AOW TOELICHTING

Gehuwde of samenwonende partners hebben elk een zelfstandig recht op een AOW-pensioen dat netto gelijk is aan 50 procent van het nettominimumloon.

De Algemene ouderdosmwet voor een alleenstaande is gelijk aan 70 procent van het nettominimumloon. Eénoudergezinnen ontvangen een pensioen dat netto gelijk is aan 90 procent van het nettominimumloon. Het gaat om ongehuwde pensioengerechtigden met een kind jonger dan 18 jaar voor wie zij kinderbijslag ontvangen.

Een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar ontvangt een pensioen van 50 procent van het minimumloon (de uitkering voor een gehuwde) en een toeslag van maximaal hetzelfde bedrag (bruto 631,81 euro). Is het recht op pensioen ingegaan vóór 1 februari 1994 en is de partner nog geen 65 jaar, dan komt het pensioen overeen met 70 procent van het nettominimumloon en is de toeslag maximaal 30 procent.

De hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen van de jongere partner. Van dit inkomen (voorzover verkregen uit arbeid) wordt eerst een deel buiten beschouwing gelaten. Deze vrijlating bedraagt 15 procent van het brutominimumloon (189,72 euro) en eenderde deel van het meerdere aan bruto-inkomsten. Wat daarna overblijft wordt in mindering gebracht op de toeslag. Deze toeslag bedraagt maximaal bruto 631,81 euro per maand.

Indien de jongere partner een bruto-inkomen heeft van 1137,43 euro of meer, bestaat geen recht meer op de toeslag. Indien het recht op toeslag voor 1 februari 1994 is ingegaan, bedraagt de toeslag maximaal bruto 338,76 euro. In dat geval is er geen recht meer op toeslag bij een bruto-inkomen van 697,86 euro of meer. Inkomen in verband met arbeid, bijvoorbeeld een socialeverzekeringsuitkering, wordt geheel gekort op de toeslag.

Bij de netto-uitkeringen in het overzicht is uitgegaan van de situatie dat betrokkenen geen aanvullend pensioen hebben en verzekerd zijn voor het ziekenfonds.