Vergeet niet na te denken

Stevent het tolerantste land ter wereld af op een Guantánamo op Pampus? Veel politici en burgers zijn het spoor bijster, meent H.J.A. Hofland. Na de begrafenis van Bernhard zijn de gemoederen wat bedaard, maar het gevaar van (steun voor) staatswillekeur blijft op de loer liggen.

Een doolhof na een aardbeving, bij nacht. Dat was mijn vaderland. Veertien dagen nadat de machtigste man ter wereld was herkozen keerde ik terug uit Manhattan, waar 87 procent tegen George W.Bush had gestemd. In alle boroughs samen was het gemiddelde hoger dan 80, tegen Bush. De grootste gratis krant, The Village Voice, had de leider op zijn omslag afgebeeld als een Dracula die Miss Liberty, het Vrijheidsbeeld, in de nek bijt. Ik vond het wel kras, maar niemand had van demonisering gesproken, er waren geen kogelbrieven verstuurd. Voorzover ik wist, was niemand op een dodenlijst gezet. Op de ochtend van 3 november had ik Amerikanen huilend op straat zien lopen; Newyorkers die beter dan hun president weten wat terrorisme kan betekenen. De stad verkeerde in ongeloof en verwarring. Een dag later was het voorbij. De verliezers vroegen zich af wat ze verkeerd hadden gedaan; de overwinnaars konden twee jaar ongestoord aan het werk blijven. In Irak begon de grote aanval op Falluja.

Aan je vaderland kun je niet ontsnappen. Al een paar uur nadat Theo van Gogh was vermoord, werd ik gebeld, had ik

e-mail gekregen. Dagelijks bracht de New York Times uitvoerig het nieuws over Nederland, geschreven door Craig S.Smith. Hij had de deskundigen geraadpleegd, mensen op straat gesproken, hij kende de cijfers van de statistiek. Daar was hij, in het tolerantste land ter wereld. Hasj en hoeren. Hells Angels vreedzaam naast Harekrishna's. Sociale voorzieningen van een zo grote generositeit dat je niet hoefde te werken als je er geen zin in had. De bekende toestanden waarmee we ook het bevriende buitenland al tientallen jaren verbazen. Als vreemdeling en journalist moet je er melding van maken. Een ontdekkingsreiziger is niet in het oerwoud geweest, als hij niet over de apen kan vertellen.

Craig verbaasde zich over nog iets anders. Door de elfde september en daarna vooral de opkomst van Fortuyn had Nederland het probleem van de moslims ontdekt. Jaren was het onderwerp in het publieke debat taboe geweest, nu liep het plotseling ongekend hoog op. Na de moord op 6 mei 2002 waren er geen grenzen meer. ,,Er is een klimaat ontstaan waarin beledigen de norm is. De discussie, zelfs in regeringskringen, heeft een heftigheid bereikt, met een taalgebruik dat ver buiten de grenzen valt van wat in Amerika aanvaardbaar wordt gevonden.'' Van Gogh, een van de meest uitgesproken critici van het moslimfundamentalisme, door de ene partij beschouwd als een soort `cult clown' en door de andere als een `scheldende haatzaaier', had voor conservatieve moslims een woord that referred to bestiality with a goat. Aldus de verslaggever van de krant die als devies voert: All the news that's fit to print.

James C.Kennedy is Amerikaan, kenner van ons land. In 1995 is van hem verschenen Nieuw Babylon in aanbouw, Nederland in de jaren zestig, een van de beste boeken over die periode. In deze krant van 3 december heeft hij een boek besproken van Remco van Diepen, Hollanditis, Nederland en het kernwapendebat 1977-1987. Ook een veelbewogen periode waaraan we het hek om het Amerikaanse consulaat aan het Museumplein te danken hebben. (De gedenksteen, herinnering aan de grote demonstratie in 1981, is weggehaald). Ook toen liep het debat hoog op. Kennedy maakt een vergelijking met nu. Hij schrijft: ,,Waar de samenleving op het ogenblik weinig raad mee weet, is het vaststellen van de regels voor het voeren van een fatsoenlijk debat. `Debat' is in. [...] Door het wegvallen van de ideologische instituties en kaders voelen de Nederlanders zich kennelijk genoodzaakt, in deze tijd van crisis nieuwe wegen in te slaan.'' Hij constateert de opkomst van ,,oneigenlijke elementen'', zoals bedreigingen, scheldpartijen en moord. ,,De prangende vraag, hoe in deze maatschappij een discussie gevoerd kan worden en wie daaraan mogen deelnemen, is nog niet beantwoord.''

