DE ONZICHTBARE VIJAND

Na de Koude Oorlog leken geheime diensten even overbodig, maar dat was een misrekening. De statische vijand uit het Oostblok was verdwenen, maar de wereld kreeg te maken met het islamitisch terrorisme. Amerika werd op '9/11' wakker, Europa benoemde na Madrid haastig een coördinator terreurbestrijding. En met de moord op Theo van Gogh deed de terreur ook in Nederland zijn intrede.

Maar zijn de diensten van Europa wel opgewassen tegen de nieuwe vijand? Een rondgang langs hoge inlichtingenofficieren in Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje, Zweden en Nederland. Lessen in terreurbestrijding.

Sybrand van Hulst schrok zich wezenloos toen hij op de ochtend van 2 november hoorde dat Theo van Gogh was vermoord. Toen duidelijk werd wie de dader was, wist Van Hulst genoeg. 'Ik realiseerde me ineens dat wat we tot nog toe hadden weten te voorkomen, terroristische aanslagen, nu in één keer aan je lijf zit. Dat het zó dichtbij komt.' Als privé-persoon schrok Van Hulst, maar als hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) was hij voorbereid. Zijn dienst waarschuwt al jaren voor islamistisch terrorisme. 'We werken hard om zulke aanslagen te voorkomen, in de wetenschap dat het toch een keer zou gaan gebeuren.'

Die ochtend in het AIVD-hoofdkwartier in Leidschendam grijpt Van Hulst onmiddellijk de telefoon en belt zijn baas, minister Remkes van Binnenlandse Zaken. In allerijl wordt een crisiscentrum ingericht, als in een militaire operatie. Meer dan tachtig medewerkers komen samen in een geheime ruimte in het hart van het vijf verdiepingen tellende gebouw, de Ops Room (Operations Room), een grote zaal, behangen met landkaarten en voorzien van een groot arsenaal aan computers en communicatieapparatuur. Het beste wat de dienst in huis heeft zit bij elkaar: specialisten op het gebied van de islam, radicalisering, het Midden-Oosten, beveiliging, infiltratie. Iedereen weet wat hem of haar te doen staat.

Van Hulst: 'We moesten belangrijke vragen beantwoorden.' Eerst de gebeurtenis zelf. Wie zitten er nog meer in de omgeving van de verdachte, in het netwerk? Kunnen we een tweede en een derde aanval verwachten? Ten tweede: Hoe reageert de samenleving, wat doet extreem-rechts? Ten derde: Welke andere personen moeten worden beveiligd? Ten vierde: Hoe kan het dat deze man de kans kreeg dit te doen? Was dit niet te voorkomen geweest?

De jihad heeft de Lage Landen bereikt, schrijven de internationale kranten de volgende dag. Terwijl Jozias van Aartsen de jihad de 'grootste vijand' noemt die Nederland sinds 1940 heeft gezien, vice-premier Zalm het terrorisme de oorlog verklaart en de eerste moskeeën en scholen ten prooi vallen aan brandstichters, werken tientallen inlichtingenofficieren onder hoogspanning om de puzzelstukjes in elkaar te schuiven.

De AIVD blijkt belangrijke delen van de puzzel allang op tafel te hebben liggen. Mohammed B. is een bekende, hij hoort bij een cel van jonge extremisten die al sinds 2002 wordt gevolgd. Ze hebben banden met verdachten van andere aanslagen. De AIVD weet veel, er zijn al aanslagen voorkomen, mensen opgepakt. Maar de dienst wist niet genoeg. 'Wij hoeven maar één keer succes te hebben, jullie permanent', luidt een slogan van de Noord-Ierse terreurorganisatie ira. Dus kwam de AIVD zwaar onder vuur. Sommige media spraken van 'stuurloze spionnen'. Dat Mohammed B. niet dag en nacht geschaduwd was, werd een 'dramatische misser' genoemd.

Groeit de complexiteit van de dreigingen de inlichtingendiensten boven het hoofd? Zijn de geheime diensten in Europa wel uitgerust om de nieuwe vijand te bestrijden? Hebben zij zich voldoende aangepast na de Koude Oorlog? Kan de AIVD - met duizend man personeel kleiner dan de politie Drenthe - een aanslag op een individu voorkomen, terwijl voor het dag en nacht schaduwen van één persoon al een ploeg van enkele tientallen medewerkers nodig is?

Onberekenbaar

De AIVD staat niet alleen. Sinds het einde van de Koude Oorlog worstelen alle inlichtingendiensten met hun nieuwe rol. Na de val van de Muur, in 1989, leek het er even op dat spionnen overbodig zouden worden. Vijftien jaar later vestigen politici en burgers al hun hoop op diezelfde inlichtingendiensten. 'We hebben te maken met een vijand die onberekenbaar is, uiterst flexibel en die over hypermoderne communicatiemiddelen beschikt', zegt Ernst Uhrlau, inlichtingencoördinator in de bondskanselarij van Gerhard Schröder in Berlijn. AIVD-hoofd Van Hulst: 'De tegenstander is dermate onvoorspelbaar, dat je met het beste inlichtingenwerk geen garantie kunt geven dat je een aanslag kunt voorkomen.' Zeker niet als de geheime diensten, na New York, Bali, Casablanca, Istanbul en Madrid, hun aandacht richten op een grote aanslag en - tot 2 november 2004 - geen rekening hielden met een aanslag van een individu op een individu. 'De ene keer lijkt de tegenstander rationeel, de andere keer volkomen gestoord. Maar dat is hij niet', zegt John Morrison, oud-deputy chief van de Defence Intelligence Staff (dis), de Britse militaire inlichtingendienst, in Londen. En Pierre de Bousquet, hoofd van de Direction de la Surveillance de Territoire (dst), de Franse veiligheidsdienst, zegt in Parijs: 'We hebben te maken met een vijand die vastbesloten is de basis van onze maatschappij te ondergraven en door een andere, een fundamentalistische, te vervangen.'

Het inlichtingenwerk is in vijftien jaar tijd drastisch veranderd. In de Koude Oorlog was de situatie overzichtelijk. 'Het conflict was statisch, de tegenstander was berekenbaar', zegt Uhrlau. 'Het inlichtingenwerk spitste zich toe op staatsactiviteiten.'

Roel Willemse kwam in de jaren zeventig bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (bvd). Tegenwoordig is hij senior beleidsmedewerker bij de AIVD. Het werk voltrok zich destijds volgens vaste patronen, in een 'gestolde wereld', zegt hij. Willemse had er zelfs een beeld bij: 'Ooit zou de vijand, gekleed in een speciaal kostuum, in speciale voertuigen van het Oosten naar het Westen rijden', zegt hij. 'Dan was er de 'afspraak' dat we elkaar op de Noord-Duitse laagvlakte zouden ontmoeten. Dan zouden we gaan schieten. Wie de meeste mensen overhield zou de overwinnaar zijn. Het was een hartstikke helder, bipolair wereldbeeld.'

Om te voorkomen dat het ooit tot zo'n oorlog kwam stond alles in het teken van het machtsevenwicht. 'Alles wat die balans dreigde te verstoren moest je als de sodemieter te weten komen en compenseren. Als zíj een stukje techniek hadden, moesten wíj het ook krijgen, maar dan beter.' De diensten aan weerszijden van het IJzeren Gordijn deden alles om de militaire sterkte van de ander te achterhalen: de wapensystemen, de tanks, de raketten.

