`Voor De Appel was dit jaar beslissend'

Toneelgroep De Appel was in 2004 veelvuldig in het nieuws. Na het oplossen van de subsidieperikelen overtrof het gezelschap alle verwachtingen met de elf uur durende voorstelling `Tantalus'.

`Als gezelschap heb je de aandacht van de pers zeer zeker nodig, maar voordat een krant aandacht aan je schenkt is je werk al bijna klaar. We kwamen in februari dit jaar in het nieuws omdat de marathonvoorstelling Tantalaus, geschreven voor de Britse schrijver John Barton, wegens overweldigend succes geprolongeerd moest worden. Opnieuw kwam ons gezelschap in de aandacht omdat we de NRC Publieksprijs hadden gewonnen en de voorstelling uiteindelijk meer dan dertigduizend bezoekers heeft getrokken. Tot slot kwam het bericht dat we werden uitgenodigd om op theaterfestivals in Zuid-Afrika en Albanië te spelen. De persbijeenkomst in Albanië werd drukker bezocht dan de voorstelling, want ze hadden ons geprogammeerd op dezelfde avond als de Europacup-wedstrijd, waarin Albanië moest spelen. We begonnen anderhalf uur later, en dat werd als heel gewoon beschouwd. Ook de bussen reden niet.

Aanvankelijk kreeg mijn gezelschap De Appel vooral negatieve pers. In het vakblad De Theatermaker stond een neerbuigend stuk waarom De Appel `in godsnaam' zo'n marathonvoorstelling van elf uur moest spelen. Op voorhand was Tantalus al `het trieste hoogtepunt van het seizoen 2003-2004'. Die negatieve aandacht heeft ook veel slechts veroorzaakt. Als reactie daarop willen spelers juist in de luwte gaan werken, ver weg van alle aandacht. Het is natuurlijk van levensbelang dat kranten en andere media aandacht aan zo'n grootse onderneming als Tantalus besteden, maar uiteindelijk komt tachtig procent van de bezoekers kijken dankzij mondelinge reclame. Een volle zaal genereert anderhalve volle zaal, want elk echtpaar dat de voorstelling bezoekt, vertelt dat op zijn minst aan twee echtparen door. En veel daarvan gaan ook weer kijken, en vertellen het door. Enzovoort. Bovendien geldt de zogenoemde `Carré-wet': als je maar een week in Carré staat, ben je de klos. Pas als je ergens wekenlang bent, gaat het zich rondspreken. Eerst komen de mensen uit Den Haag kijken, vervolgens uit de regio, dan uit het land en uiteindelijk komen er bussen uit België. De pers geeft ons dan geen aandacht meer, want het nieuws is eraf. Je valt dan in een stilte, die voor de acteurs heilzaam kan werken.

Een ander aspect van zo'n onderneming is dat je zeven maanden dicht gaat. Iedereen zei tegen me dat dit de doodsteek van De Appel zou zijn. Niemand weet meer dat je bestaat, je naam klinkt niet, de kranten richten hun aandacht op andere zaken en wij repeteren en spelen in de stilte van ons eigen theater. Dan is het ook goed dat de publiciteit uitblijft, want juist in die maanden van isolement ben je als gezelschap heel kwetsbaar. De spelers hadden toen sowieso een houding van: `We spelen de eerste twee van de twaalf stukken, daarna is toch iedereen weggelopen'. Dat is uiteindelijk niet zo gebleken. Zo'n wonderlijk negatief zelfbeeld doet zich juist voor als de aandacht weer op een productie gericht wordt. Alsof dan de boze buitenwereld zich aandient. In al die lange maanden daarvoor hebben we met het verlangen geleefd iets ongekends moois te maken.

De landelijke pers is pas geïnteresseerd wanneer wij het hele traject al hebben afgelegd. Je komt in het nieuws als er iets bijzonders gebeurt, bijvoorbeeld toen we het bericht uit lieten gaan dat Tantalus tot en met mei hernomen zou worden. En in mei besloten we tot en met oktober te spelen. De nachtmerrie die we dit hele jaar door gehad hebben, had aldoor te maken met de angst voor een halflege zaal. Twee uur spelen voor veertig mensen is al eng, maar elf uur spelen is een nachtmerrie in het kwadraat. Zulke zaken komen nooit naar buiten, die halen de krant niet. Gelukkig was Tantalus aldoor uitverkocht. Het ontwikkelde zich dit jaar tot een fenomeen.

Ikzelf als regisseur heb de gevolgen van deze voorstelling zwaar onderschat. Op de maandag nadat de spelers twee maal elf uur Tantalus brachten, zijn we doodop. Dan moet je hen vrij geven. De vrijdag ervoor moet je ook vrijgeven, want dan moeten ze zich voorbereiden.

Voor ons was dit jaar beslissend. Als de marathon zou mislukken, waren we ten dode opgeschreven met een schuld van ruim een miljoen euro. Voor ons gezelschap is de essentie dat we beschikken over een eigen theater, waar wij kunnen maken wat niemand kan maken.

In het nieuws zijn is belangrijk voor het ensemble, maar alleen in de stilte van je eigen zaal maak je iets dat nooit eerder is gedaan.'