`Gaan we dood?' `Ik weet het niet'

Alexa Moses, verslaggeefster van de Australische Sydney Morning Herald, was met vakantie in Thailand toen de vloedgolf toesloeg.

Een tsunami maakt geen geluid als hij nadert. De bruine massa water zwol plotseling aan voor de slaapkamer waar mijn vriend Robert en ik op het bed zaten, in Khao Lak, in de provincie Phang Nga ten noorden van Phuket in Thailand.

We logeerden in een hotel aan het strand, het Seaview Resort, waar Zweedse, Duitse en Oostenrijkse gezinnen iedere ochtend naar de strandstoelen renden om in de zon te bakken.

Het was tweede kerstdag. We stonden op het punt onze spullen te pakken om ook naar het strand te gaan. Het was net half elf geweest toen Robert van het bed afsprong en rustig zei: ,,Er komt een vloedgolf aan.'' Ik draaide me om en zag hoe een bruine massa water de vrijstaande appartementen aan het strand verslond.

Ik snapte het nog steeds niet. Ik zei `nee' en Robert herhaalde het. Toen vroeg ik: ,,Gaan we dood?'' terwijl de golf het betonnen gebouw raakte waar we op de derde verdieping logeerden. ,,Ik weet het niet'', antwoordde hij, en toen begon het geluid.

Het klonk alsof een vliegtuig opsteeg. Een gebrul dat aanzwol en afnam, en ons helemaal omsloot. Het gebouw begon onder onze voeten te wrikken en kraken. Glas brak, maar we hoorden geen menselijke geluiden. Het was alsof we alleen waren.

Het water steeg en hoewel het langzaam leek te gaan, hield het vreselijke geluid aan. We renden naar de deur, doodsbang dat als we de deur openden het water naar binnen zou kolken. De hal stond eveneens blank. Toen we het dak oprenden, konden we de oceaan niet zien, maar het geraas was gestopt. De golf trok zich terug.

Plotseling hoorden we getoeter, mensen schreeuwden om hulp in het Thais, Duits, Zweeds, ze bonkten huilend tegen de muren. Robert klauterde verder het dak op en zag dat de zee was verplaatst. We zaten er midden in. En het water was tien meter hoger, bruin en verstopt met drijvend hout, omgedraaide auto's en huizen in stukken.

Een Japans stel kwam boven, doodsbang, ook logés van de derde verdieping. Robert riep naar een Duits echtpaar, de vrouw half verdronken en met blauwe lippen, water rochelend met iedere ademhaling. Met zijn zessen wachtten we samen op het dak en de Duitse man begon te bidden.

We wachtten op een tweede golf, we konden het geraas horen. Zou hij hoger zijn? Zouden we sterven? We waren stil, sidderden en luisterden ingespannen. Zo zaten we meer dan een uur op het dak.

Even na het middaguur leek het water te zakken. Dus gingen we terug naar onze kamer, pakten onze paspoorten, rugzakken en waterflessen en besloten dat we niet op de volgende golf wilden wachten. We moesten weg, en snel.

We klauterden naar beneden door het verwoeste gebouw, over puinhopen van hout, glas en deuren, elektrische draden, sanitair – en het was stil. We klauterden over lichamen in sarongs, badpakken en ondergoed, geplet onder het puin. De receptiebalie was weg, we lieten ons in het water zakken en waadden 400 meter naar de weg.

We zochten voorzichtig een weg: over auto's heen, hout, lichamen en daken door een vernietigde bouwplaats, langs mensen die gewond waren en schreeuwden. We gaven hun de extra waterflessen die we uit onze kamer hadden meegenomen. Aan de andere kant was de weg onbeschadigd. Een kraampje met exotisch fruit stond nog overeind maar de anders bruisende weg was zo goed als leeg.

Half verdoofd haastten we ons een heuvel op, richting een halfafgebouwd hotel waar iederen heen leek te gaan. En toen begon het wachten en kwamen de verhalen. Ouders zonder hun kinderen, echtgenoten zonder hun vrouw, kinderen zonder ouders, en een blonde peuter zonder iemand.

Na enkele uren kwamen de geruchten – India was geraakt, Sri Lanka, Phuket was vernietigd. En er waren geruchten over een tweede tsunami. Toeristen en Thai die nog kracht over hadden klommen een berg op om er de nacht door te brengen. Mensen hadden gebroken armen – sommigen hadden duidelijk pijn. We wachtten de hele nacht, hopend dat we de volgende dag naar beneden zouden kunnen. We hoorden dat de straten gevuld waren met doden. De volgende ochtend gingen we naar beneden en kregen rijst, bananen en brood van de Thai. Plotseling, rond één uur kwam er beweging. Er werd gezegd dat er geen tsunami's meer kwamen en dat we weg moesten gaan voordat ziekten als cholera zouden uitbreken. We wisten het vliegveld te bereiken.

In ons hotel verbleven 250 toeristen en er waren 60 hotelwerkers. We hadden ze zien dansen, eten en drinken op het strand op kerstavond. Er zijn niet meer dan twintig van ons over.

Wat ons het meest is bijgebleven, was een negenjarig Zweeds meisje, dat naar ons glimlachte voor de tsunami insloeg. Ze had dikke brillenglazen en lang bruin haar en was voortdurend aan het lezen, zelfs als ze in haar rode badpak naar het strand liep. We hebben haar ouders nog gezien. Ze hadden een van hun drie kinderen gevonden, maar het kleine meisje en haar zesjarige broertje waren verdwenen. De vader, een sterke Zweedse man, was gebroken. Hij droeg het jongste kind, dat geen woord meer kon uitbrengen. De moeder had geen tranen meer. Het is een van de duizenden verhalen.

© Sydney Morning Herald