`Helden achter de dijk moeten gemiddeld lijken'

Na acht jaar vertrekt Joop Alberda (53) per 1 januari als technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF. Hij is kritisch over de toekomst van topsport. ,,Het paternalisme, het verenigingsdenken en het bondsdenken passen niet meer in deze wereld.''

Joop Alberda wil bij zijn afscheid als technisch directeur verbaal niet wild om zich heen slaan. Integendeel, hij kiest zijn woorden zorgvuldig. Maar zijn boodschap is er niet minder duidelijk om: het gaat de verkeerde kant op met de topsport in Nederland. De nette verpakking van zijn kritiek op NOC*NSF, sportbonden en overheid is een gevolg van zijn loyaliteit na acht jaar samenwerking. Maar Alberda, die zich heeft doen gelden als een dynamische en innovatieve aanjager van succes, kan er niet omheen dat juist in die kringen wordt verzuimd stappen voorwaarts te maken.

,,De terugval geldt niet zozeer de prestaties als wel het niveau van denken'', zegt Alberda, van wie de sportwereld vorige week tijdens het Sportgala officieel afscheid heeft genomen. ,,Tot en met de Olympische Spelen van Sydney in 2000 is er met groot elan aan de progressie van de Nederlandse topsporters gewerkt, maar in de jaren erna heb ik de ambitie zien wegglijden. Het is onjuist dat NOC*NSF elementaire bevoegdheden heeft teruggegeven aan de bonden; die krijgen een deel van het geld voor de topsport, hebben de beslissende stem over de besteding en bepalen voornamelijk wat er in de topsport gebeurt, terwijl ik vind dat het `primaat van de ambitie' bij de koepel moet liggen.''

Juist ter voorkoming van externe bemoeienis bedacht Alberda na zijn aantreden het performance-programma. Daarin wordt de financiering van programma's ter voorbereiding op de Spelen gecombineerd met centraal management en centrale communicatie door de koepelorganisatie. Er werd niets uitgegeven zonder toestemming van Team de Mission, het trio dat namens NOC*NSF leiding geeft aan de olympisch ploeg.

Maar na `Sydney' besloot het bestuur van NOC*NSF een deel van de performance-gelden op voorhand aan de bonden uit te keren. Tot Alberda's gruwel, omdat hij weinig of geen grip meer had op de bestedingen. Alberda: ,,Verdwenen is het systeem van: leg jij eens uit waar jij elke maand heengaat. Als het Nederlands hockeyteam met een B-elftal naar de Champions Trophy was gegaan, kon ik zeggen: betaalt u dat vooral zelf, want daar hebben we geen afspraken over gemaakt. En wat te denken van topsportplannen. Moet de schermbond die schrijven voor Sonja Tol en Arwin Kardolus? Dat zijn poor lonesome cowboys, die steeds tegen dezelfde muur oplopen. Bundel die krachten en breng de organisatie onder bij NOC*NSF. Topsport is individualisering en maatwerk; het is er geen onderdeel van.''

Ter verduidelijking van zijn verhaal pakt Alberda een papier waarop hij met grove schetsen zijn ideale topsportsysteem tekent. Hij begint met een driehoek om het traditionele piramidesysteem van breedte- naar topsport aan te duiden. ,,Dat is korfbal'', zegt hij. Een tekening met twee driehoekjes die met de punten aan elkaar zijn verbonden symboliseert de bonden die de topsport in een aparte unit buiten hun organisatie hebben ondergebracht, zoals de hockeybond een zelfstandige vorm voor de topteams heeft en de volleybalbond dat had met de (failliete) beheersstichtingen TVN en Pro-Volley. Tekening drie is een blokje dat met een rechte lijn naar boven is verbonden aan een driehoek op eenzame hoogte, de internationale top.

Om dat laatste driehoekje gaat het volgens Alberda. Het mondiale podium is de enige plek waar je het vak van topsporter leert. ,,Nederland is gericht op samenleven, de wereld op overleven'', is Alberda's adagium. Met de pen wijzend op het bovenste driehoekje van zijn derde model: ,,Híer is het pistool op je gericht, híer moet je presteren. In Nederland heb je vangnetten, allerlei Riaggs. Maar tennissers leren het vak in het ATP-circuit, wielrenners in de Tour de France en volleyballers in Italië. In Nederland volg je de basisschool, het vwo en eventueel een universiteit, maar wie master wil worden moet internationaal zijn vleugels uitslaan.''