Een belangrijke taak bij de bvd was contraspionage. Achterhalen wie zich in Nederland met spionagepraktijken bezighielden leverde niet bepaald James Bond-achtige acties op. 'Het was degelijk en voor een groot deel saai werk', zegt Paul Abels, als politiek analist sinds 1984 werkzaam bij de dienst. 'Wij moesten, heel klassiek, ontdekken wie de inlichtingenofficieren onder de diplomaten waren. Als er een nieuwe man op de sovjet-ambassade kwam, stelden we een dossier samen. Waar wonen ze, wat doen ze in hun vrije tijd?'

Het grote inlichtingenwerk kwam vooral van de Amerikanen, de Britten, de Fransen en de Russen zelf. De Amerikanen specialiseerden zich in technische middelen. Eerst ballonnen met camera's, later spionagevliegtuigen en satellieten. Allerhande communicatie werd onderschept. 'Men leunde zwaar op technische hulpmiddelen', zegt John Morrison. 'Amerika vond het verzamelen van menselijke informatie tijdverspilling. Menselijke bronnen waren onbetrouwbaar, duur en ze kostten veel tijd.'

Toch was niets zo waardevol als een goede bron aan de andere kant. In diplomatieke en militaire kringen bestond kennis over spionagesatellieten, geheime codes, de nieuwste afluisterapparatuur. Contacten werden vaak gelegd op diplomatieke cocktailparty's, waar inlichtingenofficieren aftastten welke attachés konden worden losgeweekt. Ondanks de vijandschap bestonden in de Koude Oorlog wél ongeschreven codes, zei Stella Rimington, voormalig hoofd van de Britse geheime dienst mi5, eens tegen buitenlandse journalisten. 'De KGB was ook een professionele inlichtingendienst en werkte volgens dezelfde regels. Als je een KGB'er volgde, dan probeerden ze je van zich af te schudden, maar je wist dat ze geen geweld gebruikten. Een terrorist draait zich om en schiet.'

De spionageactiviteiten van de Europese diensten leidden tot tal van 'affaires'. 'Oost-Berlijnse Romeo's werden op eenzame Julia's uit Bonn afgestuurd', zegt Wilhelm Dietl, spionage-expert van het Instituut voor Terrorisme-onderzoek in Essen. De 'Julia's' waren vaak secretaresses van politieke of ambtelijke sleutelfiguren die via het hoofdkussen ongewild geheime informatie prijsgaven. Inlichtingendiensten namen soms decennia de tijd om spionnen te laten infiltreren. Neem de Oost-Duitser Günter Guillaume, die in de jaren vijftig in Bonn werd gestald en zich opwerkte tot medewerker van bondskanselier Willy Brandt.

Volgens betrokkenen werkten de Europese diensten in die tijd samen waar dat nodig was. De toenmalige bvd wisselde bilateraal lustig informatie uit met andere NAVO-landen, bijvoorbeeld over verdachte Oostblok-diplomaten. 'Er werd dagelijks samengewerkt met bevriende diensten', zegt Roel Willemse van de AIVD. Maar daarover verschillen de meningen. Inlichtingenexpert en historicus Bob de Graaff van de Universiteit Utrecht stelt dat van echte samenwerking geen sprake was. 'Westerse inlichtingendiensten bespioneerden elkaar', zegt hij. 'Nederland luisterde het Italiaanse diplomatieke berichtenverkeer af om te weten wat er in Moskou speelde. Het was te ingewikkeld om het Russische berichtenverkeer af te luisteren. Dit soort dingen gebeurt nog steeds.'

High Noon

Totdat de Muur viel. In een klap was de vijand weg. Geheime diensten leken overbodig. 'De tijd van High Noon, met twee partijen tegenover elkaar, is voorbij', zei toenmalig bvd-hoofd Arthur Docters van Leeuwen destijds. Maar de gevaren waren volgens hem niet afgenomen. 'We zitten nu in een schietbioscoop waar steeds plotseling iemand opduikt.'

Dat gevoel had ook John Morrison van de Britse geheime dienst. 'Ongeveer tweederde van ons werk concentreerde zich op het Oostblok. Wat overbleef had een lage prioriteit. De politiek zag het verdwijnen van de militaire dreiging als een kans om een vredesdividend uit te keren en te bezuinigen op de inlichtingendiensten.' Toch was de wereld volgens Morrison onveiliger geworden. 'Allerlei oude conflicten waren onderdrukt door de Koude Oorlog, zoals op de Balkan. Overal ontstonden lokale conflicten waarvoor internationale vredesoperaties nodig waren, dus ook inlichtingen. Als je 24 uur per dag inlichtingen wilt hebben, heb je vijf mensen voor elke positie nodig. Juist toen werden mensen wegbezuinigd. De dienst raakte uitgeput.'

Ook de grootste inlichtingendienst ter wereld, de cia, had last van die ontwikkeling. In het midden van de jaren negentig kwamen volgens de onafhankelijke Amerikaanse 9/11 Commission per jaar nog maar vijfentwintig inlichtingenofficieren van The Farm, het cia-opleidingscentrum nabij Williamsburg. De commissie merkte ook op dat Al-Qaeda in diezelfde periode jaarlijks tweeduizend militanten opleidde in Osama bin Ladens trainingskampen. In die periode werd de kiem gelegd voor één van de grootste blunders van de cia: het 'missen' van de terreuraanslagen op 11 september 2001.

'Na 1989 bestond de gedachte dat de diensten vooral de wapenbeheersingsakkoorden zouden controleren', zegt De Graaff. 'De politiek ging ervan uit dat dat met technologische middelen zou gebeuren. Dáár richtte men zich op. Human intelligence, het onderhouden van netwerken met menselijke bronnen, werd afgebroken. Dat was letterlijk een doelstelling in de Amerikaanse politiek.' De Amerikanen kregen de rekening gepresenteerd. 'Niet alleen gooide de cia systematisch veel agenten overboord', schreef ex-cia-medewerker Robert Baer in zijn memoires See no Evil. 'Ze begon zich ook te ontdoen van haar vroegere managers: door de wol geverfde officieren die hun hele carrière in de meest helse oorden van de wereld hadden doorgebracht.'

Ook in Nederland had de Koude Oorlog gevolgen voor de inlichtingendiensten. 'Na 1989 waren we gedesoriënteerd', zegt Paul Abels van de AIVD. Kort na de val van de Muur had de bvd het kleinste aantal werknemers in haar bestaan: 538. Maar alle Europese diensten werden ingekrompen, ook mi5, de Bundesnachrichtendienst en de Militaire Inlichtingendienst. De Inlichtingendienst Buitenland (idb) werd zelfs opgeheven.

Reorganisatie van de bvd, die al vóór de val van de Muur was ingezet door Arthur Docters van Leeuwen, was hard nodig. In de Koude Oorlog was de dienst volgens Abels en Willemse verworden tot een log en weinig dynamisch apparaat met veel medewerkers die vaak te lang bleven vasthouden aan achterhaalde denkpatronen. 'bvd'ers werden niet geacht de dienst te verlaten om hun loopbaan elders voort te zetten', schreven Abels en Willemse in mei 2004 in een uitgave van de reeks Justitiële Verkenningen. 'De kring van ingewijden moest zo klein mogelijk blijven.' Inertie kenmerkte ook de top van de bvd die volgens hen zwaar steunde op het verleden.

