De hysterische behoefte aan goedheid

Hoe is de golf, deze tsunami van goedgeefsheid, te verklaren die nu Nederland overspoelt? Alleen uit ons biologische instinct om te helpen? Nee. We beleven wereldwijd een soort decompressie van het bedreigde levensgevoel. Dat noopt tot een tegenreactie van vreugde en levenslust. Vooral in Nederland, meent Henri Beunders.

`Dit is een record. Dit is geschiedenis!'' De journaals en Radio 555 pepten vanaf vanochtend vroeg de kijkers en luisteraars op. De stand stond al op bijna 70 miljoen euro. Verder is het vandaag één grote goednieuwsshow over de eigen gulheid, de eigen bereidheid de medemens te helpen uit de misère. Er komt vandaag geen rotnieuws door.

Natuurlijk, er is altijd een behoefte om te helpen. Dat is misschien biologisch bepaald. Want de mens mag tot het kwade geneigd zijn, hij is van nature goed. Anders zou de mensheid ook wel in het prille begin zijn uitgestorven.

Natuurlijk, de hulpbereidheid wordt bij velen soms geremd door het besef van de zinloosheid ervan. Dan wordt, psychologisch, de blik afgewend of wordt zelfs de schuld bij de slachtoffers zelf gelegd, zoals Afrika de afgelopen jaren heeft mogen ervaren: laten ze zelf ophouden met vechten, er blijft te veel aan de strijkstok hangen, enz.

De actie van vandaag is er een van de hysterische soort, waarbij hysterie in neutrale zin opgevat moet worden, die we alleen sociaal-psychologisch kunnen verklaren met de maatschappelijke context waarin deze plaatsvindt. Die context is complex en wisselt bij elke actie. Daarom heeft elke actie haar eigen kenmerken. De ene ontstaat spontaan, de ander wordt strak georganiseerd, soms met dubieuze bijbedoelingen zoals kijkcijfers. De hoofdkenmerken van de huidige context zijn: oorlog en dreiging om ons heen, en bijgevolg depressie in onszelf.

De wereld leeft al sinds `9/11' en `Irak' in oorlogstoestand, en dat is een lange tijd, voor Amerika even lang als de Tweede Wereldoorlog duurde. De moorden van 6 mei 2002 en 2 november 2004 hebben in het vroeger zo overzichtelijke en vreedzame Nederland geleid tot een soort psychische noodtoestand. Bij stress wordt het hele lichaam hard, gaan alle spieren strak staan. Daarom wordt de kern van de acties dezer dagen goed weergegeven door de stewardess die gisteravond na de 3 minuten stilte op Schiphol zei: ,,Je wordt weer even zacht van binnen. En dat voelt goed.''

Meer dan vele andere `historische' hulpacties (Eten voor India, 1966; Help Rwanda, 1995) past, bij alle verschillen, de 555-actie in het rijtje Open het Dorp (1962) en Eén voor Afrika (1984). De AVRO-inzamelingsactie voor behuizing van de invalide medemens was in 1962 voorafgegaan door een vakkundige reclamecampagne onder de slagzin `Wat doet u? U gaat ook kijken!' Bij het ongekende succes speelden meer factoren mee: de nieuwerwetse tv, de nieuwe welvaart (met zijn schuldgevoelens daarover), en Mies Bouwman zelf die 24 uur lang de onbaatzuchtigheid zelve was.

Maar eind 1962 speelde de fysieke externe dreiging wel degelijk een rol. In oktober 1962 verkeerde ook Nederland opnieuw in doodsangst tijdens de Cuba-crisis die de wereld op de rand van de nucleaire afgrond bracht. De opluchting die volgde op deze angst was enorm. En deze heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de nationale hysterie van goedgeefsheid enkele weken later. Volgens sommigen had Nederland toen een massapsychose beleefd. Cees Nooteboom schreef destijds dat de wereld ,,sinds de kruistochten niet zo overtuigend een mobilisatie van een volk voor een hoog ideaal gezien'' had.

Op 22 november 1962 meende de Volkskrant: ,,Men proefde weer even een vleugje van die wonderlijke eenheid die op bevrijdingsdag 1945 aller harten verwarmde. De actie is het antwoord van een gezonde levenskracht.'' Ook al zouden de commentatoren van heden de laatste twee woorden nu niet meer gebruiken, ze gelden vandaag ook.

Dat onze eigen behoefte de goedgeefsheid voor een belangrijk deel bepaalt, liet ook Eén voor Afrika in 1984 zien. Wat die actie ook bewees was dat een actie op allerlei manieren kan ontstaan, en dat een tsunami van tv-beelden van ellende soms niet nodig is (die was er bij Open het Dorp ook niet). In 1985 waren één BBC-documentaire en één zanger voldoende om wereldwijd een actie te ontketenen, de zangers de studio's in te jagen voor een Wereldlied. Ook hier speelden andere redenen een rol, zoals de verstreken periode sinds de vorige actie. Maar de hoofdreden moet hier eveneens gezocht worden in de internationale dreiging die van 1980 (Sovjet-inval in Afghanistan, verkiezing van president Reagan, bewapeningswedloop) tot 1985 heerste. In Nederland waren velen doodsbang voor de kruisraketten, getuige de massale vredesdemonstraties in 1981 en 1983.

Een te langdurige toestand van stress is niet vol te houden, en noopt tot het zoeken naar een middel tot `bevrijding' uit het korset van dreiging, spanning en geweld. De meeste acties zelf volgen na het begin een tamelijk bekend patroon: een bijna virale besmettelijkheid zorgt voor een humanitaire wedloop die lijkt op een positieve `Torschlusspanik' – ik moet er ook bij zijn, voordat ik als hardvochtige hufter buitengesloten word. Maar er zijn ook genoeg acties te vinden die geen nationale zaak werden (Ik ben woedend!, 1991) of zelfs mislukten (Afghanistan, 2001).

Maar waarom is Nederland altijd wereldkampioen bij dit soort acties? De tradities van charitas, missie en zending zijn hierbij belangrijk. En de koloniale traditie ook. Na de vulkaanuitbarsting van de Krakatau op Zuid-Sumatra in 1883 – de tsunami erna zorgde voor circa 40.000 doden – startte het Algemeen Handelsblad een grote inzamelingsactie.

Maar de kleinheid en kwetsbaarheid van Nederland zijn wellicht nog belangrijker. Het water en wapengeweld zijn voor ons de grootste dreigingen. Maar bij overstroming is het direct: laarzen aan en zandzakken slepen.

Tegen geweld zijn we in het geheel niet opgewassen. De opbrengst van de goedgeefsheid van vandaag is dus rechtstreeks te koppelen aan 9/11, 6 mei 2002, de Irak-oorlog en vooral de moord op Theo van Gogh. Én de dreiging van terreuraanslagen die ons sindsdien beklemt.

Wie klaagt over deze `emotionalisering' van onze samenleving, begrijpt niet in welke mate onze omgeving onze reacties bepaalt. Dat we volgende week de kilheid weer voelen en ons zelfs weer lichtelijk schamen over onze emotionele uitbarsting van vandaag, dat hoort er natuurlijk bij, maar is aan het nut en de noodzaak ervan ondergeschikt.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

    • Henri Beunders