Die stap kan volgens Alberda pas gezet worden als een sporter tot onthechting bereid is. Provocerend: ,,Bestaat ergens ter wereld het systeem van basisschool tot master, met dezelfde rector, dezelfde docenten, dezelfde financiering? Ik ken het niet. In Nederland wordt te veel in de verenigingsstructuur gedacht. Zo van: blijf nog een jaartje bij Dynamo, je bent nog niet klaar voor de grote stap. Onzin. Natuurlijk redt Van Persie zichzelf bij Arsenal. En zo niet, dan gaat hij vanzelf ten onder. Het paternalisme, het verenigingsdenken, het bondsdenken en het NOC*NSF-denken passen niet meer in deze moderne wereld. We moeten af van die bevoogding, de leerregels voor topsporters zijn veranderd.''

Alberda zag tot zijn spijt alle pogingen tot het voeren van dat debat gedwarsboomd binnen NOC*NSF. ,,Een analyse van het succes leert dat een topsporter zelfstandig zijn weg uitstippelt. Neem Pieter van den Hoogenband, Anky van Grunsven, Leontien van Moorsel, Inge de Bruijn en alle schaatsers, die hebben hun zaakjes zelf geregeld. Het succes van `Sydney', `Salt Lake City' en `Athene' zit voor zeventig procent in die formule. NOC*NSF, de overheid en de sportbonden moeten om tafel gaan zitten en zich de vraag stellen: doen we het goed? Maar in Nederland zitten we opgescheept met de paradox van top- en breedtesport. Dat wil ik niet scheiden, maar ik zoek wel naar de beste organisatievorm bij breedtesport, nationale topsport en internationale topsport. Maar de fundamentele discussie over succes wil men bij NOC*NSF nog niet voeren. Ooit gaat dat gebeuren, geen ontkomen aan. En de ervaring leert dat een echec de aanleiding is.''

Alberda schetst de topsport in Nederland als een huis dat niet waterdicht is en waarvan de ramen openstaan. Van de vier voorzitters onder wie hij bij NOC*NSF heeft gediend, was niet één bereid conventies te doorbreken om dat huis op te knappen. ,,Ze wilden het niet echt bespreken.'' Ook Erica Terpstra niet. ,,Bij haar proef ik niet het gevoel voor de absolute top, wel voor de breedtesport. Als voor NOC*NSF een sterke band met de bonden de nieuwe opvatting is, vraag ik me af wat de vernieuwing is. De koepel is er toch voor de bonden? Dat is geen nieuwe bevoegdheid. Natuurlijk is NOC*NSF ook een politieke organisatie waar de kunst van het haalbare wordt bedreven; internationale topsport staat daar vaak lijnrecht tegenover. Maar NOC*NSF moet zich ooit de vraag stellen: wat doen we voor de topsport? Willen we bij de Olympische Spelen een plaats in de top-acht, top-tien of top-zestien? De werkelijkheid is dat Nederland in het medailleklassement tussen de zestiende en twintigste plaats staat. Alleen nieuwe Ron Zwervers, Marco van Bastens en Leontien van Moorsels kunnen dat niveau verbeteren. Een bond kan wel een eigen richting opgaan, maar uiteindelijk zullen de sporters zelf bewijzen dat topsport anders in elkaar steekt. En op termijn zullen zij zich gedragen als vrije wereldburgers, die NOC*NSF zien als een administratiekantoor waar ze zich moeten melden om aan de Spelen te kunnen deelnemen.''