Docters van Leeuwen gooide ook de koers van de inlichtingendienst om. Na de Koude Oorlog zag hij een 'complex patroon van wisselende dreigingen'. Zo werd in 1992 al ernstig rekening gehouden met de import van conflicten uit Afrika en het Midden-Oosten, met als grootste gevaar het terrorisme. 'Een waterdichte bescherming' tegen terrorisme was 'ook met de beste beveiligingsmaatregelen niet te bieden', schreef de dienst dat jaar.

De belangrijkste doelwitten voor de bvd waren toen al 'islamitisch-fundamentalistische groepen', maar ook de Sikhs, de eta en de Joegoslaven. Onder Docters concentreerde de bvd zich meer op bedreigingen van de rechtsstaat. 'De dienst was voorheen een buitenbeentje dat af en toe een buitenlands bericht naar Binnenlandse Zaken stuurde', zegt Paul Abels. 'Dankzij Docters groeide de bvd uit tot een dienst die meedenkt, adviseert en maatschappelijke ontwikkelingen analyseert'. Radicaliseringsprocessen moesten in kaart worden gebracht. Als je pas wakker wordt op het moment dat een islamist naar het Torentje fietst met een bom in zijn tas, ben je rijkelijk laat, was de redenering bij de dienst.

Alarmbellen

Maar zagen de geheime diensten de nieuwe vijand wel tijdig? Washington werd feitelijk pas gealarmeerd op 11 september 2001, hoewel er al eerder aanslagen waren geweest op het World Trade Center, op Amerikaanse oorlogsschepen en ambassades. Het besef dat Amerika op eigen bodem kon worden aangevallen was niet werkelijk doorgedrongen tot de politiek en de inlichtingendiensten, blijkt uit de analyses achteraf. De Britse inlichtingenman John Morrison: 'Ik stond een keer buiten het hoofdkwartier van de cia in Langley en zei tegen een Amerikaanse collega: met een paar RPG7-raketwerpers kun je van dit glazen gebouw een verschrikkelijke puinhoop maken. Men zei dat zoiets absoluut niet kon gebeuren in Amerika.'

In West-Europa rinkelden de alarmbellen kort na de val van de Muur. Zo werden de Fransen door radicale Algerijnen als doelwit beschouwd sinds Parijs in 1991 steun had verleend aan de regering in Algiers om de verkiezingsoverwinning van de islamisten te torpederen. Dat leidde tot radicalisering van groeperingen als de Groupe Islamique Armé (gia) waarin Al-Qaeda succesvol infiltreerde om in Europa voet aan de grond te krijgen. In de jaren negentig was Frankrijk verschillende keren doelwit van aanslagen.

'Voor ons kwam de kentering in 1994, toen met Kerstmis in Algiers een Franse Airbus werd gekaapt', zegt Pierre de Bousquet, hoofd van de veiligheidsdienst DST, op zijn kantoor in Parijs. Terroristen wilden met het toestel en ruim 220 passagiers een zelfmoordactie uitvoeren op de Eiffeltoren. Dat lukte niet omdat het vliegtuig wegens brandstoftekort moest uitwijken naar Marseille. Daar werd het bestormd. 'Deze kaping veroorzaakte een schok. Het was de eerste zelfmoordactie in naam van de jihad.' Frankrijk zag het gevaar van de islamisten alleen maar groeien. De radicale ideeën werden bij voorkeur verspreid in het geboorteland van veel Franse immigranten: Marokko, waar de bevolking vatbaar bleek voor extremistische varianten van de islam zoals het salafisme.

Ook de Duitse inlichtingendiensten hadden ver voor de aanslagen in Amerika het gevaar van radicale moslims onderkend. 'Voor ons was 11 september 2001 geen Stunde Null', zegt inlichtingencoördinator Ernst Uhrlau. De veiligheidsdiensten in de deelstaten, de Verfassungsschutz, hielden radicaliseringsprocessen al langer in de gaten. Anders dan Frankrijk, met een moslimgemeenschap van vijf miljoen Noord-Afrikanen, kent Duitsland overwegend Turkse moslims (3,5 miljoen). De grote Turkse islamvereniging Milli Görüs wordt al jaren in Duitsland 'geobserveerd', zegt Hartwig Möller, hoofd van de veiligheidsdienst in Noordrijn-Westfalen. Hij nam in de jaren negentig al islamwetenschappers aan. De dreiging lag allang niet meer bij links- of rechtsextremisme, maar bij islamistisch radicalisme, zegt Möller: 'Duitse veiligheidsagenten beschikten over allerlei aanwijzingen dat islamistische groeperingen erop uit zijn onze rechtsstaat omver te werpen en te vervangen door een islamistische godsstaat. We wisten nog niet dat sommige islamisten dit doel met geweld zouden proberen te bereiken, met bomaanslagen', zegt Möller, doelend op Amerika. De gevaarlijkste groepering werd die van Metin Kaplan, de leider van de - verboden - radicale moslimorganisatie van Turkse islamisten in Keulen, die met geweld een kalifaat wilde vestigen.

Na 11 september bleek dat Duitsland al twee decennia door Al-Qaeda werd gebruikt als toevluchtsoord, waar terroristen in alle rust aanslagen in de wereld konden voorbereiden. Dat ontdekte de Britse inlichtingenspecialist Rohan Gunaratna. Zo had Al-Qaeda in Afghanistan een speciale terreurcel getraind die een bomaanslag en een gifgasaanval beraamde op het Europees Parlement in Straatsburg, de kathedraal en de kerstmarkt. De cel was gehuisvest in Frankfurt, maar had vertakkingen naar Londen, Milaan en Spanje. Bij leden van de cel werd het zenuwgas sarin aangetroffen. Dat de terroristen werden ontdekt was alleen mogelijk door 'uitstekende samenwerking tussen de inlichtingendiensten in Italië, Groot-Brittannië, Spanje en Duitsland', zegt Uhrlau. Deze diensten werkten al sinds de jaren zeventig samen bij de bestrijding van nationale terreurorganisaties zoals de Duitse raf, de eta, de ira en de Italiaanse Rode Brigades. Toch konden de Duitsers niet voorkomen dat '11 september' grotendeels in Hamburg werd voorbereid. 'Dat was een verrassing', bekent Udo Nagel, minister van Binnenlandse Zaken in Hamburg. Maar het had volgens hem in elke studentenstad kunnen gebeuren.

Onvindbaar

De wereldwijde opkomst van radicale moslimgroeperingen plaatste de Europese inlichtingenwereld voor geweldige problemen. In tegenstelling tot de vijand achter het IJzeren Gordijn zijn de terreurorganisaties onzichtbaar, ondergronds, onvoorspelbaar en stateloos. Oude regels uit de Koude Oorlog werden ongeldig. Het oorlogsrecht is nooit vervangen door het terreurrecht - zelfs in een witte vlag kunnen springstoffen zitten. Áls de vijand van nu al op de cocktailparty van een westerse ambassade verschijnt, gebeurt dat onaangekondigd - en met een vrachtwagen vol explosieven, zegt een westerse inlichtingenofficier. Dreigen met een vergeldingsoorlog is zinloos - want tegen welk land? 'Na de aanslagen in Amerika vroegen alle Europese veiligheidsdiensten zich af: hoe kunnen we uitsluiten dat zoiets nog eens gebeurt?', zegt Möller van de Verfassungsschutz. 'Hebben we genoeg mensen, hebben we de juiste kennis? Hebben we de technische en juridische instrumenten, hebben we genoeg geld?'

