Atjeh: modder, puin en lijkzakken

Vorige week werd in Atjeh gevochten om hulpgoederen. Langzaam herstelt zich het leven in de zwaargetroffen provincie. De hulpverlening komt op gang. De doden krijgen een massabegrafenis waarvan iedereen gruwt.

,,Rata (helemaal plat)'', zegt Hakim Amir met ongeloof in zijn stem. Hij tuurt door het raampje en wijst. We vliegen over Ulee Lheue, de ooit dichtbevolkte zeezijde van Banda Atjeh, de hoofdstad van Atjeh. Een kilometers brede strook is volkomen kaalgeslagen door de vloedgolf van tweede kerstdag. Er staat geen steen meer op de andere. Een paar honderd meter landinwaarts zien we de contouren van een enorme platte boot. ,,Dat is het generatorschip van het energiebedrijf!'', zegt Hakim ademloos, ,,Zomaar aan land gesmeten!''

Het is donderdag, de vierde dag na de zondvloed. Garuda Indonesia heeft extra vluchten ingezet tussen Medan, Noord-Sumatra, en Banda Atjeh. Aan boord zijn hulpverleners – onder wie de eerste buitenlanders, een groep Fransen van Artsen zonder Grenzen – en Atjehers uit de diaspora. Zij komen zoeken naar familieleden van wie ze sinds de ramp niets meer hebben vernomen. Hakim woont op Java en wil weten wat er met zijn schoonfamilie is gebeurd. Rusli, een Atjeher die woont en werkt in Bandung, komt zoeken naar zijn broer, docent aan de Syah Kuala Universiteit van Banda Atjeh, en diens vrouw. Zij woonden dichtbij zee en Rusli vreest het ergste.

De klamme tropenlucht van het vliegveld Sultan Iskandar Muda is zwaar van lijkengeur. Het grondpersoneel draagt maskertjes voor neus en mond. De arriverende hulpverleners zoeken tussen de stapels dozen naar hun spullen, maar kunnen niet alles vinden. Banda Atjeh heeft honger en dorst en menigeen vergrijpt zich aan de ingevlogen goederen. Dinsdag braken op de luchthaven gevechten uit bij het uitladen van de eerste hulpzendingen mie.

Voor de check-in-balie van Garuda verdringen zich honderden mensen. Overlevenden die het zich kunnen veroorloven, willen weg van deze onheilsplek. Als de stroom voor de zoveelste keer uitvalt en de baliecomputers down gaan, worden de wachtenden woedend. Een soldaat kalmeert hen.

Het handjevol gewapende militairen op de luchthaven maakt eerder een apathische dan een waakzame indruk. Zij hebben kameraden en gezinsleden verloren in de vloed en het kan hun niet meer schelen wie Atjeh binnenkomt. Op een veld voor het luchthavengebouw kamperen dakloze politiemannen in tenten.

Er wordt vervoer aangeboden tegen astronomische bedragen. David, een Atjehse student, gedraagt zich. Hij heeft een auto gehuurd en doet er maar een beetje bovenop. We rijden noordwaarts, in de richting van de stad. Na twee kilometer wordt duidelijk waarom de lijkenlucht zo diep landinwaarts is gedrongen. De linker weghelft is afgezet door militairen. In een uitgestrekte klappertuin is een grote kuil gemaakt. Woensdag is begonnen met het massaal begraven van de duizenden doden. De in plastic zakken gestopte lijken worden er met caterpillars ingeschept. Een enkele hand of voet die uit het plastic steekt, bebloed, gezwollen, vertelt dat het hier om mensen gaat. Deze onceremoniële, massale begrafenis is de Atjehers een gruwel, maar religieuze geboden moeten wijken voor preventie van een tweede ramp: epidemieën.

Het huis van mijn vriend staat er nog. De vloedgolf kwam die zondag 400 meter van zijn voordeur tot stilstand. Hij komt me tegemoet, moe en bezweet, en we omhelzen elkaar. De elektriciteit is uitgevallen, de telefoon werkt niet en hij is juist doende om met goedvinden van de buurman wat stroom af te tappen van diens generator om te voorkomen dat de vrieskist ontdooit en voor weken mondvoorraad verloren gaat.

