Verwacht niet te veel van spreekrecht slachtoffer

Rechters kunnen hun eigen keuze niet uit de weg gaan, al zijn zij nog zo bewogen door het aangerichte leed, betoogt F. Kuitenbrouwer.

`Natuurlijk moeten slachtoffers een stem hebben. Maar dat kost zeeën van extra tijd en we kunnen minder zaken afdoen. Nu komen we al tijd tekort. Hoe moet het dan wel niet gaan als die slachtofferwet wordt aangenomen?'' Dit zei de president van de rechtbank Maastricht Peter Lampe in het magazine van het ministerie van Justitie van oktober 2003. Hij had het over een intitiatiefwet van het Tweede-Kamerlid Dittrich (D66). De Wet spreekrecht slachtoffers is er gekomen en is op 1 januari in werking getreden. Er wordt vandaag voor het eerst gebruik van gemaakt door de voormalige verslaggever van het NOS-Journaal, Harmen Roeland. Hij werd de afgelopen zomer achter het Centraal Station in Amsterdam aangevallen door een zwerver, nadat hij had geweigerd hem geld te geven. Roeland raakte daarbij blind aan een oog. Het is een gebeurtenis die niemand ooit hoopt mee te maken en de impact laat zich raden.

Toch is het een belangrijke vraag wat de rechtspraak aan moet met een relaas als dat van Roeland. Kenmerkend voor de strafrechtspraak is juist dat hij gaat staan tussen het slachtoffer en de dader – die tot het eindoordeel met nadruk geldt als verdachte. Hoe duidelijk de aanklacht ook is. Het ongemak van rechter Lampe sloeg op de praktische kant van het spreekrecht. In begrotingsstukken is het capaciteitsverlies als gevolg van een slachtofferverklaring van 5 tot 15 minuten ter zitting berekend op 958 zaken voor een meervoudige strafkamer (die zwaardere misdrijven behandelt) per jaar. Dat valt echter nog wel te behappen, ondanks alle nadruk in de begrotingsstukken op de ,,doorlooptijden''.

Belangrijker dan het kwantitatieve effect van de slachtofferverklaring is het kwalitatieve. Het Kamerlid Van Haersma Buma (CDA) betitelde het spreekrecht als een ,,fundamentele wijziging van het strafproces''. Hij doelde niet alleen op de werkdruk van een toch al overbelaste rechterlijke macht waarover andere Kamerleden zich vooral druk maakten. De Utrechtse hoogleraar strafrecht C. Kelk heeft opgemerkt dat de voortschrijdende aandacht voor het slachtoffer in de strafprocedure leidt tot ,,een confrontatie met fundamentele uitgangspunten en grondbeginselen van ons strafproces''.

Hij doelde daarbij op het karakter van onze strafrechtspleging als een ,,daderstrafrecht''. Dat de verdachte centraal staat is niet zo vreemd, want een strafproces gaat over het al dan niet opleggen van zo ongeveer de zwaarste inbreuk op de burgerrechten waarover de moderne overheid beschikt: vrijheidsbeneming. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging. Dat geldt voor de bewijsvoering maar ook voor de straftoemeting. In beide opzichten is het spreekrecht voor slachtoffers lastig. Wat het bewijs betreft is spreekrecht lastig, omdat een elementair beginsel van de procesvoering is dat deze berust op tegenspraak.

Door te spreken over de toedracht – waarover de rechter op de zitting nu juist nog moet oordelen – stelt een slachtoffer zich open voor kritische vragen van de verdediging. Maar ook van de rechter. In onze strafrechtspleging is de overtuiging van de rechter een belangrijk element in de bewijsvoering. Deze kan van doorslaggevend belang zijn in moeilijke zaken, waar vragen bestaan over de ware toedracht. Het probleem is dat een vurig pleidooi van het slachtoffer daarover niet noodzakelijk uitsluitsel biedt, hoe onmiskenbaar dit slachtoffer ook zit met de aangerichte schade.

Als het bewijs rond is en het slachtoffer zich beperkt tot de gevolgen van het hem aangedane leed, blijft de vraag wat de rechter daarmee moet doen in zijn veroordeling.

Hij mag niet alleen afgaan op de ernst van het gepleegde delict, maar dient ook rekening te houden met de persoon en de achtergronden van de dader. In het bijzonder geldt daarbij de wettelijke opdracht dat de op te leggen straf mede dienstbaar is aan ,,resocialisatie'', de teruggeleiding van de veroordeelde naar een aanvaardbaar bestaan. Dat is niet zozeer een tegemoetkoming aan de afgestrafte, maar vooral welbegrepen eigenbelang van de samenleving om herhaling te voorkomen.

Het is alleszins begrijpelijk dat slachtoffers daar in het concrete geval anders tegenaan kijken dan rechters. Toch kunnen de rechters hun eigen keuze niet uit de weg gaan, al zijn zij nog zo bewogen door het aangerichte leed. Een wettelijk spreekrecht wekt al gauw valse verwachtingen. Toch heeft het ook voordelen. Het kan actuele informatie opleveren. Het biedt gelegenheid binnen de altijd wat strakke juridische procesvoering het hart te luchten. Dat kan een bijdrage leveren tot het vertrouwen tussen strafrechtspleging en samenleving.

De Raad van State was bezorgd dat de Wet spreekrecht slachtoffers tot moeilijk beheersbare situaties op strafzittingen kan leiden. Men kan ook zeggen dat we daarvoor juist voor het leven benoemde, onafhankelijke rechters hebben. Al voor de nieuwe wet was het trouwens mogelijk om een slachtoffer dat de moeite nam te komen opdagen, te vragen hoe het er nu mee stond, zei de inmiddels gepensioneerde rechter R.Blekxtoon in deze krant van 13 december 2002. Hij noemde dat een kwestie van ,,beleefdheid''. Dat blijft ook onder de nieuwe wet een goed richtsnoer.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.

    • F. Kuitenbrouwer