Bovendien bleek 'de vijand' haast onvindbaar, verspreid over tientallen landen. Inlichtingenspecialist Bob de Graaff: 'Alleen al in Guantánamo Bay zitten 43 nationaliteiten bij elkaar - Australiërs, Belgen, Amerikanen en Britten. Dat waren alleen nog maar strijders die in Afghanistan waren opgepakt.' Morrison, ex-chef van de Britse militaire inlichtingendienst, noemt Al-Qaeda een 'franchise-organisatie'. Er zijn talloze organisaties die zich spiegelen aan Al-Qaeda, maar waarvan ook Osama bin Laden het bestaan niet kent.

De strijd tegen het hit-and-die-terrorisme toonde aan dat veel spionagemethoden onbruikbaar waren geworden. Met name de Amerikanen kregen spijt van hun eenzijdige inlichtingenbeleid, gericht op technologische superioriteit. Met supercomputers konden zij geheime codes kraken, met schotels miljoenen telefoongesprekken en e-mails onderscheppen, vanuit satellieten konden zij troepenbewegingen en raketinstallaties in de gaten houden, zelfs nummerborden lezen vanuit de ruimte. Maar Osama bin Laden liet zich in Afghanistan vervoeren door een kameel, terwijl zijn volgelingen plannen smeedden boven een sportschool op de Steindamm in Hamburg of in een Haagse volkswijk.

Morrison: 'Je kreeg de idiote situatie dat president Clinton in 1998 tientallen kruisraketten liet afvuren op de tenten van Osama bin Laden in Afghanistan. Niet de meest efficiënte manier om terroristen uit te schakelen.' Volgens voormalig CIA-medewerker Baer, die jarenlang als inlichtingenofficier in Libanon doobracht, was zijn dienst 'verliefd geraakt' op technologie. Geen wonder, stelt Baer, dat de CIA geen bronnen had in de moskeeën van Hamburg, om te vertellen dat Mohammed Atta bezig was met het rekruteren van zelfmoordpiloten.

Dat falen had ook te maken met menselijke beperkingen. De Amerikanen, en ook de Britten, onderscheppen zoveel gesprekken in zoveel talen dat slechts een fractie daarvan wordt getranscribeerd. Zoals Docters van Leeuwen ooit zei over de bvd: 'Wij waren op zoek naar een speld in een hooiberg, dus verzamelden wij hooibergen.' Maar het afluisteren van gesprekken blijkt een groot probleem. 'Er zijn tientallen talen en honderden dialecten van Azerbajdzjan via Jemen tot aan het Rifgebergte', zegt de Duitse inlichtingenspecialist Dietl. 'Daarnaast praten terroristen in code. Als iemand zegt: ”De speelgoedauto's zijn onderweg, stuur de kinderen”, komt er dan een aanslag?' Osama bin Laden en andere terroristenleiders schakelden bovendien enkele jaren geleden over op andere middelen dan de satelliettelefoon: boodschappers op ezels in de Afghaanse bergen.

Hoofdprijs het paradijs

Ook het verzamelen van informatie uit menselijke bronnen is anders dan tijdens de Koude Oorlog. Viel een Oost-Duitser of Rus nog te paaien met een smak geld of een cottage in Cornwall, 'de tegenpartij van tegenwoordig biedt de moslim de hemel aan, het paradijs', zegt Dietl. 'Iets beter kunnen wij niet verzinnen. Ze zijn heel religieus, niet of nauwelijks omkoopbaar en ze zullen hun eigen burgers niet gauw verraden. De grote massa heeft angst voor wraak van hun geloofsbroeders. Ze komen allemaal uit landen waar ze werden onderdrukt. In de ddr beloofde je iemand een Golfje in plaats van een Trabant. Dan was het snel gepiept.'

Door de grote taal- en cultuurverschillen zijn infiltratie en rekrutering van agenten uit islamitische gemeenschappen vaak moeilijk. Toch zal het daar van moeten komen, zegt John Morrison. 'De militaire capaciteiten van de tegenstander zijn tegenwoordig rudimentair, maar ze kunnen veel schade aanrichten.

Je wilt weten wie de kleine wapens heeft, wie de baas is, welke plannen ze hebben. Dergelijke informatie krijg je alleen van mensen.'

Vaak begint dat werk op straat. 'Je moet inlichtingenofficieren hebben die gaan praten met de hoofdonderwijzer, de dokter - mensen die invloed hebben. Zo probeer je verder te komen.'

Doordringen tot de top van Al-Qaeda lijkt vrijwel onmogelijk. Om maar een dilemma te noemen: wie diep wil infiltreren in een terroristische groepering moet waarschijnlijk deelnemen aan een terroristische actie om zijn naam te vestigen. Weinig inlichtingendiensten durven zover te gaan.

De diensten hebben sinds 11 september 2001 miljoenen gestoken in het opleiden van inlichtingenofficieren. Maar iemand die vloeiend Arabisch wil leren en daarnaast moet worden opgeleid als inlichtingenofficier, is zo zeven jaar verder. Bovendien bestaat het gevaar dat de diensten 'de vorige oorlog' gaan uitvechten: nú is het handig om Arabisch-sprekende medewerkers te hebben, maar mogelijk is het Tsjetsjeens over acht jaar meer gewild, of Urdu of Farsi.

Mede om die reden werven westerse inlichtingendiensten liever medewerkers uit Arabischtalige gemeenschappen. Maar dat is gevaarlijk. 'In Amerika is de rekrutering en de opleiding van die taalspecialisten versneld, maar dat levert risico's op', zegt Bob de Graaff. 'De CIA heeft al verschillende keren geconstateerd dat Arabisch sprekend personeel informatie trachtte door te spelen naar gevangenen of terroristen.' De Nederlandse inlichtingendienst kan er over meepraten, sinds een Marokkaanse vertaler dossiers bleek te lekken naar terreurverdachten.

AIVD-hoofd Van Hulst was 'des dúívels' toen hij het hoorde. 'Ik dacht: o néé! Een gevoel van schaamte. Heel vervelend voor de dienst, voor het imago. Iemand in het Haagse circuit zei: ach Sybrand, je bevindt je in het beste gezelschap, over de hele wereld wordt gelekt. Maar ik vond het een dráma.' Van Hulst wil het ook niet overdrijven. 'Het is voor het eerst in vijftig jaar. Wij screenen zeer zorgvuldig, maar het blijft mensenwerk. Bovendien: als iemand vandaag gescreend is, wil dat niet zeggen dat hij over twee jaar nog steeds loyaal is.' Ook de AIVD is zich er van bewust dat de aanstaande personeelsuitbreiding met enkele honderden mensen het risico van infiltratie met zich meebrengt.

