De lessen van Van Traa

Dit jaar is het tien jaar geleden dat een parlementaire enquêtecommissie onder voorzitterschap van het later bij een auto-ongeluk omgekomen Tweede-Kamerlid Maarten van Traa (PvdA) een onderzoek instelde naar uit de hand gelopen opsporingsmethoden van politie en justitie. De bevindingen waren ronduit schokkend. Het doorlaten van illegale drugstransporten door de politie om informanten te laten `doorgroeien' in het criminele milieu was compleet uit de hand gelopen. De commissie sprak van een drievoudige crisis in de opsporing. Deze betrof de afwezigheid van behoorlijke regelgeving, elkaar tegenwerkende organisaties en de gezagsuitoefening door de verantwoordelijke autoriteiten.

Een voornaam resultaat van de parlementaire enquête was de Wet op de bijzondere opsporingsbevoegdheden die op 1 februari 2000 werd ingevoerd om het normatieve gat te dichten. Het gaat om methoden als stelselmatige observatie, infiltratie in verdachte groepen en het opnemen van vertrouwelijke communicatie.

De Wet BOB, zoals de roepnaam luidt, is nu geëvalueerd. De regeling is in het algemeen ,,adequaat'' gebleken, aldus de onderzoekers. Dat is heel wat, want de balans tussen een slagvaardige opsporing en de vereisten van controleerbaarheid is niet gemakkelijk te vinden. Toch blijkt er een addertje onder het gras te zitten. De mogelijkheden voor met name de externe toetsing van opsporingsmethoden worden niet ten volle benut. De Wet BOB bevat weliswaar allerlei voorschriften over het rapporteren van de gebruikte methoden, maar het dossier komt vaak zo laat bij de advocaat dat de verdediging haar ,,taak niet altijd ten volle kan waarmaken''.

Dat is een zorgwekkende bevinding, want de rechters die over de strafzaak beslissen stellen zich juist afwachtend op bij de toetsing van de gebruikte politiemethoden. Primair gaan zij af op het voorgelegde dossier en het woord van de officier van justitie, die immers de leiding over de opsporing heeft. De interne hiërarchische touwtjes zijn na `Van Traa' inderdaad flink aangetrokken. Maar het strafproces is er juist om te zorgen voor een externe toetsing. Deze taak kan de rechter niet afschuiven op het openbaar ministerie. Dóórvragen waar het dossier zwijgt, is bij uitstek de opdracht van de rechter, werd tien jaar geleden al gezegd tijdens de hoorzittingen van de commissie-Van Traa.

De rol van de onafhankelijke rechter bleef in deze enquête op staatsrechtelijke gronden wat onderbelicht. De zittende magistratuur viel echter wel degelijk een verwijt te maken, zoals de Rotterdamse hoogleraar strafrecht Mevis (achteraf) constateerde in zijn oratie. Het was de rechter die allerlei trucs van de politie accepteerde en ze als methode binnen het recht haalde. Daarmee ging hij eigenlijk op de stoel van de wetgever zitten, wat niet hoort. Inmiddels heeft de wetgever zich in de Wet BOB uitgesproken voor transparantie en toetsing. Maar het lijkt alsof de rechterlijke macht daar nog steeds niet aan wil. Het opmerkelijke gebrek aan zelfkritiek in deze kring dat vlak na de toch lang niet malse enquête werd gesignaleerd door een scribent in het Nederlands Juristenblad, was al een slecht voorteken.

Inmiddels is de wind aan het terugdraaien. De politieke gezagsdragers vragen vooral om resultaten van politie en justitie – het zogeheten scoren – en bekommeren zich weinig om de manier waarop deze worden bereikt. Dat was nu net de bron van veel narigheden die de commissie-Van Traa aan het licht bracht. Eén lid van deze commissie, André Rouvoet (ChristenUnie), is overigens blijven hameren op de lessen van de enquête. Hij is onlangs uitgeroepen tot politicus van het jaar 2004. Hopelijk helpt dat om de nog steeds geldige vraag `wie bewaakt de bewakers' op de agenda te houden.