Nederland in Irak

Zeer terecht dat wij in het rijke Westen de getroffen landen in Azië steunen en dat we in onze media lang en uitvoerig van de ramp verslag doen. Zonder deze aandacht zou er niet zo gul worden gegeven. Onvermijdelijk is het dat dan bij de hulpverlening hier en daar iets misloopt. Daarvan is onze arme minister Remkes nu een middelpuntje geworden. Terwijl collega Colin Powell voorbereidingen trof om zich persoonlijk op de hoogte te stellen, moest onze bewindsman uit zijn vakantiehuisje in een van de rampgebieden worden gejaagd. Niet goed, excellentie! Is er een grote ramp aan de gang, dan de laarzen aan en naar het getroffen gebied. Dat was bij onze watersnoodramp in 1953 al de boodschap. Nu, met de gemondialiseerde televisie, kan een bewindsmens niet meer rustig met vakantie gaan, zolang haar/zijn bewind duurt. Dat is een wet van de postmoderne politiek.

Intussen dreigt onze minister van Defensie, nog in een betrekkelijke stilte dankzij de ramp, in ernstiger moeilijkeden te komen. In maart, dat heeft hij onlangs weer bevestigd, komen onze oneveer 1300 soldaten terug uit Irak. De verkiezingen in Irak zijn dan ruimschoots voorbij, het land is op weg een fatsoenlijke democratie te worden en dus is de Nederlandse missie daar afgelopen. Zo houdt minister Kamp consequent vast aan de fabel waarvan de eerste zin met het besluit tot uitzending van dit contingent werd geschreven.

De soldaten hebben in de provincie Al Muttanah nuttig werk gedaan. Terwijl in Bagdad, Mosoel, Falluja de terreur of de opstand of beide zich duidelijker lieten gelden, aanslagen aan de orde van de dag waren, bleef het `bij ons' rustig. De Nederlanders hielpen bij het bouwen van bruggen en scholen, gaven Irakezen hun opleiding tot politieagent, en als ze op patrouille gingen, droegen ze geen zonnebril en ze hielden zich aan de verkeersregels. ,,Wij noemen dat sociale patrouille'', zei een kolonel op de televisie. De Nederlanders was een rustig gebied toegewezen. Dat het daar rustig is gebleven, zal ook aan hun optreden te danken zijn. Toch is daar in mei vorig jaar sergeant D.Steensma in een vuurgevecht gesneuveld en in augustus vorig jaar wachtmeester J.Severs. Orde en rust zijn in Irak zeer betrekkelijke begrippen geworden.

De Nederlandse troepen kwamen in Irak aan in augustus 2003, meer dan drie maanden nadat president Bush het einde van de `major operations' had afgekondigd. Aan onze aanwezigheid lag de veronderstelling ten grondslag dat de oorlog was afgelopen en dat onze soldaten zouden helpen bij het bewaren van de vrede en bij de wederopbouw, wat ze naar vermogen hebben gedaan. De overeenkomst is onberispelijk nagekomen. Dat ze met hun vergoeding van 27 dollar per dag, bij de steeds lager wordende koers van de dollar onderbetaald worden, is een andere zaak. Buitengewoon nonchalant van het kabinet dat het dit niet bijtijds heeft ontdekt; dommer dan wat minister Remkes in een Aziatisch rampgebied heeft gedaan, of niet gedaan.

Hoe dan ook, Nederland is in Irak aanwezig op basis van een vredescontract. De omstandigheden waaronder de overeenkomst werd gesloten, bestaan niet meer. Grote delen van het land, daarbij inbegrepen de hoofdstad, zijn in staat van een soort oorlog. Terroristen uit andere landen hebben er een dankbaar werkterrein gevonden. Daarnaast organiseert zich een opstand.

Falluja, een stad van plusminus 300.000 inwoners, is in november bij de herovering door de Amerikanen min of meer verwoest. Waar de vluchtelingen zijn, hoeveel het er ongeveer zijn, – 50.000? 100.000? – weet niemand, en het lijkt ook alsof het de media van het Westen niet veel kan schelen. Gisteren is de gouverneur van Bagdad vermoord. Iedere dag komen bij aanslagen wel een stuk of tien tot twintig mensen om, meest Irakezen, ook Amerikanen. Het soennitische volksdeel bereidt zich erop voor om niet naar de stembus te gaan.

Zoals het in dit type oorlogen gaat: als het verzet, van welke oorsprong dan ook, eenmaal vaste voet heeft gekregen, breidt het zich uit, het raakt beter georganiseerd, het wordt krachtiger naarmate het harder wordt bestreden. Zo hebben wij het ervaren in Indnesië tussen 1945 en 1949, zo is het de Fransen in Algerije vergaan en de Amerikanen in Vietnam. Volgens de laatste schattingen, o.a. van The Economist, moet er rekening mee worden gehouden dat de totale sterkte van het verzet in Irak, ongeacht de herkomst, ongeveer 200.000 man zal zijn. Dat is gegroeid na het einde van de 'major operations', en nu een blijvende factor.

In Washington is alle hoop nu gevestigd op 30 januari, de dag van de verkiezingen. Reken erop dat deze gebeurtenis gepaard zal gaan met een oorverdovende propaganda. Is daarna in Irak de democratie geboren? Als een derde van de kiezers uit angst of uit verzet niet naar de stembus is gegaan? Ik ben benieuwd naar de internationale discussie die dan over het antwoord op deze vraag zal losbarsten. Maar het enige antwoord dat ertoe doet, wordt in de maanden na de verkiezingen in Irak zelf gegeven. Zou daar de opstand langzaam wegebben, dan is er enige hoop. Gaat de strijd onverminderd verder, dan moet voor dit wereldprobleem een volstrekt andere oplossing worden gezocht, met medewerking van de landen in de regio en Europa.

Eind februari komt president Bush naar Brussel, ongetwijfeld ook om steun te vragen voor zijn beleid in Irak. Dit beleid heeft van het begin af tot een groeiende chaos gevoerd. Onveranderde voortzetting moet voor Nederland betekenen dat het zijn troepen in maart definitief terugtrekt. Is de Amerikaanse president bereid tot veranderingen die meer beloven, dan hangt het daarvan af of Nederland besluit tot voortzetting van zijn militaire aanwezigheid. Een deelgenootschap in een nieuw soort Vietnam in het Midden-Oosten is niet de afspraak met de Nederlandse kiezers.

    • H.J.A. Hofland