Tirades helpen niet terrorisme te bestrijden 3

Waar haalt Paul Cliteur, die nog niet zo lang geleden zijn bijdragen aan het publieke debat over de gevaren van (beleiders van) de islam als columnist voor krant en tv en spreker voor de Cleveringa-lezing niet meer durfde voortzetten, nu opeens de moed vandaan anderen, die voortzetting niet schuuwden de les te lezen?

Aan de vooravond van Kerstmis brengt hij de lezers van NRC Handelsblad de verontrustende boodschap dat de leidende politici en de culturele elite van Nederland zich van een even wankele als abjecte theorie bedienen om levensgevaarlijke (columnist Van Doorn), gevaarlijk-begripvolle (minister Brinkhorst) en misplaatst-apaiserende (premier Balkenende en minister Donner) meningen te ventileren. Deze eigen-schuld-theorie houdt, in de formulering van Cliteur, in dat mensen als Theo van Gogh, Hirsi Ali en Geert Wilders het onheil min of meer over zich hebben afgeroepen door hun provocerende of kwetsende uitingen over de islam.

Hirsi Ali en Wilders spreken en handelen moedig, rechtlijnig en simplistisch. Dat is hun volste recht. Theo van Gogh is dat recht helaas ontnomen. Tal van politici, bestuurders en commentatoren zien te veel complicaties en nuances in de sociaal-culturele constellatie voor zo'n benadering en gaan de discussie daarover aan. Het alarmisme van Cliteur dat, met zijn generalisaties en insinuaties, poseert als realisme, staat in feite voor het eind van een noodzakelijk debat. Cliteurs angst blijkt een slechte raadgever.