[vervolg ATJEH: pagina 5]

ATJEH

'Dit is er over: helemaal niets'

[vervolg van pagina 1]

De buurman heeft maar een paar liter dieselolie en al spoedig komt uit de vrieskist dezelfde geur die buiten hangt.

Ik ga de stad in. Het straatbeeld aan de zuidzijde: modder, puin, vergrendelde winkeldeuren en links en rechts rijen lijkenzakken. De winkeliers die niet zijn verdronken, zijn gevlucht. Dinsdag braken Atjehers een winkelmagazijn open, op zoek naar voedsel. Tussen de handelswaar lag het rottende lichaam van de eigenaar.

Aan de vloedgrens staat Kesdam, een militair hospitaal. Het openbare streekziekenhuis, dichter bij zee, heeft onder drie meter water gestaan en is onbruikbaar. In Kesdam liggen de gewonden op de gangen. De kwetsuren zijn gruwelijk – de vloedgolf smeet mensen tegen muren, balken en bomen – en zijn vaak gebrekkig behandeld. Van de zes Kesdam-artsen, allen Atjehers, is de helft omgekomen. De andere helft vervult elders zijn plicht jegens dode familieleden. De zorg is overgenomen door een artsenteam uit Palembang, Zuid-Sumatra, en zij verrichten aan de lopende band operaties. ,,Te veel, veel te veel patiënten'', verzucht dr. Endang, ,,en er is nog steeds tekort aan alles.''

De gouverneurswoning, een gebouw uit de Nederlandse tijd, ligt binnen de vloedgrens, maar op een verhoging, zodat het zeewater er niet binnendrong. Gouverneur Abdullah Puteh zit wegens malversaties vast in Jakarta en de vice-gouverneur heeft het pand ingericht als coördinatie- en informatiepost. Er worden driemaal daags maaltijden verstrekt aan bezoekers.

Aan een tafeltje met het bordje `evacuaties/vermisten' houden twee vrijwilligers lijsten bij. Ik schuif aan en informeer naar het aantal doden dat is begraven. ,,7.451'', zeggen ze in koor. Dat klinkt exact. Als ik vraag naar de jongste schatting van het aantal slachtoffers in Banda Atjeh, krijg ik hetzelfde antwoord: 7.451. De informatiepost in hartje rampgebied telt alleen de begraven doden. Banda Atjeh en het aangrenzende universiteitsdorp Darussalam telden vóór de ramp 200.000 inwoners en gezien de verwoesting zijn hier zeker tienmaal meer doden gevallen dan er op donderdag waren begraven.

Wie een beeld wil krijgen van de omvang van de ramp moet zelf op onderzoek uit.

Aan een andere tafel, met het bordje `verbindingen', werkt een man een wegenkaart van Atjeh bij. Onbegaanbare stukken zijn bruin gearceerd. De kustweg langs de Straat van Malakka, de levenslijn van Atjeh die naar Medan in Noord-Sumatra loopt, is blauw. ,,Die is open'', zegt de man, die Zulfikar heet, ,,hoewel de vloed er hier en daar overheen ging, zijn de bruggen en het wegdek intact.''

Een derde van Atjehs westkust is op de kaart onheilspellend bruin. ,,Onbegaanbaar'', zegt Zulfikar, ,,een groot deel van de kustweg is verdwenen en alle bruggen zijn weggeslagen.'' In de afwisselend smalle en brede kustvlakte tussen Banda Atjeh en Meulaboh, de hoofdstad van het regentschap West-Atjeh, leefden vóór de zeebeving en de daaropvolgende vloedgolf 300.000 mensen. Van het hele rampgebied aan de Indische Oceaan heeft deze kust, enkele honderden kilometers van het epicentrum, de grootste klap gehad.

Daud heeft 10 liter benzine bemachtigd bij de dagelijkse brandstofdistributie en dat beperkt de actieradius. We besluiten de stad uit te rijden langs de Jalan Teuku Umar, de westelijke uitvalsweg. Die vormt de grens tussen zware waterschade – aan de zuidzijde - en totale verwoesting – aan de zeezijde. De middenberm bestaat uit met bulldozers opgeworpen boomstammen, takken en resten van houten huizen. Buiten de stad liggen allengs meer ongeborgen lichamen, zwart en onherkenbaar opgezwollen. Een enkele dode hangt in groteske houding tussen het opgestuwde wrakhout.