In Nederland wonen bijna een miljoen moslims, van wie 20 procent actief belijdend is en 5 procent conservatief. Iedere groep wordt beoordeeld op het gedrag van zijn extremen. Dat zijn dan meestal degenen die zich onderscheiden door negatief gedrag. Niet de bakker, sigarenwinkelier, taxichauffeur, wethouder, kunstenaar, maar de man die zijn vrouw onderdrukt, een groep jongens die een familie uit de buurt wegpest, een imam die de hand van de minister weigert, en de volgende moordenaar.

Er is de afgelopen jaren veel verwaarloosd en dus misgelopen met de immigratie en integratie. Daartegen is duidelijk, in volle openbaarheid gewaarschuwd zonder dat het effect had, zonder dat het `de politiek' bereikte. Pas met de opkomst van Fortuyn begon het te bewegen. Hij noemde de islam een ,,achterlijke godsdienst''. Het hele bestel van politiek en bureaucratie bestond uit puinhopen. Met Fortuyn is de vereenvoudiging van het openbaar debat begonnen. Zijn moordenaar heeft dat proces verder verscherpt en versneld. Na de verkiezingen van 2002 kwam de zomer van de kogelbrieven, gevolgd door de openbare afbraak van de LPF. Het laatste politieke wapenfeit uit deze kring komt op naam van een partijfunctionaris die zichzelf een dreigbrief had geschreven.

Over Fortuyn is langzamerhand een bibliotheekje geschreven. Maar nog niet over het mysterie van zijn volgelingen: hoe het komt dat binnen de leiding en het kader van de partij zo veel mensen uit de sector van het onroerend goed waren, en een zo groot aantal vakbekwame mannen die voortdurend in het openbaar ruzie maakten. Dat zich telkens weer kongsies en tegenkongsies hebben gevormd, die als politieke Tokkies tekeergingen, tot de zelfvernietiging erop volgde. In iedere politieke partij zien we van tijd tot tijd een strijd om de macht, en soms een schandaal. Dat wordt uitgevochten, weggewerkt zonder dat de organisatie eraan ten onder gaat. Door zijn personeelskeuze, het gedrag van zijn leiders heeft de LPF zich met verbazingwekkende volharding binnen anderhalf jaar in het publiek gesloopt.

Dat kan niet toevallig zijn. Wat zou er gebeurd zijn als Fortuyn geen moordenaar op zijn weg had gevonden? Zou hij er dan ,,uitgestapt zijn'', zoals hij kort voor zijn dood tegen een paar vrienden heeft gezegd? Dat zullen we nooit weten. Maar wel dat zijn erfenis onder meer bestaat uit een unieke politieke chaos. De groei en ondergang van de LPF zijn even interessant als de persoon van zijn oprichter. We zijn nog niet uitgestudeerd.

Met de kabinetten-Balkenende leek het intussen alsof langzamerhand de politieke cultuur van de consensus in een wat conservatiever vorm terugkeerde. Maar de minister-president (die ik als een moedig man beschouw) heeft twee nadelen. Hij drukt zich uit in het Haags jargon, dat bij hem bovendien vaak niet goed te verstaan is. En ten tweede moet hij zijn beleid voeren met steun van een onbetrouwbare meerderheid. De liberalen willen onweerstaanbaar verder naar rechts, waar ze hun volgende winst zien, maar daarvoor hebben ze meer tijd nodig. En dus zijn ze bang om nu een breuk te forceren. En het CDA verkeert in gewetensnood, wat de beste reden is om de zaken zo goed en zo lang mogelijk op hun beloop te laten.

De opstand der burgers smeulde verder. Na de tweede moord is de publieke opinie in de hoogste staat van verontwaardiging geraakt. Allicht. Intussen heeft zich een nieuwe leider aangediend: Geert Wilders. Als er nu verkiezingen werden gehouden, zou hij 28 zetels krijgen. Ook hij profileert zich tegen `de' moslims. Ook hij belooft een radicale oplossing. En ook bij hem is het nog niet duidelijk waar hij zijn kader vandaan moet halen. In deze opzichten vertoont hij een vage, voorlopige gelijkenis met Fortuyn. De grote overeenkomst ligt in de omstandigheden. Onder de oppervlakte van tweeëneenhalf jaar Balkenende is het verlangen naar het genezend radicalisme heftiger geworden en het heeft zich uitgebreid. De vraag is opnieuw: zal het helpen? Krijgen we de terreurdreiging onder controle?

