L. RIDDER VAN RAPPARD (1906 - 1994); Rechts-liberaal

Mr. L.R.J. Ridder van Rappard, oud-burgemeester van Zoelen en Gorinchem, is gisteren in zijn woonplaats Leusden op 87-jarige leeftijd overleden. Van Rappard was een geharnast maar tegelijk omstreden bestuurder die tweemaal tevergeefs heeft gepoogd met een eigen rechts-liberale partij in de Tweede Kamer te komen.

In 1963 deed hij met de Liberale Staatspartij een gooi naar een Kamerzetel, in 1971 was hij lijsttrekker van Nederlands Appèl. Bij de presentatie van deze laatste partij stelde hij voor de Tweede Kamer te halveren wat een besparing zou opleveren van vier miljoen gulden die de aanwezigheid van “75 randfiguren” kostte.

Ridder van Rappard werd op 15 juli 1906 in Bloemendaal geboren. Na het behalen van zijn gymnasiumdiploma studeerde hij rechten in Utrecht. Na zijn studie vestigde hij zich als advocaat in Arnhem. In 1932 werd Van Rappard benoemd tot burgemeester van Zoelen, zeven jaar later verruilde hij die plaats voor Gorinchem waar hij, met een onderbreking van twee jaar, tot 1972 het burgemeestersambt bekleedde. Van 1978 tot 1986 keerde de ex-burgemeester als raadslid in het Gorcumse stadhuis terug - een novum in het Nederlandse gemeentepolitiek.

In juli 1971 meldde de Staatscourant het officiële ontslagbesluit van drie burgemeesters. Twee van hen werden bedankt voor hun goede diensten. Zo niet de burgemeester van Gorinchem: Ridder van Rappard werd slechts dank gebracht voor langdurige diensten. Die nuance hield verband met de 'kwestie-Van Rappard' die een jaar eerder het gemeentebestuur van Gorinchem in rep en roep had gebracht.

Een deel van de raad weigerde toen verder samen te werken met Van Rappard na diens onverholen kritiek op enkele wethouders. Ook maakte hij er geen geheim van te twijfelen aan de capaciteit van sommige raadsleden. Na een onderhoud met de toenmalige minister van binnenlandse zaken, Beernink, verklaarde de burgemeester zijn optreden te betreuren en beloofde hij alles te zullen nalaten wat tot nieuwe moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven.

In april 1990 liet het echtpaar Van Rappard zich uitschrijven bij de burgerlijke stand in Gorinchem en verhuisde het naar Leusden. Tijdens een interview in dat jaar toonde hij zich nog steeds een zelfbewust man. “Als je spijt hebt, heb je verkeerd gehandeld. En ik heb nooit verkeerde beslissingen genomen, dus waarom zou ik ergens spijt van moeten hebben.”

In 1979 verscheen Van Rappards autobiografische roman 'Hoe was het ook weer?'. In dit boekwerk behandelt hij onder meer de bezettingsjaren, zijn arrestatie door de SD in 1943 en zijn daaropvolgende onderduiktijd. Hij werkte vijf jaar aan deze roman “met een ijzeren wil om de wreedheid te geselen van de pedantelingen die ik in de oorlog nooit heb gezien, maar die het na de bezetting onmiddellijk beter wisten”, zoals hij zei na de verschijning van zijn boek in Elseviers Magazine.

Steen des aanstoots vormde voor Van Rappard dr. L. de Jong die hij verweet in zijn boeken ten onrechte het beeld op te roepen dat “ons volk zich nagenoeg en in zijn geheel slap en serviel zou hebben gedragen”.

Serviel - dat was Ridder van Rappard allerminst. Hij stak zijn overtuiging niet onder stoelen of banken. Zo trok hij van leer tegen wat hij de zedenverwildering noemde en tegen de 'personificatie' daarvan: wijlen Mary Zeldenrust-Noordanus, de voorzitter van de NVSH. “Dat mens heeft een funeste invloed gehad in de hele ontwikkeling van wat ik de ondergang van het normbesef noem”, zei hij in 1986 in het Algemeen Dagblad. Hij schroomde ook niet om kunstwerken die in zijn ogen aanstootgevend waren, van de muur halen.