Het belang van het dagelijkse leven

Wat hebben dagelijkse beslommeringen te maken met de wereld van televisie en kranten? Vonne van der Meer schreef `Ik verbind u door', een roman over dagelijkse kleinigheden met grote gevolgen.

Soms wordt een mens bekropen door het gevoel dat er iets niet klopt. Zijn al de dingen waar men zich mee bezighoudt wel de moeite waard? Zou men niet beter ook eens wat veelomvattends kunnen zeggen over de gevolgen van de oorlog in Irak of over het belang van islamitische scholen, of zou het niet goed zijn eindelijk eens naar een moskee te gaan om, om, ja wat, om eh, een bíjdrage te leveren aan het klimaat? Ook kan het gebeuren dat dat hele gevoel van `oorlog' dat al twee maanden rondspookt iemand volkomen onzinnig voorkomt, dat men zich met een gegeneerde proestlach afwendt als het actualiteitenprogramma Netwerk spreekt over `de aanslag op het vrije woord' als ze `de moord op Theo van Gogh' bedoelen en dat al het gepraat over terrorismewetgeving nogal hysterisch lijkt. En dan hebben sommigen ook nog als overtuiging dat religie helemaal geen ander woord is voor terroristische gezindheid, maar een manier van naar de wereld kijken waar je iets aan kunt hebben.

Soms kortom, lijkt er een enorme kloof te gapen tussen de dagelijksheid van de boodschappen, de kapotte fietslamp, het gesprekje bij de Turkse slager, de ontroerende kracht van sommige psalmen en de zogenaamde echte wereld die je tegemoet waait van het televisiescherm en uit de kranten en waar je niet in lijkt te leven. De wereld van `zij en wij', de wereld waarin mensen scholen in brand steken of op internet verkondigen dat ze de sharia in Nederland zullen invoeren, de wereld waarin je moslimmeisjes de hoofddoek van het hoofd moet willen rukken in naam van de Verlichting en waarin het, zoals laatst in deze krant stond, een teken van beschaving wordt geacht om te verkondigen dat God niet bestaat.

Kan het echt zo zijn dat iemand niet deelneemt aan het leven? ,,Werkelijk, je loopt bij het leven achter'', dichtte de Fransman René Char, ,,Bij het onuitsprekelijke leven / het enige tenslotte waarmee je wel één zou willen zijn.'' Kan het leven ergens anders zijn en wijzelf hier, kan iemand die gewoon maar 's ochtends naar het werk gaat en 's avonds weer thuiskomt zonder dat er iets heel opmerkelijks is gebeurd, eigenlijk buiten het leven staan?

Het is een onaantrekkelijke gedachte.

Het boek Ik verbind u door van Vonne van der Meer, dat eerder dit jaar verscheen, begint met een vrouw die ook zo'n soort allergewoonst leven leidt. Ze heeft een kleine fysiotherapeutische praktijk voor een paar dagen in de week. Ze woont ergens in het midden van het land met man en kinderen, ze is midden dertig en beschouwt zichzelf niet als bijzonder en dat doen wij lezers ook niet. Het is september 2002, de vrouw denkt na over de gebeurtenissen van een jaar eerder. ,,Dagenlang had ze met een wee gevoel in haar maag aan de televisie gekluisterd gezeten, stapels kranten en tijdschriften had ze gekocht om maar geen theorie over de terreurdaad te missen. Maar een bevredigend antwoord was er niet, iedere zelfmoordenaar had zijn eigen geschiedenis, de haat steeds een andere kiemcel.''

Deze Edith heeft duidelijk ook niet helemaal greep gekregen op de al te grote gebeurtenis. Toch is haar leven niet onbeduidend – een geërgerd gebaar van haar in de vroege morgen leidt aan het eind van de middag tot een moord. Tegelijkertijd komt er, later op diezelfde morgen en eveneens door iets wat Edith doet, een andere stroom op gang, een positieve. Ze heffen elkaar niet op, ze zijn er gewoon alle twee. Ze bestaan uit niets dan kleinigheden, maar het is moeilijk vol te houden dat ze onbelangrijk zijn.

,,Ik liep al lang met het idee rond voor een boek waarin oorzaak en gevolg dicht op elkaar zouden zitten,'' zegt Vonne van der Meer. ,,het moest over een emotie gaan die doorgegeven wordt. In dat jaar na 11 september verschenen er steeds meer artikelen over `het kwaad' en `de vijand', heel abstract allemaal. Ik wilde er op een andere manier over doordenken. Daarom begon ik juist toen aan dit boek over de vijand in jezelf. Niet alleen tegen de abstractie in, maar ook om iets te doen met die vreemde spanning die hoe dan ook toch voelbaar was.''

