HEFFINGSKORTING TOELICHTING

Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Partners hebben ieder zelfstandig recht op deze heffingskorting. Zij kunnen deze korting niet overdragen aan hun partner. Als één van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder bepaalde voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald krijgen door de Belastingdienst. Weinig inkomen houdt hier in: het totaalbedrag van salaris, uitkering of pensioen is lager dan ongeveer 5.500 euro en er is geen ander inkomen. Voorwaarde voor uitkering is dat de partner van de belastingplichtige voldoende inkomen heeft en voldoende belasting betaalt.

Een belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij één van de volgende soorten inkomsten heeft: loon of salaris, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Het moet gaan om inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

Een belastingplichtige heeft recht op kinderkorting als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan;

-er behoort in 2005 meer dan zes maanden een kind tot het huishouden van de belastingplichtige en dit kind is bij aanvang van het kalenderjaar jonger dan 18 jaar en

-dit kind is tijdens die periode op het woonadres van de belastingplichtige of dat van zijn partner ingeschreven en wordt door één van beiden in belangrijke mate onderhouden en

-het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner is niet hoger dan 60.447 euro (2004: 59.612 euro).

Een belastingplichtige heeft in 2005 recht op de aanvullende kinderkorting van 504 euro (2004: 363 euro) als voor hem de kinderkorting geldt en het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner in 2005 niet hoger is dan 30.225 euro (2004: 29.807).

Bij een gezamenlijk verzamelinkomen dat niet hoger is dan 28.491 euro (2004: 28.097 euro) wordt de aanvullende kinderkorting verhoogd tot 690 euro (2004: 547 euro). Daarnaast wordt deze aanvullende kinderkorting nog extra verhoogd met 65 euro (2004: 64 euro) als er in het huishouden drie of meer kinderen zijn.

Een belastingplichtige heeft recht op de combinatiekorting als:

-hij inkomen uit tegenwoordige arbeid heeft waarvoor meer dan 4.366 euro (4.306 euro) wordt ontvangen, of de belastingplichtige komt in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek voor ondernemers en

-er in 2005 gedurende ten minste 6 maanden een kind tot zijn huishouding behoort dat bij aanvang van het kalenderjaar jonger is dan 12 jaar en

-tijdens die periode is dit kind op hetzelfde woonadres ingeschreven als de belastingplichtige.

Als beide ouders aan de voorwaarden voldoen, hebben ze allebei recht op deze korting.

De minstverdienende partner die recht heeft op de combinatiekorting, heeft ook recht op de aanvullende combinatiekorting.

Deze heffingskorting geldt eveneens voor de werkende alleenstaande ouder die recht heeft op de combinatiekorting. De aanvullende combinatiekorting bedraagt in 2005 389 euro (2004: 290 euro).

Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij in 2005 meer dan zes maanden:

-geen partner heeft en

-een huishouding voert met een kind dat hij in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres ingeschreven moet staan en

-deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.

Een belastingplichtige heeft recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting als hij:

-recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting en

-tegenwoordige arbeid verricht en

-tot zijn huishouden behoort gedurende een periode van meer dan zes maanden een kind dat bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en dat gedurende die tijd op hetzelfde woonadres is ingeschreven.

De hoogte van de aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3 procent van de inkomsten uit werkzaamheden buiten de huishouding, maar maximaal 1.401 euro (2004: 1.381 euro).

De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (een zogenoemde Wajong-uitkering), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. Men komt ook voor de jonggehandicaptenkorting in aanmerking als weliswaar recht bestaat op een Wajong-uitkering, maar niet daadwerkelijk een Wajong-uitkering wordt ontvangen vanwege het hebben van een andere uitkering of ander inkomen uit arbeid.

Een belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2005 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan 30.728 euro (2004: 30.303 euro).

Een belastingplichtige heeft recht op de aanvullende ouderenkorting als hij:

-recht heeft op de ouderenkorting en

-recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden.

Als men vóór 2003 vanuit een uitkeringssituatie (zoals bijstand of WAO, WAZ en Wajong) of gesubsidieerd werk toetrad tot de arbeidsmarkt, bestaat onder bepaalde voorwaarden recht op een toetrederskorting van 2.269 euro, verdeeld over drie jaren: 1.361 euro in het eerste jaar en 454 euro in het tweede en derde jaar.

De inkomensgrens voor de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen met een partner, is met terugwerkende kracht, tot 1 januari 2004, verhoogd van 5.833 euro naar 5.921 euro. Voor het kalenderjaar 2005 is de inkomensgrens vastgesteld op 6.199 euro.

De groep alfahulpen die voorheen recht had op de (afgeschafte) invorderingsvrijstelling blijft hierdoor tot en met 2005 in aanmerking komen voor een tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting. De algemene regeling geldt overigens nietalleen voor alphahulpen.

Deze korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in maatschappelijke beleggingen (groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen). De korting bedraagt 1,3 procent van het bedrag dat daarvoor gemiddeld is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3.

De korting durfkapitaal geldt voor de belastingplichtige die belegt in direct durfkapitaal en in culturele beleggingen. De korting bedraagt 1,3 procent van het bedrag dat daarvoor gemiddeld is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3.