Spaarpotje voor de moderne werknemer

Het lijkt nog ver weg, 2006. Dat is het jaar waarin iedere werknemer kan gaan deelnemen aan de nieuwe levensloopregeling. Maar voor bijvoorbeeld ambtenaren kan het geen kwaad om nu al vooruit te denken over de mogelijke gevolgen daarvan.

De levensloopregeling lijkt op het eerste gezicht een panacee tegen alle kwalen. Een spaarpotje dat de moderne werknemer, die werk combineert met de zorg voor een gezin, behoedt tegen `opbranden'. Een vangnet voor oudere werknemers die na jaren hard werken vervroegd met pensioen willen. Een redmiddel voor werknemers die geen licht meer zien aan het einde van de tunnel en er even tussenuit willen, op sabbatical, safari of scholingsverlof.

Voor sommige werknemers kan de introductie van dit nieuwe tovermiddel ook een keerzijde hebben. Voor ambtenaren bijvoorbeeld. Die hebben nu recht op betaald ouderschapsverlof, maar het is de vraag of dat zo blijft. Met de komst van de levensloopregeling verandert de fiscale vormgeving van het ouderschapsverlof.

In de levensloopregeling worden verschillende financieringsregelingen voor langer durend verlof geïntegreerd. Ten eerste komt de huidige verlofspaarregeling te vervallen. De levensloopregeling is hier een `verbeterde versie' van. Daarnaast vervalt de financieringsregeling loopbaanonderbreking, die het bij langdurig verlof voor zorg of studie mogelijk maakt een financiële bijdrage van de overheid te krijgen. Van deze regeling wordt slechts mondjesmaat gebruik gemaakt, onder meer omdat de werkgever tijdens de verlofperiode een werkloze, een arbeidsgehandicapte of een herintreder in dienst moet nemen. Ten slotte wordt de fiscaal gunstige regeling voor werkgevers die betaald ouderschapsverlof bieden geschrapt.

Deze laatste maatregel lijkt in eerste instantie weinig gevolgen te hebben. Volgens het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn er maar een stuk of tien CAO's waarin een regeling voor betaald ouderschapsverlof is afgesproken. In de praktijk zijn het vrijwel alleen ambtenaren die hierop aanspraak kunnen maken. Werknemers in het bedrijfsleven hebben weliswaar een wettelijk recht op ouderschapsverlof, maar ze moeten dat doorgaans zelf betalen. De groep ambtenaren is echter omvangrijk. Alleen al bij de rijksoverheid zijn circa 125.000 mensen in dienst, bij de gemeenten bijna 200.000.

Net als andere werknemers hebben ambtenaren per kind recht op verlof gedurende dertien maal het aantal uren dat zij gemiddeld per week werken. Voor een ambtenaar die voltijds werkt komt dit neer op dertien weken verlof. Het ouderschapsverlof mag, in overleg met de werkgever, aaneengesloten of gespreid opgenomen worden en moet voor het achtste jaar van het kind gebruikt worden.

Voor de meeste werknemers is het ouderschapsverlof onbetaald, maar ambtenaren hebben recht op doorbetaling van 75 procent van hun loon. Dit kan veranderen als in 2006 de fiscale stimuleringsregeling voor werkgevers die ouderschapsverlof aanbieden vervalt. Deze regeling heeft de vorm van een afdrachtvermindering, een korting op de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. Met deze belastingkorting krijgen werkgevers een gedeeltelijke compensatie ter hoogte van 50 procent van het tijdens het ouderschapsverlof doorbetaalde loon.

Het bedrag dat de werkgever in 2005 nog mag aftrekken van de loonbelasting, is aan een maximum gebonden. Dit bedrag kan oplopen van 3.403 euro per jaar voor een werknemer van 15 jaar tot 11.342 euro voor een werknemer van 23 jaar of ouder. De werkgever komt alleen in aanmerking voor deze afdrachtvermindering als hij zijn werknemer minimaal 70 procent van het minimumloon doorbetaalt, wat bij ambtenaren zeker het geval is.

Met de introductie van de levensloopregeling, in 2006, worden werknemers geacht zelf te sparen voor eventueel toekomstig verlof. De levensloopregeling, waaraan vrijwillig meegedaan kan worden, biedt elke werknemer de mogelijkheid jaarlijks een `spaarpotje' te vormen ter hoogte van 12 procent van het loon. Die voorziening kan bij elkaar worden gespaard door een deel van het brutoloon opzij te zetten op een speciale levenslooprekening.