Toch voelen de diensten zich niet kansloos tegen het internationale terrorisme. Infiltratie van radicale netwerken is voor de Franse dienst prioriteit nummer één, zegt het hoofd van de Franse veiligheidsdienst De Bousquet. Dankzij de vroegere koloniale banden is er geen gebrek aan vertalers of spionnen. Uiteraard onderscheppen Fransen telefoongesprekken, e-mails, communicatie in gebouwen en in auto's. 'Menselijke bronnen zijn heel belangrijk, maar het is vanzelfsprekend dat bij operatieve acties gebruik wordt gemaakt van alle moderne technieken die er zijn', zegt De Bousquet. 'De tegenstander maakt er immers volop gebruik van.'

Net als vroeger worden peilbakens gebruikt om extremisten te kunnen volgen, en op steeds meer plaatsen worden moskeeën en woningen van extremisten afgeluisterd. Dat geldt niet voor een land als Zweden, waar afluisteren nog steeds verboden is, zegt plaatsvervangend directeur Anders Thornberg van de Säkerhetspolisen, de binnenlandse veiligheidsdienst. Zijn dienst werft daarom des te meer onder de islamitische bevolking, en veel opener dan de zusterdiensten in Europa. 'We gaan naar islamitische gemeenschappen, imams, moskeeën, extremistische groeperingen. Wij zeggen: hier zijn we, we hebben een probleem met de veiligheid, met extremisten, en dat willen we oplossen. Als u informatie heeft die voor ons van belang kan zijn, dan kunt u ons altijd bereiken.' Die strategie werkt goed, zegt Thornberg. 'We krijgen veel reacties van moslims die vinden dat de terroristen de islam een slechte naam geven. Die hebben zich bij ons gemeld met informatie. Anderen willen voor ons werken omdat ze geld willen verdienen, zoals gebeurde in de Koude Oorlog.'

Maar het moeilijkste, en dat geldt voor alle diensten, is het kaf van het koren te scheiden, 'want wanneer radicaliseert een fundamentalistische moslim?', vraagt De Bousquet. Wanneer is hij bereid tot gewelddadige acties over te gaan? Dat zijn de cruciale vragen waar de Europese diensten in Europa voor staan.

Europese samenwerking

Van doorslaggevend belang in de strijd tegen het terrorisme is de samenwerking tussen de Europese diensten, stellen Thornberg, De Bousquet, Uhrlau en andere inlichtingenexperts. Een terreurnetwerk waarvan de contacten zich uitstrekken van Madrid tot Amsterdam, Hamburg, Tanger, Karachi, Düsseldorf, Londen, Roosendaal en Jakarta is volstrekt normaal. In weerwil van wat in media wordt bericht, bezweren de Europese veiligheidsdiensten dat de samenwerking beduidend beter is dan de publieke opinie veronderstelt. 'We hebben dagelijks contact met alle diensten in Europa', vertelt Paul Abels van de AIVD. 'Dat gaat 24 uur per dag door, ook in de weekeinden. Je checkt telefoonnummers, personen die in onderzoeken opduiken.'

Een voorbeeld: de Britse inlichtingendienst mi5 komt een Marokkaan op het spoor die mogelijk bezig is met een aanslag. Zijn telefoon wordt getapt. Hij belt met twee personen in Hamburg, met één in Rotterdam, met verschillende mensen in Madrid, een paar in Marseille. De Britten vragen hun collega's in Duitsland, Nederland, Spanje en Frankrijk dan of zij meer details kunnen geven over de personen die bij die telefoonnummers horen, of zij bekend zijn bij de veiligheidsdienst, en met wie zíj weer bellen. Er worden meer taps gezet, observatieteams ingezet. Er worden meer telefoonnummers verzameld. Sommige contacten blijken onschuldig - de pizzakoerier, de voetbalclub - die nummers worden geschrapt. Even verder in het onderzoek, bij een huiszoeking, wordt een agenda gevonden, met namen erin. Nog meer landen, nog meer namen, nog meer nummers. 'Zo heb je in een paar dagen tijd een heel netwerk in beeld', zegt een Duitse terreurbestrijder. Dergelijke informatie wordt dagelijks uitgewisseld in Europa. Bilateraal. Hamburg belt Leidschendam. Londen belt Stockholm. Rome belt Madrid, en desnoods Leidschendam. Alles bilateraal, op basis van need to know. Alleen de hoogst noodzakelijke kennis wordt gedeeld om de bronnen optimaal te kunnen beschermen.

De problemen beginnen al als de informatie door méér dan twee diensten moet worden gedeeld, zegt de Britse inlichtingenman Morrison. 'Twee landen kunnen een goede relatie hebben als het gaat om het delen van inlichtingen, bij drie wordt het ingewikkeld, bij vier landen is het afgelopen. Dan heb ik het over harde, operationele inlichtingen, niet over de dreigingsanalyses die worden gedeeld binnen de NAVO.'

Wat het delen van informatie betreft is de inlichtingenwereld, waar alles draait om informatie en bronnen die het moeten leveren, kopschuw. Begrijpelijk. Eén slordigheid van een inlichtingendienst en een bron in een ander land kan opgeblazen zijn en daardoor in levensgevaar komen. 'Als je in Nederland een echt goede bron hebt, bijvoorbeeld in een groep rond Al-Qaeda, bedenk je je wel drie keer voordat je die informatie deelt', zegt de Brit Morrison. 'Stel dat je alle Europese diensten inlicht... Als maar één land het niet zo nauw neemt met de veiligheid, is je bron weg. Dat kan fataal zijn.'

Dit is precies de reden dat een volledige samenwerking tussen de inlichtingendiensten nooit van de grond zal komen, zeggen alle betrokkenen. Sinds de oorlog in Irak is er nog een probleem bij gekomen: regeringen deinzen er niet voor terug inlichtingen om politieke redenenen te manipuleren. Morrison maakte het persoonlijk mee in Groot-Brittannië, toen premier Blair inlichtingen van Morrisons eigen dis zodanig presenteerde dat Saddam Hussein een gevaar leek voor de Britse belangen. 'En dat was hij niet', zegt Morrison. Hetzelfde gebeurde in Amerika met informatie van de CIA. 'Dergelijke politisering van het inlichtingenwerk is rampzalig en schadelijk', zegt de Britse terrorisme-expert Paul Wilkinson van de Universiteit van St. Andrews. Het selectief en politiek gebruik van inlichtingen kweekt wantrouwen tussen landen die juist zo zijn aangewezen op samenwerking.

Sociale ontwikkelingen

Om radicaliseringstendenzen zo snel mogelijk te kunnen waarnemen hebben de inlichtingendiensten noodgedwongen steeds meer aandacht gekregen voor sociale ontwikkelingen binnen de maatschappij. Ook de Nederlandse AIVD. Schreef de bvd vroeger vooral ambtsberichten over binnenlandse dreigingen, nu houden medewerkers allerlei trends bij in gemeenschappen, onderstrepen zij de noodzaak van integratie en verzetten zij zich tegen stigmatisering van migranten. Onderzoek naar de fase vóórdat moslims radicaliseren gebeurt ook in Frankrijk, waar de onderzoeksafdeling van de Franse inlichtingendienst, de Direction Centrale des Renseignements Généraux, afgelopen zomer een studie maakte van ruim zeshonderd 'gevoelige' wijken, achterstandsgebieden, waar een toename van het aantal radicale jonge moslims wordt gesignaleerd. 'Het is moeilijk over groepen te praten', zegt DST-chef De Bousquet. Vaak zijn het vrienden uit hetzelfde district, jongens die vastlopen, met hun studie, hun werk, gefrustreerd raken over de situatie hier en thuis in het gezin. Zodra ze elkaar ontmoeten rondom een religieuze figuur met een sterk charisma, in de moskee of in huiskamers, zegt De Bousquet, kan een groep ontstaan die gaandeweg radicaler opvattingen ontwikkelt. Een patroon dat de Nederlandse inlichtingendienst ook waarnam bij het zogenaamde Hofstadnetwerk, waartoe de verdachte van de moord op Theo van Gogh behoorde.

