Schaatsen in beschaafde sferen

De Heerenveense ijsvereniging Thialf werd 150 jaar geleden opgericht `ter beschaving van harderijderij op de schaats', blijkt uit een expositie in het Willem van Harenmuseum.

Schaatskampioen worden in een ver buitenland, maar je prijs niet de grens over krijgen. Het overkwam Benedictus Kingma in 1885. Zijn in Oslo veroverde pronkhoorn wilde hij graag tonen aan het wachtende, enthousiaste publiek in Leeuwarden. Maar over de ossenhoorn met verguld zilverbeslag, waarmee hij moeiteloos de Deense en Duitse grens passeerde, moest hij in Nieuweschans invoerrechten betalen. ,,Zoveel geld had Kingma niet, zodat hij zonder hoorn verder reisde'', vertelt voorzitter Wiebe Wijnja van de Koninklijke IJsvereniging Thialf.

De vergulde hoorn is te zien op de jubileumtentoonstelling `Wereldwijd schaatsen. 150 jaar IJsvereniging Thialf' in het Willem van Harenmuseum in Heerenveen. Nu is Thialf (door de Friezen uitgesproken als Tsjalf) vooral bekend als kunstijsbaan. Het begon ooit met de oprichting van de ijsvereniging, volgende maand precies anderhalve eeuw geleden. Op de expositie liggen veel schaatsen uit de hele wereld, waaronder een klapschaats avant-la-lettre uit 1860 van Engelse makelij, springskate genoemd, en een Duitse schaats van Nooitgedacht, die hiermee het echte merk Nooitgedagt plagieerde.

Verder is er aandacht voor schaatsenmakers (Heerenveen telde tussen 1924 en 1955 vier schaatsfabrieken waaronder die van fietsenmaker Batavus), maar ook voor kampioenen onder wie de legendarische Noren Oscar Mathisen (vijf maal wereldkampioen tussen 1908 en 1914 en met ruim 2.000 dagen degene die het langst de ranglijst aller tijden aanvoerde) en Ivar Ballangrud (vier keer wereldkampioen tussen 1926 en 1938 en drievoudig olympisch kampioen) en de Nederlander Jaap Eden, wiens noren te zien zijn. Verder worden er foto's, affiches en authentieke bekers en medailles getoond.

De kleine zaal is geheel gewijd aan de geschiedenis van de ijsvereniging, waar ook filmfragmenten uit de rijke historie van de club bekeken kunnen worden. Die begon op 15 februari 1855, toen 65 mannen uit Heerenveen in herberg annex herensociëteit Mebius hun handtekening onder de oprichtingsakte van IJsvereniging Thialf zetten. Initiatiefnemer was de jonge jurist jonkheer mr. Frederik Hessel van Beyma thoe Kingma, tevens burgemeester van Aengwirden, die vond dat de hardrijderij op de schaats rijp was voor een ,,beschavingsoffensief in verenigingsvorm''. In de zeventiende eeuw was het hardrijden vooral een volksvermaak dat gepaard ging met het nodige alcoholgebruik. In de zeventiende eeuw werden de wedstrijden op de korte baan, over 160 meter meestal georganiseerd door kasteleins. De prijzen, vaak kostbare gouden en zilveren voorwerpen, werden na afloop uitgereikt in de herberg, waar de waard goede zaken deed.

Doel van de ijsvereniging was bevordering van alle ijsvermaak: ,,hardrijderijen op schaatsen, harddraverijen met paard en slede en alle andere bestaande of nog uit te vinden uitspanningen op het ijs.'' De leden wilden een welluidende naam en dachten aanvankelijk aan Liswille (ijspret) en Winterwille. Maar er werd een stoerdere naam gezocht en dus werd het Thialf, een vrij onbekende figuur uit de Germaanse mythologie en dienaar van Thor, de god van de vruchtbaarheid en beschermer van het huwelijk en van de doden.

