wodehouse een gemakzuchtige landverrader – gemakzuchtig omdat hij als beloning voor zijn praatjes een herenleven kon leiden in het Adlon Hotel. De Britse overheid had, in het heetst van de oorlog, geen zin om die stemming te verzachten. Toen Connor zijn beschuldiging voor de radio zou herhalen wilde de BBC hem tegenhouden; het ministerie van Voorlichting, geleid door Duff Cooper, drukte de uitzending door.

Kort na zijn vijf praatjes werd Wodehouse zestig, dus te oud voor het kamp. Hij bleef nog twee jaar in Duitsland, een deel van de tijd te gast bij Duitse liefhebbers van zijn werk. In 1943 mocht hij terug naar Frankrijk. Hij woonde in een hotel in Parijs, waar hij in 1944 na de bevrijding werd opgepakt door de Fransen, die hem gevangen hielden totdat de Engelse regering liet weten dat zij geen behoefte had om hem te berechten.

Wodehouse bleef in Parijs tot 1947; toen vertrok hij naar Amerika, waar zijn oorlogsoptreden nooit veel beroering gewekt had. Daar is hij tot zijn dood in 1975 blijven wonen, vanaf 1955 in Remsenburg op Long Island. Hij zat weer dagelijks te schrijven net als vroeger. Naar Engeland is hij nooit teruggekeerd. Wel leefde hij net lang genoeg om als teken dat alles vergeven was op nieuwjaarsdag 1975 een knighthood toegekend te krijgen, zodat hij stierf als Sir Pelham – of Plum, met de samentrekking van zijn voornaam die sinds zijn kindertijd in gebruik was. In februari 1975 kwam zijn arts 's avonds langs en trof hem aan in een stoel op zijn werkkamer, met pijp in de hand en een voltooid manuscript voor zich: dood, net zo evenwichtig als hij geleefd had.

Herlezen van Wodehouse is niet onverkort aan te bevelen. De vreugde over zijn verhalen en zijn woordgebruik loopt gevaar verstoord te worden door de indruk dat hij het zelf ook zo leuk vond en, erger nog, dat hij ons in het oog houdt om te zien of wij wel meelachen. Wel is zijn werk onmisbaar voor wie de Engelse humoristische traditie wil bestuderen, of zich wil verdiepen in de stemming van de twenties en de thirties. Die historische stemming is niet die van de Emsworths en de Woosters en de Jeeveses en andere denkbeeldige schertsfiguren; het is die van Wodehouses tijdgenoten in de uitgestrekte buitenwijken die met hem meelachten.

Van McCrums biografie van de grote humorist zullen twee voorname onderdelen in de herinnering blijven. De ene is het verhaal over de internering en de vier volgende jaren, onverbeterlijk in de combinatie van betrokkenheid bij de oorlog en onbegrip ervoor. De andere bijdrage wordt de lezer pas op den duur gewaar, bij het overpeinzen van de hardwerkende goedgeluimde eentonige overige 88 jaar van Wodehouses leven. De geschiedenis van zijn tijd viel hem niet op, grote gedachten bereikten hem niet, emoties verstoorden hem zelden. Zowat de hele twintigste eeuw ging langs hem heen zonder hem te raken. Aansluitende gedachte van de lezer: en ikzelf, met het boek op mijn knie, hoeveel dichter ben ik betrokken geweest bij de razende geschiedenis van die eeuw, behalve dat ik er meer op gelet heb en meer over gepraat en dat ik niet altijd in mijn eentje in bed lag? Bij aandachtige beschouwing is het verwonderlijk hoeveel van de tijd ook wij langs ons heen hebben laten gaan.

Robert McCrum: Wodehouse.

A Life. Viking, 530 blz. €35,–

    • J.J. Peereboom