We buigen af naar het zuiden, richting Lhok Nga. In dit noordelijkste stadje van Atjehs westkust stonden complexen van leger en politie. De naburige bergen zijn vanouds een guerrillabasis van de separatistische Beweging Vrij Atjeh (GAM). In Lhok Nga stonden ook een school met internaat en een personeelscompound van de cementfabriek PT SAI.

De zee komt in zicht, achter een wijde, stoppelige vlakte. Links van de weg kijken we over eenzelfde stoppelveld naar de bergen. ,,Dit gebied was dichtbevolkt'', zegt Daud, ,,links en rechts stonden huizen en hoge gebouwen. Dit is ervan over: niks, helemaal niks''. We zien ook geen dode lichamen, want er is niets dat hen kon vasthouden. De vloedgolf is over Lhok Nga geraasd en trok zich vervolgens terug, slachtoffers meezuigend naar de oceaan.

Wat verderop stroomt een riviertje uit in zee. De stalen brug is van zijn betonnen pijlers getild en steekt vijftig meter stroomopwaarts nog net boven het water uit. Voorbij dit punt is geen verkeer meer mogelijk; hier begint Zulfikars bruine zone.

Aan de oever ligt een houten prauw met buitenboordmotor. Bij gebrek aan brandstof moeten we het bootje met de hand voorttrekken langs een kabel. Aan de andere oever stonden het wooncomplex van de genietroepen (Zipur) en de compound van PT SAI. Een jongeman in zwart T-shirt dwaalt eenzaam over de stenen vlakte. Sergeant eerste klas Ibnu Abbas is één van de veertien overlevenden van de 92 militairen en hun gezinnen die hier woonden.

Op het moment van de ramp was hij in de heuvels en hij was van bovenaf getuige. ,,De muur van water'', vertelt hij, ,,kwam tot halverwege de pinus-bomen''. Een pinus is ongeveer twintig meter hoog. Ibnu zoekt zijn vrouw en twee kinderen, maar kan hen niet vinden.

Het asfalt van de kustweg is tot de middenstreep verdwenen, maar is te voet begaanbaar. Na een kwartier stuiten we op twee stalen kolossen die tegen de voet van de heuvel liggen: een cementbak van 25 bij 10 meter, die het product van PT SAI afvoerde, en een forse zeesleper. Ze zijn allebei over een afstand van honderden meters op het land gekwakt. Het zijn stille getuigen van de titaankracht waarmee de tsunami Atjehs westkust raakte.

De cementfabriek, aan de voet van de heuvels, is zichtbaar gebeukt door het water, maar staat nog overeind; de grote laad- en lospier is verdwenen. Van de 600 werknemers zijn er 400 omgekomen. Een peloton soldaten patrouilleert met geschouderd geweer tussen de resten van een van Atjehs sleutelindustrieën. Zij zoeken naar wapens uit in de buurt verwoeste arsenalen, om te voorkomen dat die in handen vallen van de GAM.

Een groepje mannen loopt in de richting van Banda Atjeh. Ze komen uit Lhoong, een kustdistrict van vissers en tuinbouwers, 60 kilometer naar het zuiden. Lhoong ligt in een kleine baai, tussen twee vooruitstekende kapen. Marwan, een journalist uit Lhoong, vertelt. ,,We waren net vertrokken richting Banda Atjeh. Het busje klom omhoog om de noordelijkste kaap te nemen, toen het wegdek scheurde door de beving. Het was kwart over acht in de ochtend. We stapten uit en zagen hoe de zee zich honderden meters terugtrok. Dit was nog nooit vertoond. Vrouwen en kinderen renden het strand op om vis te zoeken en toen verhief de zee zich. Alleen degenen die op dat moment dichtbij de heuvels waren en omhoog klommen, hebben het overleefd. In het district Lhoong woonden dertienhonderd mensen. Ik schat dat maar eentiende de ramp heeft overleefd.''

De zon zakt langzaam in zee als we terugrijden naar Banda Atjeh. De branding klotst vriendelijk tegen het rossig verlichte zand. Alsof er niets gebeurd is.