Koopkrachtplaatjes zeggen niet zo veel

Volgend jaar loopt voor het derde jaar op rij de koopkracht terug. Toch is het een illusie te denken dat de `koopkrachtplaatjes' voor de persoonlijke situatie een grote voorspellende waarde hebben: een goede budgetplanner zijn ze niet. Al was het alleen maar omdat persoonlijke financiën meer bepaald worden door persoonlijke gebeurtenissen dan door overheidsmaatregelen.

In deze laatste maand van dit jaar ging het in de Tweede Kamer hard tegen hard over de koopkracht: het vrij besteedbare inkomen, los van vaste lasten. De meeste Nederlanders gaan er volgend jaar meer op achteruit dan gedacht, schreef minister De Geus (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, CDA) vlak na sinterklaas aan de Tweede Kamer.

En het beeld was al niet zo rooskleurig.

Bij het opstellen van de begroting ging de regering uit van een koopkrachtverlies van gemiddeld één procent door het achterblijven van de lonen, het stijgen van de belastingen en de ziektekostenpremies, en het afschaffen van de Zalmsnip.

Toen bleek deze maand dat daar voor iedereen een extra koopkrachtverlies van 0,25 procentpunt bij moet omdat de ziektekosten hoger uitvallen. Dat leidde tot felle protesten van de oppositiepartijen in de Tweede Kamer. Zij eisten maatregelen om de koopkracht van zieken en minima op te poetsen. De regering vond dat niet nodig, maar heeft wel íets gedaan, waarmee ouderen er iets beter uitkomen.

Vast staat in ieder geval dat 2005 het derde jaar op rij wordt waarin de koopkracht terugloopt. Maar wat heeft een burger aan de tot op de 0,25 procentpunt nauwkeurige koopkrachtcijfers als hij wil weten of hij zich volgend jaar een nieuwe auto kan permitteren, of een nieuwe computer voor de kinderen?

De berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) zijn bedrieglijk gedetailleerd. Een huishouden met tweeverdienders die samen anderhalf keer modaal verdienen mét kinderen gaat er volgend jaar 1,25 procent op achteruit (modaal is iets minder dan 30.000 euro per jaar). Als ze geen kinderen hebben wordt het 1,75 procent minder. Maar ook de inkomens aan de onderkant worden niet gespaard. De alleenstaande ouder met een minimumloon gaat er met 1,75 procent flink op achteruit, net als een alleenstaande op het sociaal minimum.

In principe is het `koopkrachtplaatje' een berekening van het effect van overheidsmaatregelen – zoals een belastingherziening – op de inkomens van onder meer mensen met een bijstandsuitkering of met een modaal inkomen.

In de praktijk `verkoopt' het zittende kabinet zijn beleid met deze plaatjes, waaruit dit jaar bijvoorbeeld moest blijken dat het effect van de bezuinigingen wel meevalt en dat de minima niet méér achteruit gaan dan tweeverdieners. De oppositie op haar beurt zoekt in de CPB-berekeningen naar inkomensgroepen die minder kunnen kopen of achterblijven bij anderen. Zoals de afgelopen maand ouderen en chronisch zieken.

Toch is het een illusie om te denken dat de plaatjes voor de persoonlijke situatie een grote voorspellende waarde hebben. De koopkrachtberekeningen hebben immers een belangrijke beperking: kosten die niet voor alle Nederlanders gelden zijn niet meegerekend, en veel van de gegevens die wel zijn meegerekend, zijn gemiddelden.

Om met de laatste te beginnen. De koopkrachtcijfers zijn opgebouwd uit de ontwikkeling van de prijzen en lonen, wijzigingen in de belastingen, premies voor de ziektekosten en kinderbijslag. De extra koopkrachtdaling van deze maand werd veroorzaakt door de ziektekostenpremies. Die stijgen volgend jaar niet met ruim vier procent, waar minister De Geus bij de begroting nog van uit ging, maar met gemiddeld acht procent. Uit de premiestijging moet de nieuwe no-claimkorting worden betaald voor mensen die weinig ziektenkosten hebben. De nominale ziekenfondspremie komt naar verwachting gemiddeld 17 euro per jaar hoger uit dan geraamd. Maar de acht procent die De Geus nu aanhoudt is een gemiddelde. In werkelijkheid zitten er grote onderlinge verschillen in de premiebedragen. De koepelorganisatie Zorgverzekeraars Nederland verwacht dat de premiestijging kan oplopen tot 13 procent.