Om een poging te doen die vraag te beantwoorden, moet ik me begeven in de heksenketel van de neo-Nederlandse casuïstiek. Een markant strijdster voor de gelijkheid van vrouw en man ook binnen de islam is Ayaan Hirsi Ali. Ik heb altijd gevonden dat ze het moedig en energiek aanpakt. Tot zover geen kritiek. Toen kwamen zij en Van Gogh in het programma Zomergasten met de film Submission. Het leek me eerder een soort reliporno dan een voltreffer in de strijd voor gelijkheid. Ik weet niet hoeveel Nederlandse moslims naar Zomergasten kijken. In ieder geval ontstond er geen opstand, en evenmin commotie onder de televisiekijkers. In eerste aanleg leek de vertoning ook met een sisser af te lopen. Niemand besefte dat intussen een godsdienstwaanzinnige zijn plannen voor de moord smeedde.

Door Mohammed B. is de film wereldberoemd geworden. Om in het door Van Gogh zo gewaardeerde genre van de sick

joke te blijven: de moord had een door de maker verzonnen gimmick, een truc kunnen zijn om de bekendheid en het effect ervan te bevorderen. Velen zullen dat nu een gruwelijke veronderstelling vinden. De maker van nabij gekend hebbend, en goed op de hoogte met zijn oeuvre, vind ik het een idee, strikt theoretisch, dat in zijn sfeer van denken had gepast. En natuurlijk verdient niemand het, om welke uitlating dan ook, op welke gronden dan ook te worden vermoord. Dat, heb ik gelezen, is heel denkend Nederland met me eens.

Al het hele jaar had zich in conservatieve intellectuele kringen het denkbeeld verbreid dat een mens zijn leven niet meer zeker is als hij zegt wat hij denkt. Bart Jan Spruyt van de Edmund Burke Stichting zag ervan af in het openbaar te spreken, omdat hij met de dood bedreigd was. Paul Cliteur gaf zijn column bij Buitenhof op. Na de moord voelde Geert Wilders zich door bedreigingen gehinderd bij het oprichten van zijn eigen partij en dook onder. Mevrouw Hirsi Ali had al hetzelfde gedaan. Het vrije woord werd bedreigd en het land was te laf om het naar behoren te verdedigen. Afshin Ellian, mijn collega-columnist in deze krant, begreep nu pas goed waarom de Duitsers maar vier dagen nodig hadden gehad om Nederland onder de voet te lopen. Waarschijnlijk nooit in Rotterdam geweest, dacht ik. Cliteur werd op de televisie opgevolgd door Herman Philipse, niet direct een voorganger van de linkse kerk en kennelijk wel met de noodzakelijke doodsverachting gezegend.

In hun gevecht voor het vrije woord bleken mensen die ik als vertrouwde, door de rede geleide schrijvers en columnisten had gekend, plotseling bereid om met scheldpartijen en verdachtmakingen hun oude vrienden het zwijgen op te leggen. Daarachter gromde de stem des volks. `Alle moslims eruit!', riep iemand in de radio. Om te beginnen 50.000, las ik in HP/de Tijd. Radicale herziening van het strafrecht, verruiming van de mogelijkheden tot preventief arresteren en gevangen houden. Inburgeren of oprotten. Het maakte geen verschil dat columnisten en politici van Turkse en Marokkaanse afkomst dringend verzochten om het miljoen moslims niet met een paar honderd mogelijke terroristen op één hoop te vegen. Eerst moest het nu eens uit zijn met de laffe praatjes van de `links-liberale pers'.

In de hele wereld is het fundamentalistische deel van de islam het grootste politieke vraagstuk, als zodanig op 11 september 2001 herkend. Dit fundamentalisme ziet het Westen als de aartsvijand. Om die te bestrijden bedient het zich van terreur. Hoe verslaan we de terreur? ,,Terreur is een methode om te rekruteren, niet om te veroveren'', zei Avrishai Margalit tegen Oscar Garschagen, in een interview in deze krant van 12 juni. Margalit is een Israëlische filosoof en met Ian Buruma auteur van het boek Occidentalism. The west in the eyes of its enemies. ,,Terreur is een andere vorm van propaganda. Terroristische aanslagen beogen een reactie, een overreactie uit te lokken. Als het Israëlische leger twee leden van een cel van tien Hamas-militanten uitschakelt, zegt het leger dat er nog acht over zijn. Hamas daarentegen zegt dat de cel is gegroeid tot twaalf, want voor de twee gedode leden zijn er vier in de plaats gekomen. De uitgelokte overreactie bevordert het rekruteringsproces.''