Bij het aftappen van telefoons en het afluisteren van gesprekken tussen moslims hoort de Franse dienst verontrustende dialogen die reden zijn de paraatheid te verhogen. Bijvoorbeeld tijdens een bijeenkomst in een islamitisch centrum in een voorstad van Parijs, waar salafistische mannen en zwaar gesluierde vrouwen zich recent verzamelden.

Vraag van een gelovige: 'Mag ik met een vrouw spreken?'

Antwoord: 'Het is iedere moslim verboden met een andere vrouw dan zijn eigen vrouw te spreken.'

'Mag ik naar de dokter?'

'Het is een zieke niet toegestaan een dokter te roepen of medicijnen te nemen. Alleen God geneest.'

Dit is opgetekend uit uitgelekte afluisterpraktijken van twee Franse onderzoeksjournalisten, die in hun boek Les islamistes sont déjà là (De islamisten zijn er al) een alarmerend beeld schetsen van het radicaliseringsproces onder moslims in Parijs en omgeving. Ze baseren zich op informatie van de geheime diensten, die spreken over een 'geheime oorlog', deels gefinancierd met Saoedisch geld. Extremistische moslims proberen overal een voet tussen de deur te krijgen: in scholen, jongerenverenigingen, zelfs huiswerkclubs. Zover reikt het werkterrein van agenten die voor de diensten werken, niet alleen in Frankrijk, ook in Groot-Brittannië, Duitsland, Spanje en in Nederland. AIVD-hoofd Van Hulst: 'De AIVD verricht offensieve, diepe, langdurige infiltraties. Soms met andere landen, soms op eigen kracht. Grote operaties. Het vraagt soms jarenlang investeren voordat je er rendement van hebt.'

Maar infiltratie is van groot belang om ronselaars van radicale moslimjongeren te kunnen identificeren. Want er wordt volop geronseld, weten Duitse, Franse, Spaanse en Nederlandse inlichtingenagenten. Bij voorbeeld in gevangenissen, in Nederland en in Spanje. 'Ik breng je het goede nieuws dat een groep met goede broeders is gevormd die bereid zijn op ieder willekeurig moment hun leven te geven in het belang van God', staat bij voorbeeld in een brief uit 2001 van Mohammed A., die banden had met de Hofstadgroep, aan een andere radicale moslim in de gevangenis. Beiden zitten op dat moment in Spanje vast. 'Het wachten is op onze vrijlating. We hebben de mankracht, ook wapens en jij bent met ons.' Was getekend: de emir van de Salafisten Groep. Mohammed A., verdacht van het beramen van grootschalige terreuracties in Madrid, was binnen de celmuren bezig nieuwe terroristen te rekruteren, waarbij de gevangenispatio al werd gebruikt voor exercities. Ook in Nederlandse gevangenissen wordt gerekruteerd, merkte de AIVD.

De Franse veiligheidsdienst schat het aantal islamistische extremisten op vele duizenden, mogelijk tienduizenden. Duitsland schat de groep islamitische fundamentalisten op zo'n 32.000. 'Dat zijn radicale moslims die de Gottesstaat willen', zegt Hartwig Möller van de Verfassungsschutz in Düsseldorf. Degenen die de Duitse diensten gericht in de gaten houden worden Gefährder genoemd. 'Dat zijn personen tegen wie we niets kunnen doen, die we niet kunnen arresteren omdat er niets te bewijzen valt. Maar we hebben aanwijzingen dat zij in staat zijn gewelddadige acties uit te voeren.' Dergelijke groepen zijn bij alle Europese veiligheidsdiensten bekend: ze waren in opleidingskampen in Afghanistan, in Bosnië, Tsjetsjenië en ze nemen deel aan het verzet tegen de Amerikanen in Irak. Möller: 'Het hoeft niet te betekenen dat ze in Duitsland tot acties overgaan. Maar je moet ze wel intensief in de gaten houden wil je dat voorkomen.' Möller schat hun aantal in Duitsland op mogelijk driehonderd man. 'Het lijkt niet veel, maar voor een aanslag - waarbij vaak ook steun van buitenaf komt - zijn ook niet veel mensen nodig.'

De regels van de rechtsstaat

Nederland telt in potentie zo'n 5.000 fundamentalistische moslims, op een totaal van 900.000 moslims. De harde kern, die bereid is geweld te gebruiken en in de gaten wordt gehouden door de AIVD, bestaat uit honderd tot tweehonderd man. Twee jaar geleden stelde de dienst vast dat rekrutering van moslimjongeren voor de jihad in Nederland allang niet meer kan worden afgedaan als 'incident'. Zij vormen een 'directe bedreiging voor de Nederlandse en internationale democratische rechtsorde'.

Maar de diensten die het terrorisme moeten bestrijden hebben geen carte blanche: ze hebben te maken met de regels van de rechtsstaat. De Nederlandse inlichtingendienst was niet verbaasd toen Mohammed B. verdacht werd van de moord op Van Gogh. Zijn telefoon was al afgeluisterd, zijn huis was in de gaten gehouden. Tóch lukte het niet de moord te voorkomen.

'De oprechte verbazing van mensen na zo'n traumatische gebeurtenis is heel verklaarbaar', zegt AIVD-hoofd Van Hulst. Zodra iedereen tot bezinning gekomen is, moeten de beleidsmakers zich volgens hem realiseren dat het nagenoeg onmogelijk is om zekerheid te bieden dat ieder die 'doorgeradicaliseerd' is en zo'n daad zou kunnen plegen, maandenlang, 24 uur per dag, in de gaten kan worden gehouden.

Wat in Amerika gebeurt in naam van de War on Terrorism, is in West-Europa volstrekt taboe. Na 11 september 2001 werden honderden potentiële terroristen opgepakt, van wie velen al drie jaar preventief gevangen worden gehouden in Guantánamo Bay. Hun rechten op een advocaat of op een tijdige voorgeleiding voor de rechter zijn opgeschort. Dat is in strijd met alle internationale conventies. 'We kunnen mensen niet arresteren omdat ze bepaalde kleding dragen', zei minister Donner (Justitie) onlangs hierover. De Canadese politicoloog en mensenrechtenexpert Michael Ignatieff zegt het zo: 'Een democratische rechtsstaat moet vechten met één hand op de rug gebonden.'

Desondanks hebben alle Europese landen de juridische teugels aangetrokken na de aanslagen in Amerika. In Groot-Brittannië kunnen tot geweld en haat oproepende imams in de gevangenis worden gezet. Het is (nog) mogelijk buitenlanders, die verdacht worden van mogelijke terroristische activiteiten, zonder proces voor onbepaalde tijd gevangen te zetten. Vorige maand kondigde de regering-Blair hardere maatregelen aan, zoals speciale tribunalen zonder jury of het opsluiten van mensen die geen enkel strafbaar feit hebben begaan. In Spanje kunnen verdachten van terrorisme twee weken worden vastgehouden zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld, het kan vier jaar duren voordat een proces volgt.