Maar de grote vijand dan. Die kleine, goed, best, die is er ook, maar die heeft zo weinig te maken met `wat-er-in-de-wereld-gebeurt'.

Dat is iets wat Vonne van der Meer nog niet zo zeker weet. Want, zegt ze, de theorieën over waarom terroristen tot hun daden komen veranderen ook steeds en misschien zijn ze wel geen van alle waar. Misschien zit het hem ook daar wel in kleinigheden. Eerst waren het juist arme, achtergestelde jongens, maar na 11 september zijn het eerder de goed opgeleiden die tot zulke daden in staat geacht moeten worden. Was eerst de kloof tussen `daar' en `hier' de schuld, nu is juist de globalisering de oorzaak van de ellende. Niemand weet werkelijk hoe het zit.

,,Ik dacht: dat boek over hoe iemand tot zo'n daad komt, dat moet ik niet schrijven. Dat moet het schrijvende zusje van zo'n terrorist maar doen. Ik denk dat als zo'n jongen werkelijk bij zichzelf naar binnen zou kijken, hij misschien ook niet uit zou komen bij `Amerika' of `Het Westen', maar bij iets veel gewoners. Verbittering omdat het moeilijk is werk te krijgen. Of iets anders, een opeenvolging van krenkingen, een teleurstelling. Een grote theorie kan dan veel houvast en ontsnapping bieden – daar kun je je hele leven aan ophangen.''

Ze vertelt over een vroegere vriend in Parijs, een Tunesische maoïst – ,,een man die een theorie zocht bij z'n humeur''– die erop stond om haar 's avonds als ze ergens geweest waren naar huis te brengen. Omdat, zei hij, hij de schuld zou krijgen als haar iets overkwam. Wat haar overdreven leek, tot ze hoorde dat er een paar jaar eerder in de buurt een meisje was verkracht en bijna gewurgd en dat de buurt haar Tunesische vriend meteen had aangewezen als de dader. Studiebeurs kwijt, baantje kwijt, in voorlopige hechtenis, totdat het meisje weer voldoende hersteld was om met de `dader' geconfronteerd te worden en direct zei: ,,Dat is hem niet.'' Als zulke dingen je kunnen overkomen, sta je heel anders in het leven.

Als schrijver, zegt Van der Meer, moet je proberen vooral over de dingen te schrijven die je kent. ,,Op mijn weg komen andere dingen dan als ik een politieagente in de binnenstad zou zijn. Ik denk niet voor niets de laatste jaren terug aan die Tunesische vriend van dertig jaar geleden – dat is de ervaring die ik heb met wat het betekent om wantrouwend bekeken te worden. Maar door voortdurend te theoretiseren over dingen waar je geen verstand van hebt, heb je het helemaal niet meer over jouw leven en jouw werkelijkheid, maar over een schijnwereld. Mensen praten graag of ze heel belezen, erudiete, kosmopolitische wezens zijn die al 180 jaar op aarde zijn. Praat vanuit je ervaring! Zeg gewoon dat je iets niet weet, er niets over gelezen hebt, dat alles wat je wel weet van het journaal komt.''

Blijft op die manier `de wereld' niet heel ver weg? Of dringt die toch wel binnen? Niet lang na 11 september was ik te midden van een aantal mensen die het over `geluk' wilden hebben. Wat het is. We kwamen tot de niet echt plezierige vaststelling dat er allerlei vreselijke dingen in de wereld kunnen gebeuren zonder dat je geluk daardoor wordt aangetast. Tot iemand vroeg: `En de aanslagen op het WTC? Hebben die jullie geluk aangetast?' Toen zei vrijwel iedereen toch `ja'. Een gevoel over de wereld was veranderd.

Van der Meer begint haar boek natuurlijk ook niet voor niets met 11 september. Niet alleen om te zeggen dat dat een zo grote kwestie is dat je daar niet uitkomt, maar ook om te laten zien dat die meedoet in je leven.

