De stad die het kon

De `donkere' twintigste eeuw maakte een einde aan de vreedzame coëxistentie van moslims, joden en christenen in Thessaloniki. Een begaafd historicus reconstrueert de verloren geschiedenis van de stad.

Waarschijnlijk heeft geen andere stad in Europa zozeer haar geschiedenis verloren als het Griekse Thessaloniki. De stad is met zijn haven gelegen aan de noordkust van de Aegeïsche Zee en opent met zijn stadspoorten de wegen naar het Griekse kernland en Athene, naar Macedonië en Bulgarije. De vernietiging van zijn verleden dankt Thessaloniki behalve aan een grote brand in 1917, die driekwart van de houten huizen in de historische binnenstad verwoestte, aan de typische plagen van de twintigste eeuw: die van het nationalisme, die van de etnische zuivering en die van de jodenvervolging. Voordien was Salonica (de oude stadsnaam in het Ottomaanse rijk) een brandpunt van kosmopolitisme, een typisch voorbeeld van het tegenwoordig ook negatief beladen begrip multiculturele samenleving.

Mark Mazower, auteur van een baanbrekend boek Dark Continent, over het `donkere werelddeel' Europa in de twintigste eeuw, maar ook specialist in de hedendaagse geschiedenis van de Balkan, beschrijft de stad als een vat vol tegenstrijdigheden, dat pas ná 1900 een kruitvat werd. De coëxistentie van inwoners afkomstig uit een diversiteit van culturen is met terugwerkende kracht opmerkelijk en bewonderenswaardig. Onder de staatkundige koepel van het Ottomaanse bestuur konden de vertegenwoordigers van de Byzantijnse, later Griekse cultuur en van de Slavische (beide christelijke groeperingen) samenleven met een grote joodse (sefardische) gemeenschap en met de islamitische bestuursambtenaren en handelaren van de sultan.

Mazower laat zijn stadsgeschiedenis beginnen in 1430, wanneer Salonica door de Ottomaanse sultan Murad II wordt veroverd en het Byzantijnse rijk ook hier wordt teruggedrongen. Dat betekende weliswaar de islamisering van het stedelijke leven – de minaret wordt kenmerkend voor het stadsgezicht – maar niet het einde van het orthodoxe christendom. De Ottomaanse praktijk liet de minderheden voortbestaan in een min of meer afgebakende groepering onder leiding van een (meestal) religieuze leider die verantwoordelijk was voor de opbrengst van belastingen in zijn minderheid, maar ook voor recht en orde. De orthodoxe religie bleef bestaan en met haar de Byzantijnse kerken die tot vandaag de historische parels zijn in de, ten gevolge van de brand, sterk gemoderniseerde stad.

Ladino

Vanaf 1500 kwam daar een nieuwe minderheid bij: de vanuit Spanje en Portugal verdreven joden. Deze sefardische gemeenschap vormde spoedig de helft van de stedelijke bevolking en bezorgde de stad niet alleen een proletariaat maar ook de Levantijnse handelsrelaties, een groep van vermogende burgers en een eigen taal, het Ladino, de mengtaal van de sefardische groep die zich er tot in de twintigste eeuw in zou blijven uitdrukken. De leiding van deze minderheid was in handen van de opperrabbijn, die eenzelfde positie bekleedde als de aartsbisschop voor de orthodoxe christenen.

De kern van het historische verhaal is de veelkleurigheid van de stad, die in de vijftiende eeuw `in de schaduw van Europa' kwam te liggen, toen de opkomst van Europese mogendheden als Frankrijk en de Italiaanse handelssteden zich in dit deel van de wereld deed voelen. Mazowers boek is een lofzang op het kosmopolitisme en op de dominante traditie van verdraagzaamheid in het Ottomaanse rijk. Aan het einde van de negentiende eeuw bijvoorbeeld is de Franse republikeinse onderwijstraditie in Thessaloniki geïmporteerd door de joodse gemeenschap. Het was op de islamitische schoolvariant hiervan in Salonica, dat de stadsbewoner Mustafa Kemal zijn ideeën over de scheiding van godsdienst en staat opdeed, die hij als Atatürk later in het nieuwe Turkije zou toepassen.

