Zachte en harde krachten

2004 was het jaar van de terreuraanslagen en de reacties daarop. Natuurlijk waren er andere ingrijpende gebeurtenissen, zoals de vloedgolf in Zuid-Azië en de uitbreiding van de Europese Unie, maar het terrorisme bepaalde de agenda. Een relatief kleine groep boosdoeners die de koran misbruikt om de westerse levensstijl met geweld te bestrijden, hield de wereld gevangen in een greep van vrees en onzekerheid. Treinbommen in Madrid, een gijzeling van een school in de Kaukasus, ontvoeringen en onthoofdingen in Irak en de moord op een opiniemaker in Nederland ontregelden het leven. Terreur in combinatie met massamedia is een machtig wapen. Aanslagen kunnen overal voorkomen. En als ze worden gepleegd, krijgen ze de aandacht die terroristen wensen. Waarmee het hoofddoel wordt gediend: angst zaaien. Angst om te zeggen wat men wil, om te gaan stemmen in Irak of troepen in dat land te handhaven. Democratie, zo wordt wel beweerd, is niet voor bange mensen. Maar voor iemand die wordt bedreigd, is dat niet meer dan een loze kreet. Die moet voor zijn veiligheid een beroep op de staat kunnen doen.

De staat heeft het druk gekregen. Regeren en besturen met de dreiging van terrorisme is toch iets anders dan met de mogelijkheid van een oplopend begrotingstekort. Dit zijn geen tijden voor politici en bestuurders met slappe knieën. De staat moet duidelijk maken wat wel en niet kan. Bovenal zal hij voortvarend en met precisie aan opsporing en vervolging van terreurplegers moeten werken. Tegelijk dient de rechtsstaat te worden bewaakt. Het is verleidelijk om met pleidooien voor een radicale aanpak de (Grond)wet terzijde te schuiven en de daarmee verbonden waarden en verworvenheden. Dat is gezien de omstandigheden wel het laatste wat moet gebeuren.

In het afgelopen jaar is op een aantal plaatsen toch de gevreesde tweedeling ontstaan. Het is niet het einde der tijden en er hoeft niet overdreven over te worden gesomberd. Maar feit is wel dat er een `botsing van beschavingen', een nieuwe geloofsstrijd, smeult die ieder moment kan oplaaien. De `allochtonen' tegen de `autochtonen', waarbij wel eens wordt vergeten dat moslims zelf ook slachtoffer zijn. Dit alles kan op rekening van het terrorisme worden geschreven, dat ondanks de tegenmaatregelen (en de retoriek daarover) sinds `9/11' niet is verdwenen. Integendeel, de terreur wist zich voor langere tijd in de samenleving te nestelen en heeft door de gebeurtenissen in Irak een stimulans gekregen. Daar ligt de uitdaging voor 2005. Orde en veiligheid in Irak zijn van wereldomspannend belang. Hetzelfde geldt voor dat andere conflict: tussen Israël en de Palestijnen. De dubbele moraal en de negatieve uitstraling hiervan hebben effecten die de regio eveneens verre overstijgen.

In deze twee brandhaarden spelen de Verenigde Staten een hoofdrol. Zonder hun bemoeienis zijn oplossingen uitgesloten, wat niet betekent dat mét hun bemoeienis de zaken soepel verlopen. In Irak is het op te veel plekken een chaos, nota bene met de verkiezingen nabij. Washington zit verlegen om internationale steun, maar zal die pas krijgen als het een handreiking aan Europese landen als Frankrijk en Duitsland doet. Dat zal niet gebeuren, en dus blijft het behelpen. Overigens doen de EU-lidstaten er goed aan in het komende jaar een gezamenlijk standpunt over Irak in te nemen. Alleen dan zal de Unie een serieuze gesprekspartner voor de VS zijn. De nestor van de Nederlandse diplomatie, Peter van Walsum, wees daar in breder verband op in de Cleveringa-lezing die hij onlangs voor de Leidse universiteit hield. Hij zei dat de EU met haar economische gewicht ook zonder militaire macht een politieke rol kan spelen, mits de Unie in buitenlandspolitieke dossiers één standpunt inneemt. ,,Het streven naar die eenstemmigheid zou de eerste prioriteit moeten worden van ons buitenlands beleid.'' Het zijn ware woorden.

Als de EU ambities heeft die verder reiken dan uitbreiding, dient 2005 voor de Unie het jaar te worden van effectieve bemoeienis met de grote thema's van deze tijd. De soft power van Europa bleek goed te werken in het schandaal met de Oekraïense stembusfraude. In de zaak-Irak en het Israëlisch-Palestijnse conflict zal de Unie naast eenstemmigheid en economische druk ook de hard power van een zich ontwikkelend eigen veiligheidsbeleid moeten inbrengen. Bij de terrorismebestrijding is operationele samenwerking tussen de inlichtingendiensten van de afzonderlijke EU-landen een topprioriteit. Het delen van informatie – tegennatuurlijk voor een geheime dienst – is van doorslaggevend belang om successen te boeken. Hoe onzichtbaar en onvoorspelbaar terroristen ook zijn, ze zijn niet onbestrijdbaar. Tot nu toe konden ze met hun naargeestige roem pronken mede dankzij blunderende of elkaar tegenwerkende veiligheidsketens. Het besef is groot dat dit anders moet en kan. Voor de diensten werkzaam in deze schemerzone is 2005 een sleuteljaar.