Onderhoud van het spoor

Hoge verliescijfers voor de exploitatie van regionale spoorlijnen komen NS goed uit, want ze leiden tot hogere subsidies. Volgens aan de Volkskrant gelekte informatie, die door het ministerie van Verkeer en Waterstaat werd bevestigd, leveren die lijnen NS een exploitatieverlies op van 40 miljoen euro per jaar. Deze cijfers zouden niet geheim mogen zijn. Ze kunnen niet door onafhankelijke instanties worden nagerekend en dat is hard nodig. Zo is het weinig overtuigend dat NS in de gelekte voorbeelden bij de verliescijfers een rendementseis van 10 procent optelt. Hoe hoger de post gederfde winst, des te meer subsidie NS kan eisen. Ook de overhead kan anders worden berekend dan NS doet.

Dat doet er niet aan af dat de overheid en misschien NS op veel regionale lijnen geld toeleggen. Mensen zijn massaal op de auto overgestapt, zeker in dunbevolkte gebieden waar het openbaar vervoer weinig frequent is en waar in stads- en dorpscentra nog goedkoop kan worden geparkeerd. Regionale Randstadlijnen, zoals de Hofpleinlijn, zijn door verloedering van de stations desolaat geworden. Toch beschikken veel jongeren en bejaarden niet over een auto. Zij zijn van het openbaar vervoer afhankelijk.

Bovendien vormen regionale lijnen een belangrijk bestanddeel van het nationale treinnet, dat niet alleen dient om grote stadscentra met elkaar te verbinden maar ook verder in het achterland moet reiken. De bus is vaak een slecht alternatief voor de trein. De bus heeft alle nadelen van de auto, files, stoplichten, onregelmatige snelheden op een bochtig traject, maar mist de voordelen.

Bedrijven als NS-dochter Syntus en Arriva hebben bewezen dat regionale lijnen goedkoper kunnen worden geëxploiteerd dan nu gebeurt door NS. Zij mogen hun personeel efficiënter inzetten dan de NS is toegestaan door de spoorvakbonden. Bij Syntus en Arriva is het door de vakbonden zo gehate `rondje om de kerk' allang praktijk en met succes. Hoewel NS meer verplichtingen heeft dan deze twee ondernemingen, moet de overheid in de toekenning van subsidie rekening houden met deze alternatieven.

Nu de files maandelijks aangroeien, blijft het spoor een belangrijk vervoersalternatief. Het instandhouden van een nationaal spoornet is van groter belang dan het aangaan van financiële verplichtingen voor riskante projecten zoals een geheel nieuwe zweeflijn van Amsterdam naar de noordelijke provincies. De provincies willen meebetalen en de rijksoverheid heeft nu al bijna drie miljard euro toegezegd voor zo'n Zuiderzeelijn terwijl de regionale lijnen op het spel staan en in het hele land vaak treinen stilvallen wegens gebrekkig onderhoud aan rails en bovenleiding. Onderhoud gaat voor nieuwe investeringen. Ook de noordelijke provincies kunnen beter meebetalen aan lokale verbindingen voor iedereen dan aan een onzeker zweefproject voor enkelen.