Gekakel was aan Ludwig Wittgenstein niet besteed

In twaalf afleveringen schrijft schaker Hans Ree over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed.

In 1967 publiceerde W.F. Hermans het boekje Wittgenstein in de mode. Dat Ludwig Wittgenstein (1889-1951) toen inderdaad in de mode was, bleek een paar maanden later nadat er een tweede druk was verschenen, waarvoor Hermans de titel wat had uitgebreid: Wittgenstein in de mode en Kazemier niet. Kazemier was een Rotterdamse filosoof met wie Hermans een appeltje te schillen had.

In Het Parool verscheen na die tweede druk een polemiek tussen de filosoof Frits Staal en Hermans over de status van de zin 'het glas staat op tafel'. Hermans had gewoontegetrouw gelijk, maar zijn argumenten waren niet sterk. De geleerde heren schreven een beetje langs elkaar heen, want Staal wist veel van de algemeen gangbare logica en Hermans veel van Wittgenstein.

Een polemiek in een dagblad over de vraag of 'het glas staat op tafel' in de terminologie van Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus een Sachverhalt of een Tatsache is, zou tegenwoordig moeilijk denkbaar zijn. Zijn er soms geen brandende actuele vraagstukken die de aandacht verdienen? Zeker, maar die zijn er altijd.

Wittgenstein is niet meer in de mode en het glas op tafel is geen brandende kwestie meer. Alleen als het om de bijbel gaat wordt er nog hartstochtelijk getwist over de juiste betekenis van een woord. Voor veel mensen is de Tractatus een soort bijbel geweest.

Zwijgen

In de jaren zeventig had een vriend van mij de zeven hoofdstellingen van de Tractatus op een groot papier aan de muur van zijn werkkamer gehangen. Het beroemde slotakkoord van de Tractatus is stelling zeven, 'Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen.' Erg zwijgzaam was die vriend toch niet, integendeel, hij had over allerlei kwesties een uitgesproken mening, die hij graag liet horen. Zoals veel bewonderaars van Wittgenstein dacht hij dat stelling zeven alleen bedoeld was voor anderen die hun mond moesten houden.

De verleiding van de Tractatus is begrijpelijk. In minder dan tachtig bladzijden wordt de wereld, de taal en het denken verklaard, met de pretentie dat het ook een volledige verklaring is en dat alle filosofische problemen daarmee opgelost zijn. Opgelost is overigens niet de juiste uitdrukking, want een oplossing is er alleen voor zinnige vragen, waartoe de filosofische vragen volgens de Tractatus niet behoren. Die worden daarin niet opgelost, maar uit de weg geruimd.

Aan het eind van de Tractatus is de conclusie dat er vrijwel niets gezegd kan worden. Niets over de verhouding tussen uitspraken en feiten, want die verhouding 'toont zich' en kan niet in taal uitgedrukt worden. Niets over ethiek en esthetiek en over wat Wittgenstein 'het mystieke' noemt. Dat alles 'toont zich' en kan niet gezegd worden.

Toch schreef Wittgenstein over al die onderwerpen wel. Naar de eigen maatstaven bestaat de hele Tractatus dus uit zinloze uitspraken. 'Mijn stellingen zijn verhelderend doordat wie ze begrijpt ze tenslotte als onzinnig beschouwt, als hij erdoor - er op - boven ze uit is geklommen. (Hij moet om zo te zeggen de ladder weggooien nadat hij er opgeklommen is)', schrijft Wittgenstein tegen het eind van de Tractatus.

Fluiten

Dingen zeggen die niet gezegd kunnen worden en dan verklaren dat het weliswaar onzin is, maar verhelderende onzin. Kan dat wel? 'Wat je niet kan zeggen, kan je ook niet fluiten', vond een vriend van Wittgenstein, de wiskundige Frank Ramsey. Dat was misschien een toespeling op Wittgensteins vermogen om lange en moeilijke muziekstukken perfect na te fluiten, maar het was ook een harde kritiek.

Of hij nu de waarheid had gefloten of niet, Wittgenstein nam zijn stellingen ernstig. Nadat er in 1921 met veel moeite een uitgever voor zijn Tractatus was gevonden, nam hij afscheid van zijn intellectuele vrienden in Cambridge. Hij werd dorpsonderwijzer in Oostenrijk, in de hoop dat eenvoudiger mensen ook betere mensen zouden zijn. Dat viel erg tegen.

'De wereld van de gelukkige is een andere dan die van de ongelukkige', had hij geschreven. Hij bedoelde dat het niet aan de feiten lag, maar aan de ongelukkige zelf. Zijn wereld als geheel is ongelukkig en geen feit kan daar iets aan veranderen.

Ludwig was het jongste kind van een van de rijkste industriëlen van Oostenrijk. Vader Karl was een beschaafd man die de kunsten financieel steunde en de beste Weense musici uitnodigde voor huisconcerten. Misschien was hij te streng. Drie van zijn vijf zonen pleegden zelfmoord en Ludwig zelf overwoog het ook vaak. Maar iets ergers dan dat hij druk uitoefende op zijn oudste zonen om hem op te volgen als leider van zijn industrieel imperium, heb ik nooit over de opvoedingsmethoden van Karl gelezen.

