Slapen tegen de superkapitalisten

Werknemers zijn tegenwoordig kanonnenvoer voor quasi-empathische managers die hen in permanente staat van reorganisatie willen houden om de winst verder op te drijven. Alleen een beetje luiheid kan helpen tegen die verstikkende wereld van het moderne werken.

Luiheid is een van de zeven hoofdzonden. Vreemd eigenlijk, om de onschuldige `traagheid', zoals de oorspronkelijke formulering luidt, te ontwaren tussen zonden als hebzucht, hovaardigheid, gramschap of nijd, die toch allemaal (de wellust uitgesloten) van bedenkelijker allooi zijn. Wie traag is, kan daar bovendien niets aan doen. Sommige mensen zijn slecht in hardlopen of langzaam met leren. Van luiheid kun je nog vinden dat het een keuze is: hij blijft liever de hele dag op de bank hangen dan een vinger uit te steken. Maar toch, die houding is eerder een vorm van egoïsme, gebrek aan coöperatie dan een teken van luiheid. Want voor andere activiteiten dan het huishouden komt zo'n luiaard wel degelijk in beweging.

Het lastige van luiheid als zonde (hetzelfde geldt voor wellust) is dat de overlast voor de omgeving niet meteen duidelijk is. Je zou kunnen zeggen: wie op z'n werk de kantjes ervan afloopt, schaadt het grotere geheel. Maar als het te dol wordt, krijgt zo iemand reprimandes, wordt hij gedegradeerd of zelfs ontslagen. Dus die luiheid wordt normaliter op den duur gecorrigeerd. Voor de rest schaadt iemand die niet doet wat hij verondersteld wordt te doen (gras maaien, afwassen, huiswerk maken, lege flessen weggooien) in de eerste plaats zichzelf. Zulke indolentie duurt net zo lang tot die persoon er zelf genoeg van krijgt, en ofwel de rotzooi opruimt en aan de slag gaat, ofwel er helemaal de brui aan geeft en met iets anders begint wat hij wél leuk vindt om te doen. En dan is hij ook meteen niet meer lui.

Als je het zo bekijkt, is er niemand ter wereld lui in de fundamenteel-zondige zin des woords, omdat iederéén wel bepaalde activiteiten kent waar hij plezier in heeft. Luiheid blijft dan gereserveerd voor het gebrek aan daadkracht dat mensen aan de dag leggen voor moeilijke of vervelende taken. Er zijn inderdaad grote verschillen tussen mensen in dit opzicht. Eén groep werkt bijvoorbeeld zo snel mogelijk de hoogstnoodzakelijke klussen af, waarna de resterende tijd vrij is voor leukere dingen. Anderen stellen die taken juist tot het laatste moment uit en verspillen eerst veel tijd met tegen het werk aanhikken en al uitvluchten zoekend zich halfhartig te amuseren.

Deze lange uitstellers worden vaak gezien als echt luie hedonisten, maar dat is niet terecht. De eerste groep, de planmatige organiseerders met hun altijd opgeruimde in- en uitbakjes, houdt immers veel meer tijd over om zich over te geven aan ledigheid. Uitstellers daarentegen moeten zich rot werken om in de krappe tijd die ze zichzelf gunnen hun taken af te maken, en hebben bovendien niet eens echt plezier beleefd aan de tijd die ze hebben verspild met vluchten. Wie hecht er nou meer waarde aan lekker lui kunnen zijn?

Paradox

IJver en daadkracht als nuttige instrumenten, misschien zelfs als voorwaarden voor het bereiken van de gezegende staat van de luiheid, het is een paradox. In Lof der luiheid van Tom Hodgkinson, oprichter en uitgever van het blad The Idler (vertaalbaar als: `De baliekluiver') schuilt er nog één, maar dan tussen de regels. Hodgkinson zet zich af tegen het arbeidsethos, dat in Engeland en Amerika de werkende massa's nog veel sterker beheerst dan hier. Hard werken en het druk hebben is de norm. Vakanties zijn kort (veel minder vrije dagen dan op het Europese contiment) en overwerk is normaal. Hard werken geeft inkomen en status, maar het doodt de geestkracht en de vrijheid om te doen waar je zin in hebt. Volgt een lange ode aan de kunst van het lanterfanten en lummelen, het uitslapen, het hazenslaapje, het flaneren, het rondhangen, het uit ramen staren, maar ook het zitten in cafés met vrienden, het drinken van cocktails, het voeren van conversaties, het housen op 24-uurs-feesten, het gebruik van drugs, het roken en het slow bedrijven van seks.

Hodgkinson is zo gegrepen door zijn onderwerp dat hij al schrijvend steeds meer raakvlakken met verwante thema's ontdekt, zodat zijn boek uitdraait op een alomvattende ode aan hedonisme. Alle leuke dingen die er te doen zijn in het leven (zie bovenstaand rijtje) worden naar voren geschoven als voorbeeld van lofwaardige luiheid; alles wat niet valt onder de noemer hard werken voor een baas, schaart hij onder luiheid. Bovendien heeft hij niet eens iets tegen hard werken, zolang je het maar leuk vindt. Als dat geen paradox is!

