Ha die Toon!

Op verzoek van de Achterpagina hebben vier auteurs een wintervertelling geschreven. Vandaag een verhaal van Fred Koning, wiens verhalen voor de Achterpagina komend jaar worden gebundeld.

Ik zag hem lopen toen ik mijn hond uitliet bij de kinderboerderij. In de smeltende sneeuw. Nou ja lopen, hij strompelde. Leunend op een stok. Ik herkende hem aan zijn bloemkooloren en zijn boksersneus. Hij had pantoffels aan zijn grote voeten. Pantoffels in de sneeuw. Naast hem liep een oud vrouwtje dat zeker de helft kleiner was. Nooit geweten dat ome Toon getrouwd was.

Toon bokste op kracht. Hij was een grote man die mokerslagen kon uitdelen waartegen elke verdediging machteloos was. Hij was nog even groot, maar een beetje krom, hij schuifelde over het pad bij de kinderboerderij alsof hij punch drunk was. Als ik scheidsrechter was, zou ik nu de handdoek in de ring gooien. Toon kon niet meer. Hij schuifelde over het pad alsof hij technisch knock-out was. Hij leunde op een wandelstok.

Ik stond aan de grond genageld. Ik kon bovendien niet verder. Er was een konijntje ontsnapt. Tussen mij en Toon zat een konijntje op het pad. Mijn hond rukte aan zijn ketting. En nu zag Toon het konijntje ook. Het leek wel of hij schrok. Hij zwaaide wild met zijn wandelstok naar het konijntje alsof hij het diertje wilde terugjagen. Het konijntje wond Toon op.

Hij was nu zo dichtbij gekomen dat ik hem hoorde praten. Ik verstond er niets van. Uit zijn mond kwam een stroom onverstaanbare klanken. Ik kon er wel uit opmaken dat hij zich opwond. Niks voor Toon, die was altijd de kalmte zelf geweest. Nee, ik kon er geen touw aan vastknopen. Hij sprak geen woorden, hoorde ik nu, het waren alleen maar klanken. Toon kon niet meer praten.

Het vrouwtje van Toon zag het konijntje ook. Ze begreep dat hij zich druk maakte omdat het konijntje door de afrastering was ontsnapt. Ze probeerde hem te sussen: ,,Stil maar Toon'', zei ze, ,,er is niets aan de hand. Stil nou maar Toon... Straks gaat het konijntje weer terug naar zijn holletje. Er is echt niets aan de hand.'' Maar er was wel degelijk wat aan de hand.

Het konijntje wist zich geen raad. Het huppelde radeloos heen en weer. Tussen mijn grauwende hond en de zwaaiende Toon. Het wist ineens niet meer wat voor en achter was. Achter de afrastering bij de andere konijntjes was alles vertrouwd geweest en altijd hetzelfde, je wist precies waar je heen moest met je grappige witte staartje. Je wist waar de sla werd gegooid en het stokoude brood. Maar dit was anders. Ik begreep precies wat het konijntje voelde.

Toon zwaaide met zijn stok naar dat konijntje midden op het pad. Hij wilde het konijntje terugjagen naar het gat in de afrastering. Toon trad hier op als de coach van het konijntje. Hij was altijd een goeie coach geweest. Maar nu wankelde hij en het moedertje bezweek bijna onder het gewicht van de reus die zwaar op haar leunde om met zijn vrije arm met die wandelstok te kunnen zwaaien. Ik kon mijn ogen niet afhouden van Toon. Dit was ongelooflijk. Het konijntje rende korte stukjes heen en weer over het pad. Tussen Toon, die met z'n stok zwaaide, en mijn hond, die zich happend naar lucht in zijn ketting wurgde. Het konijntje had spijt als haren op z'n hoofd. Alle konijnen hadden hem gewaarschuwd voor het gat in de afrastering. Niet doorheen gaan! Maar hij wou zo graag. Hij was dat afgevreten grasveld zat. Hij wou wel eens wat anders. Hij was al die ouwe konijnen zat. Maar nu wou hij dolgraag weer bij ze zijn. Hij wilde terug. Maar het gat in de afrastering was weg. Hij zocht en zocht. Maar in zijn angst zag hij niets anders dan de man die hem dood wou slaan met zijn stok en de hond die hem op wilde vreten.

Angst was altijd mijn grootste vijand. Angst verlamt. Het stroomde als giftig bloed door je lichaam. In de ring leerde ik hoe je met angst moest omgaan. Ik heb er mijn leven lang plezier van gehad.

