Tsunami biedt links ultieme kansen

De solidariteit met de getroffen gebieden rond de Indische Oceaan mag geen droesem van gebroken beloften achterlaten, vindt Timothy Garton Ash.

Een tsunami van menselijke solidariteit raast de aardbol rond in reactie op de concrete tsunami die de kusten van de Indische Oceaan heeft geteisterd. Iedere dag neemt de verbijsterende schatting van het dodental nog toe – evenals die van de hulpbijdragen.

De rijke volkeren van de wereld wedijveren nu van harte in goede werken en vooral in financiële hulp. Wat zal daarvan overblijven wanneer deze tsunami van internationale solidariteit weer tot bedaren is gekomen? Een droesem van gebroken beloften, als bij zoveel vroegere toezeggingen die de krantenkoppen haalden? Overijlde, halfslachtige rampenhulp, niet gevolgd door behoorlijke projecten voor wederopbouw op de lange termijn? En een menigte weeskinderen – van wie sommigen nu al door de prostitutie schijnen te zijn ingelijfd.

Intussen vervallen de gulle Britten, Duitsers, Amerikanen en andere rijke volkeren, nog helemaal warm van morele zelfvoldaanheid, in hun oude gewoonten.

De verkiezingen in Groot-Brittannië zullen deze zomer worden beslist door de vraag welke partij het de middenklasse nóg meer naar de zin weet te maken. De regering-Bush komt met nóg meer belastingvoordeel voor de rijken. De Duitsers piekeren weer over werkloosheid, trage groei en hun krakende sociale model. Eendrachtig mijden de Europeanen en de Amerikanen, in een zeldzaam vertoon van transatlantische harmonie, verregaande kwijtschelding van schulden en openstelling van onze markten – de enige maatregelen waarmee de Sri Lanka's van deze wereld een kans hebben om zich heel geleidelijk aan hun chronische armoede te ontworstelen.

Gezien de staat van dienst van het rijke Noorden zal een scepticus deze prognose voor 2005 vol vertrouwen uitspreken. Maar laat ik ten minste één andere, meer bemoedigende mogelijkheid schetsen: wat de terroristische aanvallen van 11 september 2001 waren voor de oorlog tegen het terrorisme, zou de tsunami van 26 december 2004 kunnen worden voor de oorlog tegen het gebrek.

De Britse regering heeft al laten weten dat zij van plan is om zich tijdens haar voorzitterschap van de G8 dit jaar te concentreren op de armoede in Afrika en de opwarming van de aardbol. De Verenigde Naties, die maar al te graag de zoeklichten van de wereldopinie willen weglokken van het gênante Iraakse olie-voor-voedselschandaal, zullen zich met genoegen weer richten op de realisering van hun Millennium-Ontwikkelingsdoelen – nog altijd de beste strategische omschrijving van wat er te doen staat. En als de Verenigde Staten en de Europese Unie hun betrekkingen willen oplappen, dan is dit toch zeker iets om het over eens te worden?

Goed, erg logisch is het niet om naar aanleiding van een natuurramp wereldwijd de armoede de oorlog te verklaren, maar het is minstens zo logisch als Irak binnenvallen in antwoord op een aanval door terroristen van Al-Qaeda – en ook nog eens een veel beter idee.

Zo'n ommekeer in het officiële beleid kan beslist alleen duurzaam zijn als deze golf van menselijke solidariteit niet als een tsunami in een oogwenk voorbijgaat.

Er zijn een paar aanwijzingen dat deze golf bij het publiek in de rijke wereld misschien ook diepere bewustzijnslagen aanroert. Men heeft zijn verbazing uitgesproken over de omvang van de particuliere schenkingen die volgden op de ramp in Azië. Maar in feite werd in de welvarende westerse democratieën al eerder op behoorlijke schaal geschonken. Zo schat de internationale adviesinstantie voor hulp Charities Aid Foundation dat de Britten in doorsnee ongeveer 1 procent van hun jaarlijkse inkomsten aan liefdadige doelen besteden. Dat blijft nog ver achter bij de geschatte 1,9 procent van het jaarinkomen dat de Amerikanen individueel schenken, al is het heel wat meer dan de 0,4 procent van de Fransen.

Het is wel zo dat het merendeel van die schenkingen in eigen land blijft. Aan de cijfers van de Charities Aid Foundation kunnen we niet aflezen hoeveel van het door Britten geschonken geld in het buitenland terechtkomt, maar het is vrijwel zeker niet meer dan een vijfde – zo'n 0,2 procent van het gemiddelde inkomen. Ter vergelijking: de filosoof Peter Singer oppert, in zijn inspirerende boek One world, dat wij ernaar zouden moeten streven één procent van ons jaarinkomen te schenken aan mensen in armere landen ,,die moeite hebben om genoeg te eten te krijgen, schoon water om te drinken, beschutting tegen de elementen en een minimum aan gezondheidszorg''.

De grondslag van het feit dat men schenkingen doet, is een psychisch verschijnsel dat wel `morele globalisatie' is genoemd. De inwoners van rijke landen identificeren zich meer en meer met mensen ver weg en vinden op één of andere manier dat zij aan hen morele verplichtingen hebben. Waarschijnlijk zou de respons op de tsunami in Azië niet half zo gul zijn geweest als hij de westerlingen niet had getroffen, terwijl zij aan de stranden langs de Indische Oceaan genoten van de kerstzon. Maar het feit dat dankzij het goedkope luchtvervoer steeds meer mensen naar steeds meer plaatsen reizen, werkt op zich al die morele globalisatie in de hand. En wie niet reist, ziet al het leed toch in close-up, op de voorpagina's van de kranten en op televisie, waar je het vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, kunt volgen.

Het is beslist zo dat áls in de vroege 21ste eeuw nog een geloofwaardig, coherent, groot project voor links over is, dat alleen op mondiale schaal kan worden gedefinieerd. Een keuze voor de armen, de verdrukten en de uitgebuitenen kan thans alleen neerkomen op een aanval op de allergrootste ongelijkheid van onze tijd – die tussen het rijke Noorden (waar wij, naast allerlei andere prijzige zaken, ook waarschuwingssystemen hebben tegen dreigende aardbevingen) en het arme Zuiden. Daarom kan de vraag `Wat rest er straks?' na deze tsunami worden beschouwd als een vraag die vooral aan en over links wordt gesteld. Want wat is de oudste, stoutste droom van links? Dat is het visioen dat is verwoord door de 18de-eeuwse Schotse dichter Robert Burns, in bewoordingen die vanzelfsprekend zowel op vrouwen als op mannen van toepassing zijn:

For a' that, an' a' that,

It's coming yet, for a' that,

That man to man, the warld o'er,

Shall brothers be for a' that.

En toch, en toch,

Het komt, en toch,

Dat alle mensen in heel de wereld,

Toch broeders zullen zijn.

Timothy Garton Ash is schrijver.

    • Timothy Garton Ash