Na twee ijsloze winters vond de eerste door Thialf georganiseerde hardrijderij in 1857 plaats. In de strenge winter van 1890 organiseerde Thialf de eerste internationale langebaanwedstrijd. Affiches en programmaboekjes laten zien dat er werd gestreden om het ,,meesterschap van Nederland'' voor zowel ,,beroepsrijders'' als ,,liefhebbers''. De professionals konden aanzienlijke geldprijzen winnen: de winnaar, de Amerikaan Joe Donoghue, mocht 600 gulden meenemen en is de eerste officiële wereldkampioen. Hij viel op door zijn rustige manier van rijden, met beide armen op de rug.

Ondanks dit sportieve hoogtepunt balanceerde de ijsvereniging op de rand van het faillissement. De natuurijsbaan ligt in de beginjaren in een verveend gebied, op een grote open vlakte waar het glûpende kâld kan zijn. Zo ook in de strenge winter van 1890. Wijnja: ,,Er kwamen toen weinig toeschouwers. Honderd notabelen hebben destijds elk tien gulden gedoneerd om de verliezen te dekken; Thialf was gered.''

De financiële problemen ten spijt werd er in 1894 groen licht gegeven voor de aankoop van 6,5 hectare grond voor de aanleg van een grote, multifunctionele baan. In het midden daarvan konden de in Friesland populaire kortebaanwedstrijden gehouden worden. Op de ovale 400-meter baan werden de schaatsafstanden verreden en daar omheen lag een grote baan waar het publiek zijn rondjes kon rijden. Om geld in het laatje te krijgen, verhuurde de vereniging de baan 's zomers aan derden. Er vonden circusvoorstellingen, motorraces, voetbal-, korfbal- en gymnastiekwedstrijden plaats en zelfs haver verbouwd. In 1910 vloog Clement van Maasdijk als eerste Nederlander vanaf de grasstrook van Thialf enkele minuten boven vaderlands grondgebied.

Van meet af aan timmerde het Thialf-bestuur internationaal aan de weg. Het was in 1880 aanwezig bij de oprichting van Het Nederlandschen Schaatsenrijdersbond (voorloper van de KNSB). En Thialf-voorzitter Marcus van Heloma was in 1892 betrokken bij de oprichting van de International Skating Union (ISU) in het Kurhaus in Scheveningen. Hier werd bepaald dat schaatswedstrijden voortaan over vaste afstanden verreden moeten worden: de 500, 1500, 5.000 en 10.000 meter voor mannen. Voorheen gebeurde dat nog in Engelse mijlen (1.600 meter).

Bijna zestig jaar werden er wedstrijden verreden op de grote Thialf natuurijsbaan, in 1954 voor het laatst met buitenlanders. Het was opmerkelijk genoeg een kortebaanwedstrijd tussen twee Noorse langebaanschaatsers, die op hoge noren reden en twee Friese amateur kortebaantoppers, die Friese schaatsen onder gebonden hadden. Het kwam Thialf op een uitbrander van de ISU te staan: wedstrijden tussen profs en amateurs waren verboden, evenals het schaatsen van een niet-officieel erkende afstand als de 160 meter.

In 1967 werd de nieuwe kunstijsbaan geopend (kosten 4,7 miljoen gulden), die in 1986 (kosten 30 miljoen gulden) als eerste van ons land en als tweede ter wereld werd overkapt. Twee dreigende faillissementen wist de ijsbaan te overleven. ,,Net als in 1980 zijn er altijd mensen geweest die Thialf wilden redden'', vertelt Wijnja.

Momenteel is de ijsvereniging, die in 1930 het predikaat koninklijk kreeg, nog steeds organisator van grote, internationale toernooien, maar ook van selectie- en baanwedstrijden. Tijdens grote toernooien zijn ongeveer honderd vrijwilligers van de vereniging , die 250 leden telt, in touw als onder andere wisselwachter, jurylid of starter. ,,Op Thialf'', weet Wijnja, ,,stijgen veel schaatsers, boven zichzelf uit.''

Wereldwijd schaatsen. 150 jaar Koninklijke IJsvereniging Thialf (1855-2005) Museum Willem van Haren, Minckelerstraat 11, Heerenveen. Openingstijden: ma t/m vrij 11.00-17.00 uur. Za en zo: 13.00-17.00 uur. www.willemvanharen.nl