Naar het ideaalbeeld van Alberda zou er een Team Olympic gevormd moeten worden. Een ploeg waarin, met uitzondering van de professionele sporters, alle kandidaten voor de Spelen zijn ondergebracht, met één centrale aansturing, bij voorkeur vanuit het Olympisch Stadion in Amsterdam. ,,Een soort warenhuis voor de sport. Niet om er een DDR-achtige medaillefabriek van te maken, maar om de processen rond de topsporter beter te laten verlopen. Het regelen van een coach, vijftig ballen, een hal, een vliegtuig en een hotel is een eitje voor een centraal management. Het heeft toch geen zin dat sporters nog steeds via Qatar naar Singapore reizen en uitgewoond aankomen, omdat het voor de bond goedkoper is. Pas als de Spelen dichterbij komen, wenden de bonden zich tot NOC*NSF. Leg mij eens uit waarom iedereen na de Spelen voor drie jaar in zijn schulp kruipt, terwijl de bereidheid tot samenwerking er wel is in het laatste traject naar de Spelen.''

Alberda geeft zelf het antwoord. ,,Omdat er in de Nederlandse samenleving veel belang aan autonomie wordt gehecht. Zo van: ik bepaal wat goed voor me is – zie Van Persie. Autonomie is belangrijk als doel, maar als uitgangspunt is het een handicap. Veel sporters hebben daarom moeite leiding te accepteren – zie weer Van Persie. Net als in de maatschappij is in de sport behoefte aan leiderschap. Maar bij hoogconjunctuur staan geen leiders op, omdat het dan niet zo uitmaakt of je iets goed of slecht doet. In goede tijden moet je juist aandacht besteden aan het opleiden van leiders. De generatie van aanvoerders als Floris-Jan Bovelander, Marc Delissen, Nico Rienks, Ronald Florijn en Peter Blangé is weg. Zij waren producten van een laagconjunctuur; zij hebben zich langs `kakkerlakken' omhoog moeten vechten.''

Een tweede hindernis op weg naar succes is volgens Alberda de sociale veiligheid van Nederland. Goed voor zestien miljoen Nederlanders, maar niet voor topsporters. ,,Die moeten eerst investeren, dan presteren om vervolgens de beloning te incasseren. In Nederland is dat omgedraaid; een erfenis uit de jaren vijftig. Voor een Nederlander gaat werken, wil hij weten of zijn pensioen is geregeld. En als het dan ook nog om sport gaat, hoor je steeds: er zijn toch belangrijker zaken. Helden achter de dijken moeten op het gemiddelde lijken. Waar kunnen onze topsporters een omgeving vinden waar ze de steun, het respect en de aandacht vinden om hun kunstje te doen? Ja, zodra ze presteren is er enthousiasme. Nederlanders zijn succes-supporters. We veren op bij succes, maar zakken snel daarna weer in om over te gaan tot de orde van de dag. Als het om presteren gaat, hebben we wel een cognitieve, maar geen fysieke lijn ontwikkeld. Waarom is er geen conservatorium voor de sport?''

Het derde beletsel voor Nederlandse topsporters is volgens Alberda het gebrek aan conformiteit. ,,Daar hebben wij problemen mee. Iemand als Pieter van den Hoogenband onttrekt zich daaraan en conformeert zich onvoorwaardelijk aan zijn programma. Maar presteren komt bij ons na autonomie, sociale veiligheid en conformiteit pas op de vierde plaats. En dan ook nog onder voorwaarden. Eerst moeten bijvoorbeeld inkomen en vervoer geregeld zijn. Die houding leidt vaak tot langdurige disccussies. In topsport werkt het omgekeerd: succes is de optelsom van investeren en presteren.''

Ooit, weet Alberda, worden zijn ideeën werkelijkheid. Die vertraging zit nu eenmaal opgesloten in mentale mechanismen. ,,Maar als het zaadje er eenmaal is, is het een kwestie van water geven. Ard en Keessie mislukten ooit met een profploeg; zie hoeveel commerciële schaatsteams er nu zijn. Sport 7 had geen kans van slagen en nu komt John de Mol met een voetbalzender. Als een concept is verankerd in de hoofden van mensen komt er ooit beweging in. Innovatieve ideeën hebben een incubatietijd nodig. Desondanks kijk ik met tevredenheid terug, maar ook mijn houdbaarheidsdatum bij NOC*NSF is bereikt. I rest my case.''