Terugzien in gemonkel

`Programma's geven omroepen niet voldoende legitimering; wij zoeken naar een verbreding van de maatschappelijke verankering.' Dit kan niet anders dan een uitspraak van een omroepbestuurder zijn. Want ga maar na, schrijft Jan Haasbroek in zijn boek Van idee naar idool: `Je kunt in dit citaat de termen legitimering, verbreding en verankering zo makkelijk van plaats laten verspringen, dat het duidelijk is dat ze leeg moeten zijn.'

En toch is dit de wereld, waarin Haasbroek dertig jaar lang heeft vertoefd – na een vliegende start als programmamaker was hij hoofdredacteur van de VPRO-radio, netmanager van Radio 5 en directeur van de Humanistische Omroep. Pas nu hij met vervroegd pensioen is, komt het hoge woord eruit: zijn omgang met het vergadercircuit is al die jaren `vluchtig' geweest. Slechts bij hoge uitzondering las hij de rapporten en dossiers, en bij voorkeur omringde hij zich `met mensen die al die vergaderingen net zo'n flauwekul vonden als ik zelf.' Hij was onderdeel van een tussenlaag van raden, besturen, werkgroepen, colleges, commissies, consultants en coördinatoren, die `een eindeloze stroom van rapporten, notities, dossiers en verslagen' uitbraakt, `variërend van meerjarenbegrotingen tot concessiebeleidsplannen, van visitatierapporten tot beoordelingskaders, van netcharters tot prestatiecontracten en van genreschema's tot gedragscodes.' Geruststellend voegt hij er aan toe: `Het papieren tumult speelt zich uitsluitend af binnen de tussenlaag. Programmamakers blijven godzijdank van dit futloze drukwerk verschoond.'

Monkelend kijkt Haasbroek terug op dat vergadercircuit en op het Nederlandse omroepbestel dat daarvan de voornaamste oorzaak is.

Van idee naar idool omvat meer dan deze speels, maar ook wat rommelig opgediste memoires. Het boek is een grabbelton van ideeën en observaties, waarin Haasbroek de vraag opwerpt of de huidige (televisie)journalistiek nog is opgewassen tegen alles wat de maatschappij beroert. Hij legt die vraag voor aan enkele jonge journalisten, en geeft alle ruimte aan hun antwoorden, maar veel nieuwe inzichten levert dat niet op. Misschien had hij de vraag moeten voorleggen aan zijn tweelingbroer Nico, die gelijktijdig een heel ander boek heeft geschreven. Journaaljaren is het ietwat verbitterde relaas van de man, die zich twee jaar geleden gedwongen zag af te treden als hoofdredacteur van het NOS Journaal. De directe aanleiding was zijn in het openbaar geuite kritiek op de vergelijking die zijn Haagse redacteur Job Frieszo had getrokken tussen de beginselen van Pim Fortuyn en het partijprogramma van de CD. Maar er moet veel meer achter hebben gezeten. Gedetailleerd beschrijft Haasbroek zijn jaren als hoofdredacteur, zijn contacten met de redactie en zijn inzet om het Journaal te verbeteren – tot en met een berekening van de niet opgenomen vakantiedagen. Het resultaat is een tamelijk vermoeiende filippica, waarin zijn poging tot rechtvaardiging veel te vaak het zicht ontneemt op de werkvloer.

Over één ding zijn de broers het eens. `Het kernprobleem is', schrijft Nico Haasbroek, `dat er in het Hilversumse te veel hindernissen worden opgeworpen om goed en snel nieuws te kunnen maken.' Of, zoals Jan Haasbroek het voorspellend formuleert: `Nadat de makers en de kijkers de publieke omroep de rug toegekeerd hadden, vergaderden de bestuurders en managers onverdroten verder.'

Jan Haasbroek: Van idee naar idool. Jan Haasbroek over radio en televisie.

Bas Lubberhuizen, 352 blz, €22,90

Nico Haasbroek: Journaaljaren. Vassallucci, 318 blz. €16,95

    • Henk van Gelder