`De bijbel zou meer richtsnoer moeten zijn'

`Hofpredikant' ds. Carel ter Linden ging voor in diensten van de koninklijke familie.

`Een dienst leiden op verzoek van een lid van de koninklijke familie is een hachelijk avontuur. Niet om de miljoenen die thuis kijken, daar kan ik me niets bij voorstellen. Ik richt mij op de naast betrokkenen, hen wil ik bereiken, dan vertrouw ik erop dat het zich vermenigvuldigt. Het is hachelijk omdat je niet weet of je verstaan zult worden, of je ook mensen bereikt die vreemd opkijken wanneer het woord `God' valt en die dan wellicht denken: `Gelooft die dominee daar zelf wel in?' Of als ik bid, denken: `Gelooft hij zelf wel in zo'n Opperwezen?'

Maar ik doe geen concessies aan het verhaal van de bijbel, ik zou ook niet weten hoe dat moest. Wel weet ik dat je altijd een taal moet spreken die aanslaat in een geseculariseerde wereld. Wanneer je bijvoorbeeld met Pasen preekt over het verhaal van Jezus' opstanding uit de dood, proef je weerstand tegen het letterlijke ervan. Je mag en kunt die opstandingsverhalen ook nooit beschouwen als een verslag over wat toen en toen gebeurd is, het gaat om een boodschap in verhaalvorm over de betekenis van Jezus' leven en dood.

Voor mij is God geen persoon, maar een geestelijke kracht die alleen door de menselijke geest kan ingrijpen. Met de scheppingskracht van God weet ik weinig raad. Bidden is voor mij een gesprek voeren met jezelf voor het aangezicht van God. Er is geen sprake van dat ons bidden voor de zieken een genezingsproces in allerlei ziekenhuizen teweegbrengt. Maar via het gebed verbind ik mij met de zieken in mijn omgeving die onze aandacht en zorg nodig hebben.

Wanneer mij een verzoek bereikt om een begrafenis te leiden, zoals laatstelijk naar aanleiding van het overlijden van prins Bernhard, zoek ik een verhaal waarvan ik hoop dat het een verbinding legt met de overledene en de naastbetrokkenen, en dat het inspiratie biedt voor de aanwezigen. Het werd psalm 139 over de onontkoombaarheid van God. Inderdaad, ik gebruikte de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat ik daar geheel tegen zou zijn, berust op een misverstand. Ik hoop dat hij goed valt te gebruiken, en dat naar serieuze kritiek op bepaalde vertalingen, die ik ook al wel heb, zal worden geluisterd en verwerkt in de eindredactie.

Ik let erg op dat ik in een kerkdienst geen verwarring zaai door een bepaald taalgebruik. Ik ben al benauwd voor het woord `Christus'; daar zit al een erkenning in van zijn betekenis, die niet iedereen zomaar zal delen, en die ik niemand wil opleggen – die ik overigens ook niemand wil afnemen. Ik spreek over `Jezus'. Ik ben ook voorzichtig met de suggestie dat wij na de dood in de hemel komen, daarover is ons denken te veel in beweging. Maar als ik weet dat de ander van wie wij afscheid nemen erop vertrouwt God te zien of zijn dierbaren, heb ik geen behoefte dit te ontkennen. Ik zoek woorden om ruimte te geven aan het geloof van de ander.

In een dienst waarin afscheid genomen wordt van een dierbaar iemand, benoem ik dingen waar we hem of haar dankbaar voor zijn. Daarin leeft die ander voort onder zijn kinderen, kleinkinderen, zijn vrienden. Maar ook de dingen waarmee we moeite hadden moeten worden benoemd, in de hoop dat wij ze elkaar kunnen vergeven. Voor mij is er een laatste werkelijkheid van deze wereld en van ons leven. Niet in temporele zin, aan het eind van ons leven, maar dit raadselachtige leven móét een achterliggend geheim hebben. De vraag is: wát is dat geheim? Op dat punt heeft het bijbelse volk van Israël een keuze gemaakt: het geheim is een barmhartige, liefdevolle, bevrijdende werkelijkheid die deze wereld stuwt naar een toekomst van vrede en gerechtigheid.

Ik geloof niet in een bundeling van verschillende geloven als reactie op de secularisatie, omdat christenen eerst maar eens hun eigen geloof moeten leren verstaan, hun bijbel en de ontwikkeling van de uitleg daarvan. Hetzelfde geldt voor moslims. Ik weet niet of moslims hun eigen koran zo goed kennen en of ze, zo ja, in staat zijn door de teksten `heen te lezen' en ze te ontdoen van de tijdgebonden verpakking.

Sinds 1999 ben ik met emeritaat. Daarvoor was ik lang verbonden aan de Haagse Kloosterkerk. Ik doe nu dingen die mede het gevolg zijn van mijn betrokkenheid bij een aantal gebeurtenissen van de koninklijke familie. Ik ben bijvoorbeeld gevraagd voor de stichting MS-research, onder meer om daar te spreken over het thema `hoop'. Ik zou graag willen dat de boeiende en dynamische boodschap van de bijbel buiten de kerk niet minder klonk dan binnen de kerk. Dat hij meer leiding gaf aan ons denken en onze manier van leven.'