Niemand kon je angst in de boksring wegnemen als ome Toon. Onder het felle licht van de grote lampen boven de ring, in de herrie van duistere zaaltjes ver weg van de vertrouwde Haagse Schildersbuurt in een verstikkende nevel van sigarettenrook en schreeuwende mannen- en vrouwenstemmen was altijd die rustige stem van Toon naast me, die op je inpraatte. Die stem wist wat je moest doen om te winnen. Winnen was zorgen dat de ander verloor. De ander was altijd een zalvie, volgens Toon.

De boksclub was in de gymzaal van een lagere school. Toon was onze enige heer. Hij was winkelier. Hij droeg een pak. Hij had bloemkooloren en zijn neus was gebroken. Hij sprak als enige op de club beschaafd Haags en als er gaten in je dekking vielen, ramde hij zonder pardon vol op je kanis. Dan werd je bijgebracht met een piepklein flesje ammoniak onder je neus.

En kijk nou eens. Het was vreemd om te zien. Toon in paniek om een konijntje. Zijn vrouwtje probeerde hem mee te trekken, maar hij luisterde niet. Hij was te groot en te sterk voor haar. Hij zwaaide wild met zijn stok naar het konijntje. Ik stond aan de grond genageld. Sprakeloos. Ik had hem zo graag willen begroeten, ik had willen vertellen wat er in die 40 jaar allemaal was gebeurd. Ik had hem feestelijk willen uitnodigen, hem en zijn vrouw, voor een gezellige avond om dit weerzien te vieren. Ik kreeg geen woord uit mijn mond. Ik stond daar maar. Maar omkeren kon ik niet. Doen alsof ik hem niet had gezien, dat wilde ik niet. Ik stond daar maar te dralen. Net als Toon. We stonden ieder aan een kant van het konijntje op een pad langs de kinderboerderij in de winter. Het konijntje rende besluiteloos heen en weer.

In de lange uren voor zo'n wedstrijd ver weg van de veilige achterbuurt in een vreemde stad stroomde angst ijskoud door je lijf. Maar in de felle lichten van de ring, wachtend op de eerste ronde, waste de rustige woordenstroom van Toon die angst zoveel mogelijk weg: ,,Denk aan je linkse Ferry, laten gaan die linkse, prikken en wegwezen, blijven bewegen, laat hem niet bij je komen. Je kan hem hebben. Het is een zalvie, ik ken die jongen. Hij kan niks. Je moet punten scoren, je linkse gebruiken, prikken en wegwezen. Goed door de ring gaan. Ferry, het is zover. Ik reken op je...!'' Dan voelde ik nog even een vriendschappelijk kneepje in mijn schouder.

,,Helpers weg!''

Na het geluid van de gong was je pas echt alleen. Zo alleen als je in een boksring bent, ben je nergens op de hele wereld niet. Niemand kan je helpen. Je staat er alleen voor. En het zogenaamde zalvie is er alleen maar op uit om je tot moes te slaan. Het is helemaal geen zalvie. Het is een bonk van een tuinder uit het Westland met armen als mokers. Ik moest nu begrijpen dat de oude Toon had opgehouden te bestaan. Die grote man daar op het pad was een afschuwelijke grap. Het was vreselijk om te zien: alsof hij aangeslagen was, wankelend op pantoffels. En plotseling was er niets meer om naar te zwaaien.

Het konijntje was zomaar in de rozenstruiken langs het pad verdwenen. Konijntje weg. Hond bitter teleurgesteld. Ik wilde verder. Het was over. Toon brabbelde maar door. Hij was hevig in paniek. Hij wankelde nu zo heftig dat hij dreigde om te vallen. Daarom praatte het vrouwtje op hem in: ,,Stil maar Toon, rustig nou maar. Er kan echt niks gebeuren met het konijntje. Er kan niks gebeuren. Het konijntje is toch allang weer terug in zijn holletje? Kom je Toon...? Toon? Toon? Toon!!! Stil maar Toon. Rustig nou maar. Er gebeurt echt niks met het konijntje, echt waar.''

Het vrouwtje trok en duwde aan de zwaaiende reus op pantoffels. Er was niets over van vroeger. De paniek van Toon was niet meer te bedaren. Hij brabbelde maar door. Een onverstaanbare stroom van woorden kwam uit zijn mond. Maar hij kwam wel in beweging. Ik stond vastgenageld tegen het hek. Ze passeerden me rakelings. Ik had hem kunnen aanraken.

,,Ha die Toon!''

Mijn vrolijke groet bleef onbeantwoord.