Van der Meer: ,,Eén van mijn zoons is met een Marokkaanse. Ik sta er wel eens bij stil dat zij misschien kinderen zullen krijgen en dat die het moeilijk zullen hebben, en dat baart me soms zorgen. Tegelijkertijd vind ik het ook fantastisch dat ik een ander geloof van dichtbij mee kan maken in mijn familie. De verandering van onze wereld is niet alleen maar eng, die is ook interessant. Ik zie het niet als een ramp die over ons komt dat er hier nu zoveel islamieten wonen. Ik krijg de indruk dat er afkeer heerst van religie in het algemeen, en dus helemaal van dat onbekende geloof. Dat men de gedachte dat iemand zich vijf keer per dag terugtrekt om te bidden weerzinwekkend vindt. Maar dat zie ik toch echt anders. Ik wou dat ik het opbracht. Er wordt nu te vaak gepraat in de trant van: `Is het een beetje een leuke moslim of is het zo iemand die bidt en zo?' Het is angst voor wat men niet kent. Het feit dát mensen geloven lijkt al heel eng gevonden te worden.''

Ik denk aan het boek Kaddisj van Leon Wieseltier, dat een heleboel duidelijk maakt over de kracht van een religieuze gewoonte. In dat boek doet Wieseltier verslag van het jaar waarin hij, een seculiere jood, het `kaddisj' zei, het traditionele joodse rouwgebed, voor zijn vader. Driemaal per dag naar de synagoge en daar de rituele teksten zeggen. Zich afvragen wat het betekent om zo'n ritueel uit te voeren. Het zette zijn leven op zijn kop, maar het hielp hem wel. ,,Het [kaddisj] regelt de uiterlijkheden, dus bevrijdt het me van de taak de rituelen van mijn verlies te improviseren, wat wel erg veel gevraagd zou zijn'', schrijft hij.

Vonne van der Meer praat over de ongemakkelijkheid die veel mensen zeiden te voelen na 11 september en opnieuw na de moord op Van Gogh. Hoe het even moeilijk werd om je nog `gewoon' te gedragen tegenover islamitische medeburgers en hoe het omgekeerd voor islamieten moeilijker werd om zich een gewone Amsterdammer of Tilburger te voelen. Van der Meer: ,,Het is hoe dan ook zo dat iederéén er veel belang bij heeft dat de spanning niet verder oploopt. Laatst zat ik in een volle tram, en het was heel druk in het verkeer dus we schoten niet op, toen de bestuurder omriep: `Dit wordt een lange rit. Praat eens met uw buurman.' Er werd gelachen, iedereen begreep waaraan gerefereerd werd.''

Dat ze zelf misschien toch ook enigszins overbewust is geworden, zeg ik. ,,Ja'', zegt ze, ,,maar dat is misschien niet heel anders dan wanneer iemand z'n vader verloren heeft – dan aarzel je ook even voor je opbelt. Je bent bang dat je niet de juiste toon treft. Dan denk je: ik vind het niet makkelijk, maar ik zet me er maar overheen en daarna is het over. Ik mis het politieke overzicht om de politiek te gaan vertellen wat er gedaan moet worden. Maar wat je wel zelf kunt bedenken is dat we allemaal erg veel op elkaar lijken. Ik reis regelmatig door het land, dus ik ben veel in treinen en bussen en op stations. De enige mensen van wie ik echt last heb zijn dronken hbo-types 's avonds laat in de trein. Als ik tegenover een vrouw met een zwarte hoofddoek zit en het is koud, dan denk ik niet aan haar ideeën. Dan is wat je gemeenschappelijk hebt: dat je 's avonds in de trein zit en dat het koud is. Daar heb je het dan even over. Ik heb niet de illusie dat je met iedereen bevriend kunt raken, en ook niet dat er reden zou zijn voor mensen om zich niet langer over elkaar te verbazen, maar wel dat het belangrijk is om de mensen op straat hoffelijk en aardig te bejegenen. Iedereen weet hoe het is om met argwaan bekeken te worden, of het gevoel te hebben dat ze net over je gepraat hebben – dat vernietigt iemands zelfvertrouwen.''

De gewone omgang, daarvan hangt voor een belangrijk deel af hoe je je voelt. Iedereen kent dat uit eigen ervaring, hoe de even uitgewisselde blik van verstandhouding, of iemand die iets voor je opraapt en het aanreikt, of het feit dat je iemand in de tram kunt helpen met een kinderwagen, je stemming enorm omhoog haalt. Zoals omgekeerd iemand die je uitscheldt of hindert, iemand die niet reageert op je verzoek om opzij te gaan of die je uitleg over een vergissing niet wenst te begrijpen, je diep kan ergeren.