Ook over het loonniveau is geen zinnige voorspelling te doen, in ieder geval niet tot op de 0,25 procentpunt nauwkeurig. Voor de meeste werknemers zijn de lonen afhankelijk van de CAO-onderhandelingen in de eerste maanden van volgend jaar – vrijwel alle CAO's in Nederland moeten worden vernieuwd in 2005. De vakbeweging en de werkgevers staan meer dan ooit lijnrecht tegenover elkaar. In het najaar van 2003 ging de vakbeweging nog knarsetandend akkoord met een loonstijging `naderend tot nul' voor 2005, maar daar ging later een streep doorheen. In het nieuwe sociaal akkoord van vorige maand wilde de vakbeweging niet verder gaan dan toe te zeggen zich `terughoudend' te zullen opstellen. Voor de FNV betekent dat een stijging van de loonruimte (loon een aanvullende maatregelen) van in totaal 3 procent, de werkgevers hebben al laten weten daar geen ruimte voor te zien.

En waar het CPB mee rekent? Die neemt de looneis van de FNV, gaat ervan uit dat de bonden in ieder geval een loonstijging ter grootte van de inflatie van 1,25 procent zullen binnenhalen, en laten nog wat variabelen los op het resultaat.

Daarnaast valt niet te voorspellen wat de `gewone' pensioenpremies doen. Verschillende pensioenfondsen hebben al laten weten dat de premie volgend jaar stijgt, zoals in de metaal: 13 procent.

Kortom: in de kosten die wél zijn verdisconteerd in de koopkracht zit al zoveel onzekerheid dat ze niet bruikbaar zijn als budgetplanner. Dat geldt al helemaal als je ziet welke elementen niet zijn meegerekend, namelijk alle niet-generieke koopkrachteffecten. Niet verdisconteerd zijn bijvoorbeeld de woonlasten. Zo heeft de Vereniging Eigen Huis, de belangenclub voor huizenbezitters, geconstateerd dat huiseigenaren volgend jaar gemiddeld 13 procent meer kwijt zijn aan lokale woonlasten zoals rioolrechten, onroerendezaakbelasting en afvalstoffenheffing. De woonlasten stijgen daarmee twee maal zo snel als het jaar daarvoor. Het gemiddelde woonlastenniveau komt daarmee op 735 euro. Bovendien is belangrijk in welke gemeente je woont: In Nederweert stijgt de belasting voor het eigen huis met meer dan 20 procent, terwijl die in Utrecht daalt met 1,4 procent. In ieder geval verhogen vrijwel alle gemeenten de lasten met meer dan de inflatie.

Andere bezuinigingen die niet zijn meegerekend zijn bezuinigingen in de huursubsidie, de no-claimregeling in de zorg, het vervallen van de pc-privéregeling en het invoeren van de nieuwe kinderopvangwet.

Maar de belangrijkste relativering van het belang van koopkrachtplaatjes als voorspeller van persoonlijke financiën is dat gebeurtenissen in het privéleven van de Nederlander veel belangrijker zijn voor koopkracht dan overheidsmaatregelen. Mensen met een betaalde baan krijgen periodieke verhogingen en individuele toeslagen, die ook buiten het CPB-model vallen. En wie scheidt, de levenspartner verliest of zonder baan komt te zitten, zal vaak een groot deel van het inkomen kwijtraken. Dus voor de 45.000 werklozen die er volgens de laatste CPB-berekeningen volgend jaar bijkomen, zijn de koopkrachtplaatjes in ieder geval zinloos.