Rationaliseer godsdienst niet

Leerlingen en studenten moeten leren dat religie een historisch en voortdurend veranderend fenomeen is, menen Jan N. Bremmer en Rein Nauta.

Het Latijnse Fons Vitae betekent letterlijk `bron van leven'. Je zou verwachten dat een docent godsdienst en levensbeschouwing aan een katholieke school met die naam een inspirerend betoog opzet – zeker rond de tijd van Kerstmis. Helaas, de bijdrage van Ton de Kok in deze krant van 20 december biedt niet meer dan een modderstroompje. Het treurige is dat het stuk een evident gebrek aan inzicht in het verschijnsel religie laat zien en daarenboven een hang verraadt naar een autoritair soort onderwijs dat religieuze opvoeding inruilt voor levensbeschouwelijke indoctrinatie.

Godsdienst is van alle tijden, maar wat wij als godsdienst beschouwen verandert met de tijd. De term `religie' in de moderne betekenis van het woord komt pas langzaam op in de zeventiende eeuw na de grote godsdienstoorlogen. Tegenwoordig wordt de godsdienst steeds meer uit het publieke domein verdreven en velen hebben het lidmaatschap van de kerk opgezegd. Dat wil echter niet zeggen dat ze daarmee geen van alle meer om godsdienst geven. Vaak wil men nog wel `iets' geloven maar nergens meer bijhoren. Dit `believing without belonging', zoals moderne godsdienstsociologen het verschijnsel noemen, is echter ook godsdienst. Leerlingen, net als studenten, moeten juist leren dat godsdienst een historisch en voortdurend veranderend fenomeen is.

Voor de meeste moderne mensen, ook christenen, gaat het vandaag in de godsdienst vooral om mensen en bepaald niet meer om absolute waarheden. Welke theoloog propageert die nog? Zelfs voor katholieken is de pauselijke onfeilbaarheid conditioneel en niet absoluut. Voor gelovigen is het geloof in een god (God) erkenning van de zekerheid dat zij zelf in ieder geval geen god zijn. Is dat zo'n slechte gedachte in een tijd waarin de wens tot `playing God' op het gebied van de genetica aan de orde van de dag is? Is het niet een gezonde gedachte voor leerlingen dat mensen hun beperkingen hebben?

De Engelse filosoof John Gray betoogde onlangs in de Thomas More lezing dat juist de in de christelijke en joodse religie overgeleverde gedachte van de erfzonde het meest heilzame geneesmiddel is tegen de Verlichtingsideologie dat het heil hier op aarde is te bewerken. De mythologische expressie van deze condition humaine in het paradijsverhaal geeft uitdrukking aan de voor sommigen kwellende, maar ook voor de meesten van ons dwingende en onvermijdelijke, conclusie dat wij niet zijn die wij wensten dat we waren. Wij falen op velerlei fronten, maar een dergelijk bewustzijn wordt desondanks op alle mogelijke manieren ontkend en verdrongen. De idee dat de mens slecht is dwingt tot beheersing en ordening: een gewaarschuwd mens geldt voor twee.

Het is ook een volstrekt verkeerde voorstelling van zaken dat juist de monotheïstische religies een negatieve kracht zullen betekenen in de 21e eeuw. De grote massamoordenaars van de 20e eeuw – Stalin, Hitler, Mao, Pol Pot – zijn zonder uitzondering juist mensen (mannen!) geweest die geen aanhanger waren van een monotheïstische godsdienst maar producten van de Verlichting. En wat te denken van de massale moorden door Shinto Japanners in de Tweede Wereldoorlog of door Hindoes bij de scheiding tussen India en Pakistan? Is daarentegen niet de verzoening in Zuid-Afrika vooral gepreekt door bisschop Tutu, die daarmee een voorbeeld heeft gesteld voor veel andere conflicten?

Net als Socrates gelooft De Kok dat meer kennis een beter handelen tot gevolg heeft. Maar helaas wijst niets erop dat vermeerderde kennis tot een moreel betere keuze leidt. Daarom moet ook de drijfveer tot die keuze worden onderzocht, namelijk het menselijke verlangen naar macht en controle, naar superioriteit en beter weten, dat nu juist in religieuze tradities vaak onder kritiek wordt gesteld.

De Koks aap laat dan ook al dra zijn blote billen zien. Ondanks het mom van een pleidooi voor de rede en redelijkheid stimuleert zijn programma leerlingen juist niet tot eigen keuzen. De climax van zijn programma is namelijk een alleenzaligmakende dwingende keuze: die tussen een intelligible universe of de oerknal. Met andere woorden: de leerlingen moet geleerd worden dat de absolute waarheden van vandaag door de docenten natuurkunde en biologie worden onderwezen. Maar deze wetenschappen hebben niets te zeggen over problemen van goed en kwaad, over menselijk slagen en falen, over de grandeur en misère van het menselijk bestaan. Het zijn juist de religieuze tradities en reflecties die gelovigen en ongelovigen beelden en inzichten aanreiken om na te denken over waarheid – een waarheid die in een eeuwigdurende discussie tussen mensen wordt nagestreefd maar nooit bereikt.

Jan N. Bremmer is hoogleraar vergelijkende godsdienstwetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen en Rein Nauta is hoogleraar godsdienstpsychologie aan de Universiteit van Tilburg.