'Ik wilde vooral een antidemocratische geste maken.'

Zwitserland was voor hem te klein, te provinciaals. Begin december opende Thomas Hirschhorn in Parijs zijn tentoonstelling Swiss-Swiss Democracy. Zijn credo is: kunst benadert volledige vrijheid het dichtst.

Thomas Hirschhorn heeft in het verleden vaak gesteld dat kunst voor hem in de eerste plaats vrijheid vertegenwoordigde. Vrijheid om te maken wat je wil, zonder grenzen, zonder beperkingen. Des te opvallender dus dat de Zwitserse kunstenaar nu een tentoonstelling heeft georganiseerd die vooral een zelfbeperking lijkt. Begin deze maand opende Hirschhorn in het Zwitserse culturele centrum in Parijs zijn tentoonstelling Swiss-Swiss Democracy met één helder thema: 'Ik exposeer niet langer in Zwitserland.' In het bijbehorende statement legt hij uit dat de Zwitserse democratie zichzelf in zijn staart heeft gebeten. Dat hij zich niet langer vertegenwoordigd voelt door de nieuwe Zwitserse regering, waarin de ultrarechtse populist Christoph Blocher een prominente plaats heeft verworven. Juist als kunstenaar, vindt Hirschhorn, moet je het dan aandurven om een 'wild' gebaar te maken. 'Kunst biedt weerstand', schrijft hij in zijn statement, 'kunst is actief noch passief, kunst valt aan - door mijn artistieke werk zal ik worstelen met de werkelijkheid in al haar complexiteit, massaliteit en onbegrijpelijkheid (...) Ik zal dapper zijn, ik zal niet in slaap worden gesust, ik zal doorwerken en gelukkig zijn.'

Dit statement over zijn relatie tot Zwitserland laat zich meteen lezen als een beginselverklaring van Hirschhorn als kunstenaar. Aan de ene kant zoekt hij, sinds hij begin jaren negentig begon te werken, actief contact met de buitenwereld en schuwt hij een politiek gebaar niet. Tegelijk waakt hij ervoor om prekerig of pamflettistisch te worden. Dat blijkt ook in zijn atelier annex woning in een industriële buitenwijk van Parijs. De werkplaats bestaat uit een grote hal, waar acht assistenten Hirschhorns enorme installaties in elkaar zetten. De kunstenaar zelf is lang op het slungelige af, draagt een bril met een zwaar montuur en blijkt onverwacht monter en zelfrelativerend. 'Dat hele ik-exposeer-niet-langer-in-Zwitserland-verhaal beschouw ik vooral als een gebaar', zegt hij. 'Niet meer. Ik wil niet in discussie met de Zwitserse politiek, ik wil geen rel veroorzaken. Ik wilde gewoon iets doen, een 'antidemocratische' geste maken - Blocher is tenslotte democratisch gekozen. Dat beschouw ik nou typisch als mijn vrijheid als kunstenaar. Het heeft er ook mee te maken dat Zwitserland altijd zo hoog opgeeft over z'n eigen democratie. Maar in de praktijk betekent die vooral dat een kleine, conservatieve groep er al jaren voor zorgt dat er nooit iets in dat land verandert.'

Hoe reageerde men in Zwitserland op uw gebaar?

'Er gebeurde niet zo veel. Ik hoorde vooral dat ik nu zeker zo beroemd ben dat ik Zwitserland niet meer nodig heb.' Hij lacht een beetje. Nog geen week na ons gesprek viel zo ongeveer de hele Zwitserse politieke klasse over Hirschhorn heen, en stonden de media bol van de rel. De stichting Pro Helvetia, sponsor van de tentoonstelling, kreeg direct een strafkorting van een miljoen Zwitserse frank opgelegd.