De belastingdienst heft daar dan geen loonbelasting over, tot het moment dat de werknemer besluit het bedrag of een deel daarvan op te nemen. Dit wordt de omkeerregeling genoemd. Overigens zijn op het moment van inleg wel premies verschuldigd voor de werknemersverzekeringen. Naast of in plaats van geld kan ook tijd worden gespaard.

Het kabinet heeft berekend hoe lang werknemers moeten sparen voor zij zelf een periode van verlof kunnen bekostigen. Een werknemer die een jaar lang verlof wil opnemen en in die periode genoegen neemt met 70 procent van zijn loon, moet daarvoor zes jaar sparen. Wie 100 procent van zijn loon wil ontvangen, moet negen jaar sparen.

Om werknemers tegemoet te komen die ouderschapsverlof willen opnemen maar daarvoor nog niet hebben kunnen sparen, roept het kabinet per 1 januari 2006 de zogenoemde ouderschapsverlofkorting in het leven. Dit is een heffingskorting waarop de werknemer die ouderschapsverlof opneemt, aanspraak kan maken. Deze aftrekpost bedraagt 50 procent van het brutominimumloon. Om in aanmerking te komen voor deze aftrekpost, moet de werknemer dat jaar wel inleggen in de levensloopregeling. Overigens wordt het voor werkgevers niet verboden om het ouderschapsverlof van hun werknemers geheel of gedeeltelijk te financieren, maar zij ontvangen hiervoor geen fiscale compensatie.

Daar komt bij dat de overheid mogelijk een voorbeeld zal stellen voor de marktsector. Als het de bedoeling van het kabinet is dat werknemers zelf voor hun verlof gaan sparen, dan zal de overheid als werkgever dat ook proberen te stimuleren. Het is dus denkbaar dat de overheidswerkgevers bij de CAO-onderhandelingen voor 2006 inzetten op het schrappen van het betaald ouderschapsverlof.

Daar komt wel weer iets voor in de plaats. Werkgevers krijgen namelijk de mogelijkheid om belastingvrij te storten in de levensloopregeling van hun werknemers. Ook hierover moeten in CAO's afspraken worden gemaakt.

Waar rekening mee moet worden gehouden, is dat de levensloopregeling niet alleen is bedoeld als inkomensvoorziening voor ouderschapsverlof. Het geld dat wordt gespaard, kan ook bewaard worden om vervroegd met pensioen te gaan. Critici verwachten dat de levensloopregeling voornamelijk voor dit laatste doel benut zal worden, als vervanging van de fiscale stimuleringsregelingen voor VUT en prepensioen, die in 2006 worden geschrapt.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dat het arbeidsvoorwaardenbeleid uitstippelt voor het rijkspersoneel, kan nog niet zeggen of het doorbetaald ouderschapsverlof een thema wordt bij de CAO-onderhandelingen. De levensloopregeling moet nog in de Eerste Kamer worden behandeld, en daarna wordt er een uitvoeringsregeling gepubliceerd, waarin een aantal punten nader wordt gespecificeerd, zo laat een woordvoerster van het departement weten. ,,Dat wachten we eerst af.''

De ambtenarenbonden zetten zich alvast schrap. ,,Het overheidspersoneel heeft veel betere verlofregelingen dan werknemers in het bedrijfsleven, en dus staat er voor ambtenaren ook meer op het spel'', zegt Elise Merlijn, CAO-onderhandelaar bij Abvakabo-FNV.

,,Wij voelen totaal geen behoefte om over de levensloopregeling te praten en daarmee al onze goede secundaire arbeidsvoorwaarden te verkwanselen. Ambtenaren kunnen gebruikmaken van een prima verlofspaarregeling en er zijn ook regelingen om vervroegd te stoppen met werken of op oudere leeftijd in deeltijd te gaan werken.''

Ambtenaren die hun betaald ouderschapsverlof tot nu toe nog niet hebben opgenomen, en die er zeker van willen zijn dat dit recht niet in 2006 in rook opgaat, kunnen overwegen het verlof alvast in 2005 op te nemen. Wie dat niet doet, heeft in elk geval de garantie dat hij vanaf 2006 op 50 procent van het minimumloon kan rekenen.

Andersom is het voor werknemers in het bedrijfsleven, die nu alleen recht hebben op onbetaald ouderschapsverlof, de moeite waard te overwegen de opname van dit verlof uit te stellen tot 2006 of later. Tegen die tijd kunnen zij aanspraak maken op de nieuwe ouderschapsverlofkorting. Vijftig procent van het minimumloon is altijd nog beter dan niets.