Nederland en Duitsland kennen dergelijke antiterreurmaatregelen niet. Wel is ronselen voor de jihad in Nederland ondertussen strafbaar. Maar het aanscherpen van de wetgeving gaat terreurbestrijders veel te langzaam. In Nederland is bijvoorbeeld voor het aftappen van telefoons elke drie maanden toestemming van de minister nodig. Die periode wordt nu verlengd, terwijl het de veiligheidsdiensten ook mogelijk wordt gemaakt een potentiële terroristische actie te verstoren. Maar er blijven belemmeringen genoeg: voor staatsgevaarlijke personen mag geen val worden gezet, zoals in Amerika en Groot-Brittannië en de aanwijzing van agenten en informanten verloopt via een ingewikkelde bureaucratische procedure.

De Duitsers mogen nog minder, wat gezien de aberraties tijdens de Tweede Wereldoorlog niet verbaast, maar het drijft terrorismebestrijders regelmatig tot wanhoop. 'Zodra we informatie krijgen dat een gevaarlijke persoon uit een risicoland Duitsland binnenkomt, en we hebben geen naam, enkel een mobiel telefoonnummer, staan we nagenoeg met lege handen als gevolg van onze rechtsstaat', zegt Udo Nagel, minister van Binnenlandse Zaken in Hamburg. De bescherming van persoonsgegevens laat het afluisteren van een mobiele telefoon in zo'n situatie niet toe. Maar de Duitse inlichtingendiensten kunnen wel íets doen: bijvoorbeeld preventief afluisteren, wat nu in de ene na de andere Duitse deelstaat wordt ingevoerd - ook bij Nagel in Hamburg.

Iemand enkel op grond van verdenking oppakken, zoals de Britse regering voorstelt in een verscherpt pakket antiterreurmaatregelen, is in Duitsland onmogelijk. 'En natuurlijk kunnen en mogen we niemand naar een land uitwijzen waar bijvoorbeeld de doodstraf dreigt of waar gefolterd wordt', zegt Nagel. Hij wijst op de zaak-Kaplan, de radicale moslimleider in Keulen die opriep tot geweld. 'Moslimextremisten testen de grenzen van onze rechtsstaat tot het uiterste.' Nagel somt op: er komt een beschikking, hoger beroep, een nieuwe beschikking, de administratieve rechtbank, het Verwaltungsgericht komt eraan te pas, dan het Oberverwaltungsgericht, het Bundesverwaltungsgericht. Nagel zucht. Het duurde vele jaren voor Kaplan aan Turkije werd uitgeleverd. 'Maar we hébben hem uitgeleverd.'

Sinds kort biedt het Duitse recht omtrent migranten de mogelijkheid verdachten van terreur het land uit te zetten. In Hamburg loopt al enkele maanden de eerste grotere uitzettingsprocedure tegen Mounir al-Motassadeq en Abdelghani Mzoudi, die er beiden van worden verdacht de terreurcel rondom Mohammed Atta te hebben ondersteund. Hoewel Motassadeq een jaar geleden medeplichtig werd bevonden aan de moord op 3.066 mensen, en tot 15 jaar was veroordeeld, kwam hij weer op vrije voeten nadat hij hoger beroep had aangetekend bij de federale rechtbank. Ook Mzoudi kon met de wet in de hand nog steeds niet worden vastgezet. Mochten ze volgens de regels van de rechtsstaat niet veroordeeld worden, zal justitie in Hamburg iedere juridische mogelijkheid gebruiken om Motassadeq en Mzoudi via het migrantenrecht het land uit te krijgen.

'Buitengewoon frustrerend', zegt Nagel dat het zo lang duurt. Hij is dan ook een warm pleitbezorger van het verkorten van procedures. 'Maar dit zijn de spelregels in onze democratie, die desondanks, na de historische ervaringen, een heel weerbare democratie is.' En hij wil toch ook kwijt dat de succesvolle manier waarop begin deze maand een mogelijke terreuraanslag werd verijdeld op de Iraakse president Allawi bij zijn bezoek aan Duitsland, aantoont dat 'we in Duitsland doorgaans effectieve middelen tot onze beschikking hebben'.

Van de bescherming van persoonsgegevens hebben de Franse diensten nauwelijks last. Voor het afluisteren van telefoongesprekken bestaat een instrument waar geen rechter aan te pas komt; het belang van de staat gaat boven het individuele belang van de burger. Ondertussen droomt minister Schily van Binnenlandse Zaken in Berlijn van een Duitse FBI. Hij wil het politieapparaat het liefst ondersteboven keren, zodat het inzetten van veiligheidsmensen en opsporingsagenten centraal wordt aangestuurd. Meer macht voor de politie, een sterkere veiligheidsdienst en een centraal antiterreurcentrum in Berlijn. Maar zover is het nog lang niet. Een dergelijke centralisering is het begin van het einde van het Duitse federalisme op het gebied van binnenlandse veiligheid. Na de oorlog was er juist voor gekozen om de bevoegdheden van politie, veiligheidsdiensten en justitie strikt te scheiden - om Gestapo-achtige toestanden te voorkomen.

Diezelfde scheiding tussen inlichtingenwerk en politieopsporing kent Nederland ook. 'Die scheiding moet er zijn', vindt AIVD-er Willemse. De politie is er voor de handhaving van de openbare orde en strafbare feiten, veiligheidsdiensten gebruiken middelen die geen rechtsgevolgen hebben voor mensen tegen wie ze zijn ingezet. 'We willen geen rechtsstaat die zonder serieuze vermoedens van een strafbaar feit middelen gaat inzetten tegen burgers die zich niet kunnen verweren', zegt Willemse. 'Het is verdomde waardevol dat burgers geen angst hebben voor de nachtelijke klop op de deur. Dat zijn KGB-methoden.'

Gebrek aan samenwerking

In Duitsland, Nederland, maar ook in Spanje, werken de diensten in de veiligheidsketen met enige regelmaat straal langs elkaar. Zo werd de Spaanse inlichtingendienst na de aanslagen van 11 maart belangrijke informatie uit het politieonderzoek onthouden. 'Niemand heeft ons verteld van het bestelwagentje dat bij een treinstation was aangetroffen met resten springstoffen en ontstekingsmechanismen', zegt een bron bij die inlichtingendienst. 'Aanvankelijk kregen we te horen dat de springstof titadyne was, die door de eta wordt gebruikt. Later bleek het om Goma2 te gaan, een Spaans fabrikaat geroofd uit een mijn in Asturië.'

'Samenwerking is the name of the game', zegt Jorge Descallar, tot april dit jaar directeur van de Spaanse inlichtingendienst cni. In Europees verband werd informatie pas een week later uitgewisseld.