Zo werkt het niet alleen in Israël maar overal ter wereld, en des te meer naarmate de strijd feller wordt. Irak is het afschrikwekkende voorbeeld: van shock and awe via bevrijding naar een burgeroorlog waarin het land trainingskamp en propagandabasis voor het terrorisme tegelijk is. In de Nederlandse steden zijn wijken waar veel moslims wonen, tegenwoordig `schotelbuurten' genoemd. Via de schotelantennes worden de uitzendingen van al-Jazira en al-Arabia ontvangen, beelden van de andere kant van het front, waarmee de Nederlandse televisie zijn kijkers zeer mondjesmaat bedient. Abu Ghraib, de verovering van Falluja, de Amerikaanse soldaat die een gewonde Irakees met een machinepistool uit zijn lijden verlost: dit alles heeft in het Nederlandse debat nauwelijks een rol gespeeld. In kringen van immigranten wordt er anders over gedacht.

Aan het einde van dit jaar zal niemand meer ontkennen dat de aanwezigheid van bijna een miljoen moslims uit landen met een andere cultuur een probleem is. Maar een zeer groot aantal heeft zich aangepast, is van de tweede of zelfs derde generatie. Nederlanders met een uitheems geloof dat op een gematigde manier beleden wordt. Ze horen erbij. Dan zijn er een paar honderd fundamentalisten, bereid tot geweld. Dat is de Nederlandse vertakking van een internationaal vraagstuk. Het is moeilijk, maar ook niet meer dan vanzelfsprekend dat de geheime diensten die mensen moeten opsporen, weten wat ze van plan zijn en hun doelen tegen aanslagen beschermen. Dat is deel van de rechtsstaat.

Iets heel anders is het een vorm van oorlogsrecht te bedenken waarin we, zoals in Amerika, enemy combattants onderscheiden die om geheime redenen worden gearresteerd en dan zo lang kunnen worden vastgehouden als de staat dat om opnieuw geheime reden nuttig vindt. Een Guantánamo op Pampus. Zo ver is het nog lang niet, gelukkig, omdat met dergelijke staatswillekeur het tegendeel van het beoogde wordt bereikt: rechtsonzekerheid voor de burger, en propaganda voor het extremisme.

Maar in onze publieke opinie is wel een sterke tendens in deze richting merkbaar. Daarop wijzen de schrille toon van het debat in de media en de herleving van het populisme met zijn hang naar simpele, radicale oplossingen.

Zoals alle westelijke landen wordt ook Nederland door het terrorisme tot frontgebied verklaard. Nogmaals, niet door `de' moslims, maar door de kleine verblinde groep die zich als de voorhoede beschouwt. Het is onze zorg, te verhoeden dat het werkelijk zo ver komt.

In de eerste weken nadat Mohammed B. had toegeslagen, overheerste in Nederland een sfeer waarin een verlangen naar een bijltjesdag viel te proeven. Daarover hebben de buitenlandse waarnemers die ik hierboven citeerde, zich verbaasd en zich ongerust gemaakt. De Amerikaanse regering heeft ons even als `gevaarlijk gebied' beschouwd. De Belgische premier Verhofstadt geloofde dat hier een burgeroorlog dreigde.

Intussen zijn we weer wat bedaard. Prins Bernhard en John de Mol hebben de aandacht afgeleid. Maar het risico blijft. Nederland heeft op het ogenblik drie problemen. De dreiging van aanslagen die het met zowat de hele wereld deelt. De herleving van een populisme met een leiding die belooft er keihard een einde aan te maken waarbij je kunt vermoeden, op grond van ervaringen, dat het middel erger zal zijn dan de kwaal. En het derde bestaat uit dat deel van de politici en opiniemakers die bij het koesteren van hun verontwaardiging vergeten na te denken. Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.

H.J.A. Hofland is columnist van NRC Handelsblad.