Uit Ik verbind u door: ,,Hij begon juist op dreef te raken, toen er in zijn baan twee vrouwen opdoemden. Eerst zwommen ze samen op (...) Maar plotseling hielden ze stil, en midden in het bad gingen ze rechtop staan – precies in zijn baan – met de rug naar hem toe. (...) Aan beide zijden van het zwembad waren zitjes met plastic palmen. Aan de overkant was de bubbelhoek waar je zolang als je wilde kon rondhangen. Maar zij moesten uitgerekend hier, in zijn baan, met elkaar converseren! En waarover? Over operaties ongetwijfeld. Over verre reizen die met operaties gemeen hadden dat er van alles mis kon gaan, zodat je er in het zwembad fijn over kon klagen. Hoepel op.'' De zich steeds heviger ergerende man die deze dames moet ontwijken zal even later als er weer iemand in de weg staat niet voldoende opzij gaan en zo een harde, gevoelige trap geven aan een verpleegkundige die tóch al niet in een geweldige stemming was. Die komt op zijn beurt met een rothumeur het zwembad uit en geeft een broze, oude dame op een ruwe, vernederende manier een injectie. Zij is daardoor zo van slag dat ze weigert de jongen die de tuin komt doen een voorschot te geven. De jongen ziet de motorfiets waaraan hij contant een aanbetaling moest doen zijn neus voorbijgaan en ontsteekt op zijn beurt in woede. En zo dendert de ergernis voort als de beroemde sneeuwbal.

Langzaam maar zeker vervaagt tijdens dit gesprek het gevoel van een kloof tussen de eigen wereld en de buitenwereld. Je leeft niet buiten de wereld, hoe dan ook niet. Er is niet zoiets als `ik hier, de wereld daar' – Van der Meers boek laat dat maar al te duidelijk zien: alles wat je doet heeft ook te maken met andere mensen en met wat zij doen.

Van der Meer: ,,Hoe meer je voortdurend probeert de afgescheidenheid tussen jou en de ander te verkleinen, hoe meer je zoekt naar wat je gemeen hebt, hoe meer je de kloof ook in het groot verkleint. Er zijn weken dat ik nauwelijks mensen zie, hou me ten goede, ik wil beslist niet gaan beweren dat we allemaal bij elkaar op de thee moeten, maar het belang van korte, gelukte ontmoetingen is nauwelijks te overschatten.'' Ze is er vast van overtuigd dat je niet de bedoeling hoeft te hebben om de hele wereld te verbeteren om iets te veranderen. Ze citeert Tostoj die het had over de `moraal te voet' – dat het zeker zo belangrijk is om goed te doen aan diegenen die je te voet kunt bereiken. We laten ons te veel verlammen door onze onmacht om de grote problemen op te lossen.

Edith, de vrouw uit Van der Meers boek, zorgt ervoor dat een in Afghanistan onverkrijgbaar medicijn vanuit Nederland naar de kleinzoon van haar werkster gaat. Ze naait de pillen in een stuk oud speelgoed en het koeriersbedrijf van haar man brengt ze weg. ,,De koerier was verguld met deze opdracht. Hij begreep niet altijd even goed waarom hij in een oranje autootje door het land sjeesde, maar vandaag was zijn rol hem volkomen duidelijk. Als hij zijn vriendin vanavond zou vertellen dat hij in allerijl een pakje naar het vliegveld had moeten brengen voor de zoon van een kamelendrijver, zou ook zij beseffen dat hij deel uitmaakte van een groter verband. Dat hij een hoger doel diende dan het nastreven van de beoogde omzetcijfers en het behalen van winst voor Swift.''

Vonne van der Meer

– 1952 – was toneelregisseur toen ze in 1985 debuteerde met de verhalenbundel Het limonadegevoel, waarvoor zij de Geertjan Lubberhuizen-debuutprijs ontving. Ze schreef vooral korte verhalen en enkele novelles waaronder Een warme rug (1987) en Spookliefde (1995). Haar drie boeken over de steeds wisselende bewoners van een huurhuisje op een waddeneiland, Eilandgasten (1999), De Avondboot(2001) en Laatste seizoen (2002), werden een regelrechte hit. Het eerste deel wordt aanstaande zomer verfilmd door Karim Traïdia.

Midden jaren negentig liet Vonne van der Meer zich dopen in de katholieke kerk. Ze is getrouwd en heeft twee zoons.