Ludwig volgde een technische studie in Manchester en kreeg een hartstocht voor filosofie en mathematische logica. Binnen de kortste keren behandelde deze jonge student vermaarde filosofen als Russell en Moore als leerlingen die niet begaafd genoeg waren om hem goed te begrijpen. Die accepteerden dat, wat voor hun begaafdheid pleit.

De dood als verlossing

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak nam Ludwig ondanks een slechte gezondheid als vrijwilliger dienst in het Oostenrijkse leger. Hij was onder de indruk van een opmerking van de Amerikaanse psycholoog William James, die had geschreven dat een man door de overgave aan een ideaal, met de bereidheid om daarvoor te sterven, gewijd wordt tot een beter mens. Je kan je afvragen of dat ook geldt als de dood niet als een risico, maar als een verlossing wordt gezien, wat gold voor Wittgenstein.

In een notitieboek schreef hij in 1914: 'Ik ben niet bang om doodgeschoten te worden, maar om mijn plicht niet fatsoenlijk te doen. God geve me kracht. Amen. Amen. Amen.' Hij werd niet doodgeschoten en hij deed zijn plicht en werd verschillende keren wegens dapperheid onderscheiden.

Terug uit de oorlog gaf hij zijn deel van het familiekapitaal weg aan zijn zusters. Hij wilde arm zijn en eenvoudig, maar het leven onder mensen die echt eenvoudig waren viel hem heel zwaar. De dorpelingen van Trattenbach, waar hij als onderwijzer leefde, kon hij nauwelijks als mensen zien, eerder als sprekende dieren. De mensen hier zijn slecht, schreef hij aan Russell, die laconiek terugschreef dat alle mensen slecht zijn. Dat wist Wittgenstein eigenlijk ook wel, en hij maakte voor zichzelf geen uitzondering.

In 1929 ging hij terug naar Cambridge. Zijn reputatie als filosoof was tijdens zijn afwezigheid gegroeid tot die van een orakel. 'Well, God has arrived. I met him on the 5.15 train', schreef de econoom Keynes aan zijn vrouw. Met God discussieer je niet op voet van gelijkheid. Meer dan een gewone filosoof die leerlingen heeft, werd Wittgenstein een profeet met discipelen, die op den duur zijn manier van spreken en zijn gebaren overnamen. De boodschap van de profeet was nog steeds dat er niets filosofisch te zeggen valt.

Zijn colleges werden een aaneenschakeling van uiterst inventief bedachte voorbeelden die moesten verduidelijken hoe filosofische schijnproblemen voortkomen uit een verkeerde manier van spreken en denken. Soms zijn die voorbeelden komisch en dat ligt ook wel voor de hand, want humor komt vaak voort uit op zichzelf gewoon taalgebruik in een situatie die daar nou net niet om vraagt.

'Stel dat iemand wijst op een puntje in de iris op een door Rembrandt geschilderd portret en zegt: de wand van mijn kamer moet in die kleur worden geschilderd.' Of dit: 'Het eekhoorntje concludeert niet door inductie dat het ook de volgende winter voorraden nodig kan hebben.' Je kan je daar makkelijk grappige cartoons bij voorstellen. Een kunstlievende dame die op grond van een stipje van Rembrandt de kleur van haar muren uitkiest. Een eekhoorntje dat bij de filosoof David Hume te rade gaat of een inductie-redenering het aanleggen van een wintervoorraad rechtvaardigt.

Builenpest

Iemand schreef eens aan Wittgenstein dat hij ergens een filosofische lezing zou houden. Je had me net zo goed kunnen schrijven dat daar de builenpest is uitgebroken, schreef Wittgenstein terug. Behalve journalist was er geen beroep dat hij zo verachtelijk vond als filosofiedocent. Dat hij er zelf een was, was droevig genoeg en alleen te rechtvaardigen door het uit de weg ruimen van alle filosofische spinsels.

Maar goed, als je denkt dat je geen last hebt van die filosofische spinsels, wat moet je dan met het opruimingswerk van Wittgenstein? Het is geen wonder dat hij niet meer in de mode is. Met iemand als Marx konden mensen nog lang voort, maar Wittgenstein was een eindpunt, zoals het witte vierkant in de schilderkunst. Daarna kan je geen vierkanten meer schilderen die nog witter zijn. Het werk is gedaan; minder dan niets kan niet.

Je wordt verleid door Wittgenstein en dan heb je de neiging om dingen te zien zoals hij ze zag. Na een tijd is de ban gebroken. Die ascese van Wittgenstein, het vertoon van nederigheid, zijn zelfverwijt en het voortdurende aanroepen van God, dat is eigenlijk niets voor mij.

Voor de rest van de wereld ook niet meer. De taalzuivering waar Wittgenstein naar streefde is eigenlijk een anachronisme, omdat die alleen mogelijk was in een intellectueel klimaat waarin de onzin nog een marginaal verschijnsel was, dat als een overtreding werd ervaren en niet als de norm. Als het gekakel oorverdovend is geworden valt er aan taalzuivering niet meer te beginnen.

'Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen', schreef Wittgenstein. Zijn tijdgenoot Bertolt Brecht schreef: 'Hard schreeuwen is beter dan zeer verstandig zijn.' Brecht heeft gewonnen.

Wittgensteins werk staat in de kast bij de klassieken die ik niet meer lees. Doordat ik hem gelezen heb, zijn er dingen die ik niet meer zeg of schrijf en daar ben ik hem dankbaar voor, maar welke dingen dat precies zijn, weet ik niet.