Hirschhorn (1957) is op dit moment na het duo Fischli en Weiss inderdaad de beroemdste kunstenaar van Zwitserland. Sinds het begin van de jaren negentig is hij bekend geworden met grote, ruimtevullende installaties uit hele alledaagse materialen: karton, aluminiumfolie, verpakkingstape en foto's uit tijdschriften. Meestal hebben ze een overkoepelend thema. Zo maakte Hirschhorn een reeks 'altaren' en kiosken (onder andere een Mondrian Altar, een Robert Walser-kiosk en een Emil Nolde-kiosk) waarin hij op associatieve manier spullen over de genoemde kunstenaars bij elkaar brengt. Zijn 'monumenten', zoals een Spinoza-monument in Amsterdam, en het Bataille-monument op de laatste Documenta van Kassel zijn in zekere zin uitbreidingen van deze altaren. Ze zijn niet alleen een eerbetoon aan deze filosofen, maar bieden de toeschouwers ook de gelegenheid om bij elkaar te komen, te praten en dingen te bekijken. Al zijn werken nodigen de toeschouwer uit er zo lang mogelijk in rond te dwalen, zich onder te dompelen in Hirschhorns associaties. Zowel in het Spinoza- als in het Bataille-monument was een uitgebreide collectie met boeken en films aanwezig over de denkers die de toeschouwer in alle vrijheid kon lezen en bekijken.

De grote charme van Hirschhorns werk is dan ook vooral de grote, ongebreidelde vreugde die ze uitstralen. Dat, heeft Hirschhorn al vaker in interviews benadrukt is wat hij het belangrijkst vindt aan kunst: 'dat het de dichtste benadering van volledige vrijheid is.' Daarom is het des te opmerkelijker dat het even duurde voor Hirschhorn daar zelf achter kwam.

Hirschhorn groeide op in Davos, als geadopteerde zoon van een accountant en een huisvrouw in wier leven kunst nauwelijks een rol speelde. Dat je beroepsmatig kunstenaar kon worden was al helemaal geen optie. Omdat Thomas toch iets wilde doen met zijn talent voor tekenen ging hij na de middelbare school de opleiding tot grafisch vormgever in Zürich volgen. Daar maakte hij kennis met de beeldende kunst, zonder zelf echter de aandrang te voelen zich in die richting te ontwikkelen. 'Ik wilde wel vrijheid, maar dan als grafisch ontwerper. Ik wilde ontwerpen maken zonder me iets van opdrachtgevers aan te trekken. Het kunstenaarschap overwoog ik niet eens. Dat kwam vooral doordat de meeste kunst die ik in die jaren zag, mij het gevoel gaf dat het niets met mij te maken had, dat het mij buitensloot. Pas toen ik kennismaakte met het werk van Warhol en Beuys, veranderde dat. Ik kan me nog goed herinneren dat ik Warhols 129 Die in Jet (Plane Crash) voor het eerst zag. Daar gebeurde iets... Dat schilderij sprak tegen me, het zei echt iets over mij en over mijn wereld. Hetzelfde gold voor het werk van Beuys. Dat is ook heel toegankelijk, hij reikt jou als toeschouwer de materialen en de vormen aan en daar kun je je eigen interpretatie op loslaten. Dat dat kón, was heel belangrijk.'

Inspireerde Beuys u ook in het gebruik van materiaal? Hij is bekend om vet en vilt, uw werk laat zich meteen herkennen door de 'alledaagse' materialen.

'Hij heeft me niet zozeer beïnvloed in de keuze van het materiaal, maar wel in het idee dat je doodgewoon materiaal uit je omgeving kunt gebruiken. Dat stelde me in de gelegenheid de afstand tot de toeschouwer zo klein mogelijk te houden. Juist door die alledaagse materialen hoop ik dat mijn werk mensen niet intimideert, toegankelijk is, dat mensen zich er voor open stellen.'

Was het moeilijk om over te stappen van grafisch ontwerper naar kunstenaar?

'Het duurde lang voor ik het durfde. Ik heb eerst zo'n zeven jaar als ontwerper gewerkt, vooral freelance, en merkte steeds meer dat ik op die manier niet kon doen wat ik wilde. Ik realiseerde me dat mijn talent was om letterlijk 'dingen vorm te geven', maar dat ik daarin niet langer compromissen met de buitenwereld moest sluiten. Toen besloot ik me helemaal aan de kunst te wijden. Ik ben als ontwerper volledig gestopt en ben mijn geld gaan verdienen met 'baantjes' - huisschilder, elektriciën, verhuizer. Daarnaast werkte ik als kunstenaar. Dat bleek goed te gaan; het hielp me om van buitenaf naar de wereld te kijken om de verantwoordelijkheid te nemen voor mijn eigen werk.'