In Mazowers historische voorstelling veroorzaakt het nationalisme een breuk met dit kosmopolitische verleden. Het werd in de twintigste eeuw nog één keer voorafgegaan door een Ottomaanse revolte in 1908. De beweging van de Jonge Turken heeft zich juist in Salonica sterk gemanifesteerd in haar actie voor een constitutionele hervorming en de introductie van vrijheid, gelijkheid en broederschap. In deze fase van hun revolutie zongen deze jonge Turken ook nog de lof van het kosmopolitisme als kernstuk van de Ottomaanse politieke leer. Sultan Abdul Hamid verloor er zijn troon ten gunste van zijn broer Mehmed V. De uiteindelijke mislukking van deze beweging deed de Jonge Turken omzien naar een eigen Turkse staat.

Vervolgens werd Salonica Thessaloniki; de stad werd Grieks na de Balkanoorlog in 1912. De bevolking verwelkomde de Griekse nationalisten (van wie een deel overigens van Albanese herkomst was) maar behield tot in de Eerste Wereldoorlog zijn Ottomaanse burgemeester. Uit het noorden waren er Bulgaren naar de stad gekomen, maar die bleven een minderheid. De strijd om de identiteit van Macedonië – Grieks of Slavisch – was in volle gang. De vraag was of dit voormalige Ottomaanse bezit een noordelijke provincie van Griekenland zou zijn of een verlengstuk van Bulgarije. Het werd uiteindelijk grotendeels een zelfstandige staat, tegen de zin van de Grieken, maar dat is het resultaat van een Balkanoorlog aan het einde van de twintigste eeuw.

Deze twintigste eeuw maakte zich eerst recht kenbaar in een van de eerste zogeheten etnische zuiveringen. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog sloegen de moslims uit Thessaloniki op de vlucht. In het verlengde daarvan lag de ontbinding van het Ottomaanse rijk dat met Duitsland en Oostenrijk tot de verliezers behoorde van de oorlog. Het Griekse leger en de regering van Venizelos poogden toen Klein-Azië terug te winnen voor een `Griekenland van de vijf zeeën'. Dat eindigde in een catastrofe. De consequentie was het nieuwe Turkije, grotendeels van de Grieken gezuiverd, en Griekenland, grotendeels van Turken gezuiverd. In de vrede van Lausanne (1922) werden de minderheden gedwongen naar de eigen naties te verhuizen. Het is een gedwongen volksverhuizing die tot op de dag van vandaag zijn trauma's nalaat en Thessaloniki voorgoed beroofde van een Ottomaans verleden. De moskeeën werden na de grote stadsbrand niet herbouwd.

De Tweede Wereldoorlog bracht de deportatie van de joodse inwoners van Thessaloniki met zich mee. Op persoonlijk initiatief van Adolf Eichmann werd in januari 1943 een begin gemaakt met de deportaties. Eerst werden de joden in twee getto's verzameld; afgescheiden van de stadsbevolking waarvan ze eeuwen deel hadden uitgemaakt. Vanaf maart werden de goederentreinen gevuld, die hen naar Auschwitz moesten brengen. Honderden konden over zee ontsnappen, naar het schiereiland Chalkidiki, naar Macedonië of naar Athene, op dat ogenblik nog door Italianen bezet. 45.000 joden hadden geen alternatief dan de dodelijke reis door de voor hen ongewone koude naar de gasovens van Auschwitz.

Orthodoxe kerk

Deze deportatie, een van de grootste tragedies in de Europese Holocaust, had kans van slagen in een stad waarin de joodse gemeenschap door haar grote aantal en haar sefardische cultuur en taal veel kwetsbaarder bleek dan op grond van een eeuwenoud verblijf werd gedacht. De `vergriekste' joden van Athene zijn er beter vanaf gekomen. De aartsbisschop van Thessaloniki en zijn orthodoxe kerk waren, toen het erop aankwam, meer bezorgd over de komst van Bulgaarse troepen, bondgenoten van nazi-Duitsland dan over de deportaties van de joodse medeburgers. Ook de opperrabbijn in Thessaloniki was inschikkelijker dan zijn ambtsgenoot in Athene.

Mazowers boek is niet alleen een fors uitgevallen historische reisgids van een stad, die haar verleden juist zo sterk heeft weten te verbergen. Het geeft aan Thessaloniki Salonica terug; een historisch visioen over een samenleving, een coëxistentie van diverse culturen. Plus een bijna melancholisch besef van de vernietigende kracht van de `donkere' twintigste eeuw.

Mark Mazower: Salonica, City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews 1430-1950. Harper Collins, 525 blz. €33,–. Een Nederlandse vertaling verschijnt maart 2005 bij Contact.

    • Jan Bank