Een spookje in een pon

In het derde deel van de nieuwe dvd-serie Moderne Europese Klassieken Cría cuervos van Carlos Saura. Een meisje met moeders in maten.

Je denkt, er is er maar maar één zoals zij, maar in Cría cuervos (1976) ligt dat anders. Daar hebben drie zusjes moeders in soorten en maten. Er is een moede moeder die grootmoeder is, verlamd en verstomd. Een surrogaat-moeder, met moederborsten. Een moeder van andermans kinderen: de stiefmoeder. En er is een dode moeder.

Deze moeders en dochters verkeren samen in een gesloten wereld. Voor mannen is er geen plaats en de paar mannen die er in doordringen zitten in mosterdkleurige uniformen verscholen. Ze 'willen allemaal hetzelfde' en dat verhoudt zich slecht met de wereld van witte kniekousen en een geruite plooirok om een lijfje zonder middel of heupen. Daar wordt een naad netjes op de hand gestikt, er worden lakens gestreken, met zijn tweeën rechtgetrokken en opgevouwen.

Cineast Carlos Saura kookte dat universum in tot hij onversneden beklemming overhield en hij concentreerde zijn film op de kern van het residu: de middelste van de drie dochters, een meisje dat kijkt.

Duisterbruine ogen

Wie Cría cuervos één keer heeft gezien (en er is alle reden om hem méér dan een keer te bekijken) herinnert zich boven alles de blik van Ana Torrent, de negenjarige actrice die deze rol gestalte gaf.

Ze ziet, ze zwijgt en ze duidt. Duisterbruine ogen staan in een rond wit gezicht, dat wordt afgesloten met een kleine mond en afgebakend door een kortgeknipt zwart kinderkapsel. Een popje met onuitsprekelijke gedachten. Ze doet wat haar gezegd wordt, maar ze denkt wat ze wil en daar maakt ze geen geheim van.

Lief? Ja, zeker. Onschuld? Vergeet het maar.

Ze heet Ana en ze is tien.

Ze duikt op uit het donker, kleine Ana, een spookje in een pon. Ze waart langs de overloop, ze daalt de brede trap af. Met haar kijken we de schaduw in en horen we gerucht. Gekreun; gehijg; gefluister; sussen; een kreet; nog een kreet, maar van de andere stem. Vlak langs ons vlucht een vrouw, haar blouse hangt open, haar haar zit in de war. Ze weet niet hoe snel ze weg moet komen. Het is een mooie vrouw, we kunnen het niet helpen, dat zien we ook.

We treffen een dode man aan tussen de verfomfaaide lakens, een en al gezicht, ogen leeg, een verkrampte kaak. Wij schrikken, Ana niet. Ze klautert naast het lichaam op het kussen, aait hem door zijn dode haar. Dit is haar vader en hij moest nu eenmaal dood. Vond zij.

Raven

Cría cuervos is vaak bezien als een metafoor voor de verstikking van Spanje onder de dictatuur van generaal Franco. Wie er even voor gaat zitten, kan de personages navenant duiden en op zijn sokken de titel verklaren. Cría cuervos: Breng raven groot (en ze zullen je ogen uitpikken) - zo luidt een Spaans gezegde.

Ik kijk en ik kijk opnieuw en ik zie dat Carlos Saura een te groot cineast is om zich te beperken tot een politieke allegorie. Saura's film gaat over iets ongrijpbaarders. Hij reikt naar intimiteit die zich zomaar door de dood niet laat afbreken, die zich om de dooie donder door die dood niet naar de achtergrond laat dringen.

Ana heeft een band met de dood. Ze ziet hem overal waar ze kijkt, tot in de koelkast waar ze, op zoek naar sla voor haar cavia, een schaal gele, erg dode kippenpoten treft. Ze meent persoonlijk te kunnen beschikken over de diensten van de dood. Of niet? Dat zal ze nog uit moeten vinden. Voorlopig denkt ze dat zij haar vader die kist in heeft geholpen waaromheen al die mannen staan, in hun uniformen. Haar vader legde - 'alle mannen willen hetzelfde' - zijn handen op de ruit ter hoogte van de boezem van de huishoudster die stond te zemen. Een boezem is bedoeld om baby's te voeden. Ana weet daar alles van, ze mag de boezem zelfs een keer bekijken. Haar vader kleineerde en kwelde haar moeder en liet haar alleen toen ze doodziek was. Ana heeft het zelf gezien, ze zag de uitgerekte hals, de verwilderde blik, ze hoorde haar moeder janken: 'Er bestaat niets. Alles is een leugen.' Ze weigert om hem een afscheidskus op zijn koude voorhoofd te drukken. Heeft hij niet verdiend.