Was u niet bang dat de wetten van de kunstwereld, de galeries, de tentoonstelling, commercieel succes, u al snel in uw vrijheid zouden beperken?

'Nee, want ik ging er altijd van uit dat die aspecten van de kunstwereld er gewoon bij horen. Mijn kunstenaarsvrienden op de academie in Zürich waren altijd heel erg tegen dat commerciële circuit, ik had er nooit bezwaar tegen. Het punt is alleen: je moet zorgen dat dat circuit je werk niet gaat bepalen. Het klinkt misschien naïef, maar ik ben er altijd van uitgegaan dat mensen toch in de kunstwereld rondlopen omdat ze in ieder geval een beetje van kunst houden. En dat betekende dat ik alleen maar zo goed mogelijk werk moest proberen te maken en heel kritisch moest blijven op mezelf - nog steeds trouwens'.

Was u er al meteen zeker van dat u deze houding zou kunnen volhouden, ook als u zo onverhoopt geen succes zou hebben?

Hirschhorn grinnikt. 'Nou, aan het begin, bij mijn eerste werken... Geen succes is daar nog zacht uitgedrukt. Er gebeurde helemaal niets. Geen reacties, geen commentaar, niks. Maar dat was toen nog geen probleem.

Ik wist wat ik wilde, waaraan ik werkte; alleen op basis daarvan kon ik al door. Het deed me alleen wel beseffen dat het enige wat echt voor mij telde, was dat mijn werk uiteindelijk gezien zou worden, besproken. Roem of succes hoef ik niet, als mijn werk maar erkend wordt. Overigens is het grappig dat ik, nu ik bekender ben, steeds vaker hoor dat mijn vroegste werk eigenlijk het allerbeste was. Dat beschouw ik als een prachtig teken; die vroege werken zijn zo onbekend - niemand heeft die gezien want niemand had er belangstelling voor. Toch ontstaat blijkbaar de behoefte bij mensen om te zeggen dat ze erbij waren. Het telt kennelijk ook nu nog.'

U bent nu tamelijk bekend als kunstenaar en u lijkt de mate van vrijheid die u nastreeft redelijk vol te kunnen houden. Was dat ook gelukt als u in Zwitserland was gebleven?

'Oh, nee. Het was belangrijk voor me om daar weg te gaan. Niet dat ik me dat toen realiseerde overigens, toen ik wegging wilde ik gewoon vrijheid. Achteraf begreep ik dat Zwitserland een schaal-probleem heeft. Het is er allemaal zo klein, zo benauwd, dat je je er te makkelijk afsluit van de buitenwereld. Daarom moest ik naar een groot land, een grote stad, zodat ik de zaken op grote schaal kon bekijken.'

Wat gaat u precies maken, op uw tentoonstelling in het Zwitsers instituut?

'Het wordt een groot project. Ik heb een groot aantal werken gemaakt over tunnels en over treinen. Treinen zijn belangrijk in Zwitserland, ze verbinden de verschillende regio's en kantons. Ik zal zelf die twee maanden elke dag met een vriend van me, de filosoof Marcus Steinweg, lezingen geven en presentaties houden. En de theatermaker Gwenaël Morin gaat een stuk over Wilhelm Tell opvoeren, de nationale Zwitserse held. Zwitsers hebben vaak de neiging om te denken dat democratie als het ware buiten ze om gaat. Ik wil mijn publiek laten voelen dat het democratisch gevoel in henzelf zit. Net als vrijheid.'

Karel Berkhout en Sandra Smallenburg zijn kunstredacteur van NRC Handelsblad.

Hans den Hartog Jager is schrijver en beeldend kunstcriticus.

Vincent Mentzel is staffotograaf van NRC Handelsblad.