Toch zijn daar soms goede redenen voor, zegt de Tilburgse hoogleraar strafrecht Cyrille Fijnaut, die onderzoek deed naar de positie van inlichtingendiensten. 'Het is te gemakkelijk om te roepen dat er niet wordt samengewerkt tussen de diensten en de politie. Een reden kan zijn de veiligheid van mensen of bronbescherming. Soms vindt de inlichtingendienst het belangrijk een verdachte langer te kunnen volgen omdat zij andere verdachten of cellen in beeld wil krijgen. De politie kan wel eens hele andere afwegingen maken.' In de zaak-Mohammed B. beklaagde de Amsterdamse burgemeester Cohen zich over de gebrekkige informatievoorziening door de AIVD. De Amsterdamse driehoek van politie, burgemeester en justitie zou onvoldoende door de AIVD op de hoogte zijn gebracht van terroristische gevaren in de hoofdstad. In werkelijkheid wisten de regionale inlichtingendiensten, de AIVD en de Amsterdamse recherche in de zaak-Mohammed B. exact van elkaar waar ze mee bezig waren. Toch stelde ook de commissie-Havermans, die de AIVD afgelopen jaar doorlichtte, recent vast dat het 'ontbreekt aan adequate communicatie met en vanuit de AIVD, wat andere ketenpartners en belangendragers frustreert'.

Vaak is het dus een kwestie van culturen. Het is maar één van de struikelblokken bij de Europese samenwerking op het gebied van terreurbestrijding. DST-chef Pierre de Bousquet huivert bij het idee van terrorismebestrijding op Europees niveau. 'Samenwerking in een Europese FBI is in de huidige omstandigheden onmogelijk, omdat landen heel verschillende wetten en juridische systemen hebben, en een verschillende organisatie van de geheime diensten bij de nationale veiligheid.' In het centralistisch georganiseerde Frankrijk is Schily's droom van een nationale FBI al decennia realiteit. Inlichtingendiensten, politie en justitie zijn in de strijd tegen het terrorisme verenigd. 'We kunnen inlichtingen inwinnen, opsporen, verdachten arresteren, berechten en zo nodig uitzetten. De lijnen zijn kort. Het werkt heel efficiënt', aldus De Bousquet. Toch is samenwerking met buitenlandse diensten essentieel. Maar op bilateraal niveau - tussen landen.

De Europese veiligheidsdiensten werken al sinds eind jaren zestig samen in de zogenaamde Club de Berne, waar de hoofden elkaar regelmatig ontmoeten. In 2001 werd de Counter Terrorist Group opgericht waarin de directeuren contraterrorisme van de toen vijftien eu-landen plus Zwitserland en Noorwegen bij elkaar komen. Veel verder zal de samenwerking niet gaan, erkent Gijs de Vries, die na de aanslagen in Madrid werd benoemd tot Europees antiterreurcoördinator. 'Geen enkel land wil een Europese politie of Europese veiligheidsdiensten', zegt hij. 'Regeringen en parlementen willen dat de veiligheid, als hart van de natiestaat, nationaal georganiseerd blijft.'

De invloed van de nationale politiek op de inlichtingendiensten is groot en geheime diensten worden - zeker in tijden van oorlog - herhaaldelijk onder druk gezet om politiek welgevallige informatie te leveren. Daar kan ex-inlichtingenman John Morrison van meepraten. Hij werd afgelopen zomer als onderzoeker voor de parlementaire commissie voor de inlichtingendiensten de laan uit gestuurd door de Britse regering, omdat hij zich kritisch had uitgelaten over de wijze waarop Tony Blair de inlichtingendiensten had misbruikt in de strijd tegen Saddam Hussein.

Aanslagen voorkomen

Toch is de internationale samenwerking beduidend beter dan het publiek gelooft, oordeelt de Duitse inlichtingencoördinator Ernst Uhrlau. De Europese diensten hebben de afgelopen jaren het nodige gedaan om aanslagen te verhinderen, stelt ook Van Hulst van de AIVD. 'Zeker enkele tientallen aanslagen zijn in Europa de laatste jaren voorkomen, doordat diensten elkaar cruciale informatie toespeelden over verdachten', zegt hij.

Ondertussen maken de diensten zich zorgen om het veranderende gezicht van de terrorist. De moord op Van Gogh heeft niet alleen terreurbestrijders in Leidschendam, maar ook in Berlijn en Parijs aan het denken gezet. Waren de terroristen tot nog toe extremistische moslims die in Afghanistan of Pakistan waren opgeleid, bij Van Gogh gaat het om een verdachte die in Slotervaart is geboren en getogen. Wat gaat er gebeuren, als in West-Europa het leger kansarme migrantenjongeren groeit, gefrustreerd omdat ze geen wortel schieten in deze samenleving? Deze vraag speelt DST-chef De Bousquet sindsdien door het hoofd. Dat is geen werk meer voor inlichtingendiensten, maar het is wel een boodschap die hij de politiek wil meegeven. Preventief optreden is essentieel, en dat interpreteert de Franse inlichtingenchef anders dan het Witte Huis. 'We moeten niet naïef zijn. Als je met een tegenstander te maken hebt die vastbesloten is de basis van onze samenleving te ondermijnen, dan moeten onze maatschappijen zich tot het uiterste verdedigen - mét behoud van alle waarden die ons in het oude Europa binden, zoals mensenrechten, de rechtsstaat en vrijheid van meningsuiting.'

Maar tegelijkertijd moeten de diensten - met alle aandacht voor islamitische extremisten - andere bedreigingen niet uit het oog verliezen, zegt De Bousquet, net als Van Hulst. 'Er lopen meer Mohammed B. 's rond en zij vormen een reëel gevaar', aldus de AIVD-chef. Maar hij maakt zich ook zorgen dat terroristen zich kunnen gaan bedienen van massavernietigings- en biologische wapens. 'De mogelijke verspreiding van deze vreselijke middelen, van kernwapens, in landen als Noord-Korea, Pakistan, India, Iran, vormt een ernstige bedreiging.'

In Londen zijn al diverse moslimterreurcellen opgerold die een chemische aanval van plan waren. In het Franse Romainville is twee jaar geleden een groep Tsjetsjeense terroristen gepakt, die met biologische wapens een aanval op de Russische ambassade wilden uitvoeren, zegt De Bousquet. 'We weten ook dat Al-Qaeda geprobeerd heeft in laboratoria in Afghanistan, Pakistan en een gebied in Noord-Irak, buiten de controle van Saddams regime, nucleaire middelen te ontwikkelen en er mee te experimenteren. Dat is tot nu toe nooit gelukt, maar een chemische aanval is relatief eenvoudig te realiseren en kan, zelfs als er weinig slachtoffers vallen, psychologisch een vernietigend effect hebben.' Veiliger is de wereld er met de globalisering van nieuwe dreigingen niet op geworden.

Uhrlau ziet meer conflicten dan oplossingen voor conflicten. Deze reiken verder dan het werkterrein van de inlichtingendiensten-nieuwe-stijl. 'Nederland heeft in ieder geval de taak, in internationaal verband, erop aan te dringen dat de ontwikkeling van massavernietigingswapens wordt tegengegaan opdat dergelijke wapens niet in handen van terroristen vallen', vindt Van Hulst. Ook het idee dat Russen hier niet meer spioneren is een misvatting. Militaire, politieke en economische spionage vindt plaats - ook door andere landen die hier belangen hebben. 'Hier moet onze aandacht ook op gericht zijn. We moeten voorkomen dat we over tien jaar zeggen: deze gevaren hebben we destijds niet gezien.' M

Met medewerking van Steven Adolf, correspondent NRC Handelsblad in Madrid, en Cees Wiebes, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam.

Rob Schoof en Michèle de Waard zijn redacteur van NRC Handelsblad.