'Wil je dood?' vraagt ze aan haar grootmoeder. De bejaarde vrouw in de rolstoel knikt glimlachend. Ja, dat zou ze wel willen, ze leeft in een tot oude foto's verdampt verleden en de werkelijkheid van vandaag heeft haar letterlijk verlamd en met stomheid geslagen. Maar als Ana aanbiedt haar te helpen schudt ze nee. 'Net nog wel!' reageert Ana verbaasd. Vervolgens sterft haar cavia stuiptrekkend onder haar handen en ten slotte staat ze met een pistool in haar handen.

Het ongelooflijke is dat Carlos Saura erin slaagt om zelfs dat overdreven, loodzware beeld, een meisje in een truitje dat een dodelijk wapen richt, te laden met lichtheid. Hij had de wijsheid om zijn kijkende Ana niet te definiëren door haar obsessie met de dood, maar door haar liefde voor haar moeder. En door de liefde van die dode moeder voor haar, vergeet die niet.

Haar kammen

Ana is niet gestoord. Haar moeder is gestorven, dat weet ze best. Maar ze is niet weg. Af en toe komt ze terug, in ogenblikken zo liefderijk dat het pijn doet. Ze neemt het kammen van Ana's haren over van de huishoudster. Kalm kamt ze en lang en ze maakt grapjes. Ze zoent Ana in haar nek en ze bijt ook eventjes, aan de andere kant. Hihihi, dat kriebelt. Dan kamt de huishoudster weer: Kind waar zit je met je gedachten. Of de dode moeder zit beneden in haar stoel als Ana niet kan slapen. Zal ze even piano spelen? Blaas maar in mijn handen, dan weten ze vanzelf welk liedje je het liefste hebt. Hoor je wel? Zo. Een aaitje over je arm, een kusje van een beer en nu naar bed.

De wereld met haar moeder verglijdt parallel met de dagelijkse wereld en Saura verzekert zich er zorgvuldig van dat ze beide even reëel zijn. Maar er is geen verschil in licht, kleur of sfeer. En dat klopt. Want wie zou durven zeggen dat Ana's contact met haar moeder onwezenlijker is dan haar intimiteit met haar zusjes, haar geborgenheid bij de huishoudster of haar omgang met de stiefmoeder?

Eenmaal laat Saura de beide werelden aan elkaar raken. De moeder vertelt Ana een verhaaltje bij het slapen gaan en even later, als Ana huilend wakker is geworden, vertelt de stiefmoeder, o horror, hetzelfde verhaaltje, op dezelfde rand van hetzelfde bed. Onder onze ogen verandert het meisje van een warm onder de deken snoezelend kind in een hysterisch plankje. Tegelijk verandert een bezorgde vrouw in een wanhopig wrak - want die stiefmoeder meent het zo kwaad niet, dat zou te simpel zijn.

'¿Porqué te vas?' Waarom ga je weg? Het refrein van het tophitje wordt gezongen door een hoge, uitdrukkingsloze meisjesstem. De song kenmerkt Ana. Ze luistert, treft er zichzelf, keert haar blik naar binnen, geeft geen krimp en weet zich verbonden met haar moeder uit wie ze met de tang verlost moest worden, zo hecht was ze met haar verbonden.

'Kan die muziek zachter?' De vraag is geen verzoek maar zo'n achteloos bevel als volwassenen zich permitteren tegenover kinderen. De stiefmoeder tekent er haar vonnis mee.

Tenminste, als Ana kan wat ze denkt dat ze kan. Maar eerst dansen met haar zusjes.

Volgende maand: Fanny och Alexander van Ingmar Bergman