Moordend naar de verkiezingen

Met de nadering van de verkiezingen in Irak neemt het geweld van de kant van rebellen toe. Vannacht werden in Bagdad weer 30 mensen opgeblazen.

De politie kreeg een tip dat opstandelingen zich schuilhielden in een huis in het westen van de Iraakse hoofdstad Bagdad. Maar de tip bleek een valstrik en zeker 30 mensen stierven vannacht toen het huis bij hun aankomst werd opgeblazen, naar wordt aangenomen met afstandsbediening. Volgens de politie waren er ,,enorme hoeveelheden explosieven'' gebruikt. Zes naburige gebouwen stortten in. Onder de doden waren zeven agenten en verder omwonenden.

De `huisbom' was de nieuwste variant van het geweld in Irak. Ondanks het grote Amerikaanse offensief tegen het rebellenbolwerk Falluja van november, dat de opstandelingen een vernietigende klap moest toebrengen, neemt het geweld in de aanloop naar de verkiezingen van 30 januari alleen maar toe. De Amerikaanse regering blijft publiekelijk vol vertrouwen dat de verkiezingen een ,,vibrante, democratische regering zullen produceren die ruimschoots representatief is voor de Iraakse maatschappij'' (onderminister van Buitenlandse Zaken Richard Armitage vorige week). Maar een maand voor de verkiezingen – voor een grondwetgevende Assemblee die ook moet toezien op de vorming van een nieuwe regering – is een aanzienlijk deel van het sunnitische gebied, inclusief delen van Bagdad, zonder meer te onveilig om te gaan stemmen, dat wil zeggen voor hen die de boycotoproep van hun leiders zouden willen trotseren.

Dat Washington zich toch wel degelijk zorgen maakt bleek deze week uit de berichten dat wordt besproken hoe vertegenwoordigers van de sunnitische minderheid, ook al worden ze straks niet of nauwelijks gekozen, toch een rol kan worden toebedeeld in het landsbestuur. De nu dreigende oververtegenwoordiging van de shi'itische meerderheid is een recept voor verder conflict, en dat is precies waarop de verschillende groepen rebellen, Ba'athisten, moslimextremisten en gewone criminelen, uit zijn.

Op zich is iedereen in Irak mikpunt: er worden dagelijks (hoge) regeringsfunctionarissen en professoren vermoord, en de laatste weken zijn ook tientallen shi'ieten bij aanslagen gedood. Daarnaast is de geweldscampagne tegen de Iraakse veiligheidsdiensten opvallend geïntensiveerd. Met inbegrip van de hinderlaag in Bagdad werden gisteren ten minste 56 mensen in Bagdad en sunnitisch gebied ten noorden van de hoofdstad door opstandelingen gedood, van wie 31 politiemannen en leden van de Iraakse Nationale Garde. Onder hen waren 12 politiemannen die de keel werd afgesneden nadat rebellen hun politiepost vlakbij de stad Tikrit hadden bestormd.

Het geweld tegen de veiligheidsdiensten heeft aanzienlijk succes: zie het wegsmelten van de politiemacht van de grote stad Mosul toen opstandelingen er vorige maand in de aanval gingen, en de grote aarzeling om in actie te komen die Amerikaanse mariniers steevast onder Iraakse gardisten constateren als dezen geacht worden tegen rebellen op te treden. Dit zijn wel de mensen die volgens de plannen van de Iraakse interim-regering en haar Amerikaanse bondgenoten op verkiezingsdag de veiligheid moeten waarborgen: ,,Het is een Iraakse verkiezing, voor de Irakezen door de Irakezen'', zei gisteren nog een Amerikaanse generaal in Bagdad. Om beschuldigingen van inmenging te voorkomen willen de Amerikanen zich in principe op de achtergrond houden. Dit zal niet lukken.

Maar misschien het onheilspellendst was 19 december de openbare liquidatie van drie verkiezingsfunctionarissen midden op straat tijdens de ochtendspits in het centrum van Bagdad. De tientallen rebellen die daarbij waren betrokken, waren niet gemaskerd. Wie doet ons wat? was hun boodschap.