Freelance werken en je eigen tijd kunnen indelen is voor hem eigenlijk de enig acceptabele manier van werken. Zo deden de wevers in het Engeland van de zeventiende eeuw het tenslotte ook, en toen waren er (o tempora, o mores) ook veel meer feestdagen, waarop niemand iets uitvoerde.

Zelf is Hodgkinson, die flink wat literatuurstudie heeft gedaan voor dit nogal lijvig uitgevallen boek, een voorbeeld van een schrijver die heel hard werkt, dus zijn apologie voor de luiheid heeft iets modieus en kokets. Aan de andere kant: omdat het etiket `zondig' tegenwoordig nogal irrelevant is geworden, is het logisch dat luiheid en hedonisme in elkaar overvloeien.

Met zijn kritiek op het moderne arbeidsklimaat, waarin werknemers permanent tot steeds hogere productie worden opgejaagd, terwijl tegelijkertijd door flexibilisering, bezuinigingen en rationalisering steeds meer personeel wordt weggewerkt, heeft Hodgkinson groot gelijk. In Willing Slaves buigt Madeleine Bunting, journaliste van The Guardian, zich over wat zij de noemt `de meest uitbuitende en manipulatieve werkcultuur sinds de industriële revolutie'. Werkweken van zestig of zeventig uur zijn normaal geworden. Overwerk en consumptiedrift zijn aan elkaar vastgeklonken in een opwaartse spiraal, al legt Bunting de schuld van deze spijtige toestand niet bij de `gewillige slaven' zelf, de klagers die in haar boek aan het woord komen.

Er zijn andere krachten in het spel. Langere afstanden tussen wonen en werken, de afnemende macht van de vakbonden, de meedogenloze concurrentie tussen grote ondernemingen in de markteconomie, waardoor bedrijven elkaar opslokken en alles zich in een constante staat van onrust en reorganisatie bevindt. De flexibilisering van het werk, waardoor werknemers het werk mee naar huis kunnen (lees: moeten) nemen, heeft de bedrijfscultuur ook veranderd. De klassieke tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, werknemers en bazen, heeft plaatsgemaakt voor een quasi-joviale sfeer van `leuk, we gaan er met ons allen tegenaan'. Er wordt meer inzet van de werknemers gevraagd en ze zien dat de chef zelf ook weken van zeventig uur draait, dus ze moeten wel.

Emotie

Ook is er meer aandacht voor het privéleven van de werknemer, aandacht die een verplichtend karakter kan krijgen. In dat opzicht is werk op familie gaan lijken. Maar al die collegiale betrokkenheid en loyaliteit aan het bedrijf staan natuurlijk in het teken van het doel: winst maken. En de combinatie van prestatiedwang en persoonlijke betrokkenheid maakt het leven van werkenden juist zwaar. In de dienstverlenende sector (hulpverlening, pretparken, toerisme, horeca) is het tonen van de juiste emotie tegenover de klant zo belangrijk geworden dat dat op zichzelf de werkers ketent. Gehesen in een commercieel gesmeed harnas van beleefdheid en vriendelijkheid moeten ze zich te weer stellen tegen klanten die ál hun emoties, ook de agressieve, vrijuit kunnen spuien.

Er is gelukkig troost. In zijn veel luchtiger Het maandagmorgengevoel. Een troostboek voor werkenden heeft managementpublicist Joep Schrijvers ook weinig op met de gepersonaliseerde werksfeer op het moderne kantoor. Maar terug naar de oude, bureaucratische orde met zijn strikte scheiding tussen werk en privé acht hij niet haalbaar en niet wenselijk. In geestige vignetten beschrijft hij verschillende soorten gevreesde collega's (het heilig boontje, de streber, de machoman, het fossiel), akelige chefs (de bullebak, de stoelverdediger, de kruiper) en allerlei vreselijke organisatiefilosofieën. Zijn adviezen voor mensen die walgen van hun werk bestaan, behalve uit simpele lotsaanvaarding, uit variaties op het motto `zie je eronderuit te wezelen', een milde vorm van sabotage dus. Afleiding zoeken, je geestelijk terugtrekken, sublimeren, en ook: doelloos lummelen en lanterfanten. Dat houdt de mens geestelijk gezond. Niet alleen dat trouwens. Zoals Hodgkinson benadrukt: nietsdoen, de halfslaap, suffend door een raam staren, indolent met een glas op de bank hangen, kunnen juist leiden tot creatieve invallen, originele gedachten en oplossingen voor slepende kwesties. Luiheid is als lucht tussen vette klei: vruchtbaar. In het werk moet lucht zitten, want anders stik je.

Tom Hodgkinson: Lof der luiheid. Wenken voor de beoefenaar.

Vertaling Thijs Bartels.

De Bezige Bij, 312 blz. €17,90

Madeleine Bunting: Willing Slaves. How the Overwork Culture is Ruling Our Lives. Harper Collins, 368 blz.€23,–

Joep P.M. Schrijvers: Het maandagmorgengevoel. Een troostboek voor werkenden. Met tekeningen van Peter van Straaten. Scriptum, 152 blz. €16,95

    • Beatrijs Ritsema