Afrika heeft niets aan een Marshallplan

Er zijn zoveel verschillen tussen Europa na de Tweede Wereldoorlog en Afrika nu, dat de suggestie van een nieuw Marshallplan geen zin heeft, betoogt Tod Moss.

De roep om een `Marshallplan voor Afrika' klinkt steeds luider. Hulpactivisten, van Bono tot aartsbisschop Desmond Tutu, dringen er al jaren op aan. Nu wint het idee ook terrein in invloedrijke kringen, zoals recentelijk bij de Britse regering, die in 2005 de G8-top zal voorzitten en die zich sterk maakt voor een verdubbeling van de hulp aan arme landen.

Het idee is dat het succes van de Amerikaanse hulp aan Europa na de Tweede Wereldoorlog voor herhaling vatbaar is. Maar al zijn de overeenkomsten nog zo verleidelijk, het Marshallplan is echt geen blauwdruk voor hulp aan Afrika.

De geschiedenis wil dat de Amerikaanse hulp de grondslag heeft gelegd voor de vrede en welvaart in West-Europa na de oorlog. Gezien die overwinning in wat minister van Buitenlandse Zaken George Marshall de strijd tegen ,,honger, armoede, wanhoop en chaos'' noemde, zou je gemakkelijk kunnen denken dat wij het voor Afrika allemaal nog eens kunnen overdoen, als we ons maar net zo inspannen.

Het is waar dat het Marshallplan een ongekende hoeveelheid buitenlandse hulp omvatte. Tussen 1948 en 1951 heeft de Amerikaanse regering 13 miljard dollar – tegenwoordige waarde zo'n 85 miljard dollar – naar Europa overgeheveld, vooral naar Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en het door de geallieerden bezette Duitsland. Maar zelfs op het toppunt van die geldstroom is dat voor geen van de ontvangende landen ooit meer geweest dan drie procent van de economie.

In vergelijking daarmee wordt Afrika al overspoeld met hulp. Als geheel ontvangt dit werelddeel ontwikkelingshulp ter waarde van bijna acht procent van zijn bruto binnenlands product. Laten wij Zuid-Afrika en Nigeria buiten beschouwing, dan komt voor de overige 46 Afrikaanse landen de hulp op meer dan dertien procent van het bbp – meer dan viermaal het Marshallplan op zijn hoogtepunt. (Weliswaar geven de Verenigde Staten nu minder in verhouding tot de omvang van hun economie, maar dat zegt meer over de generositeit van de schenker dan over de hoeveelheid hulp aan de behoeftige landen.)

Daar komt bij dat de naoorlogse hulp aan Europa maar zeer kort heeft geduurd – bijna alle fondsen zijn binnen vier jaar uitgekeerd –, terwijl in Afrika, waar veel landen nu al meer dan veertig jaar afhankelijk zijn van hulp, er nauwelijks kijk is op een spoedige drastische daling van de hulp.

Een ander essentieel verschil is dat de hulp voor Europa diende voor wederopbouw. Hij dekte tijdelijke voedseltekorten en hielp bij het herstel van de infrastructuur en de industrie waarmee de Europeanen zich al een hoge levensstandaard hadden verworven. Al lag het materiële kapitaal van Europa dan in puin, zijn hecht verankerde menselijke kapitaal en zijn marktervaring waren intact. Hulp aan Afrika dient merendeels voor opbouw, niet wederopbouw. Dat is een opgave voor de lange termijn, waarvan geen snelle resultaten te verwachten zijn.

Achteraf gezien was geld misschien niet het belangrijkste dat het Marshallplan Europa heeft gegeven. Toen dat in 1948 eenmaal binnenstroomde, lag de Europese economie alweer aardig op koers. Het belangrijkste voordeel was waarschijnlijk – samen met de strenge voorwaarden die aan de hulpdollars waren verbonden – het herstel van financiële stabiliteit en vertrouwen. De eisen van Amerika op het gebied van marktbevorderende hervormingen en begrotingsdiscipline hebben Europa op weg geholpen naar drie decennia van snelle economische groei.

Helaas zijn er nauwelijks tekenen dat het huidige stelsel van internationale hulp in Afrika soortgelijke kwaliteiten in de hand werkt. De hulp zelf is een bron van economische onzekerheid, en de donorlanden stellen merendeels geen uitdrukkelijke voorwaarden meer.

In plaats van een geweldige duw à la Marshallplan zou een ander hulpmodel misschien toepasselijker zijn: dat van andere landen met lage inkomsten, die zich aan de hulp hebben ontworsteld. Landen als Zuid-Korea hebben vrij lang een bescheiden hoeveelheid hulp ontvangen. Essentieel was daarbij dat de hulp steun gaf aan verstandig macro-economisch beleid, dat vooral de concurrentie stimuleerde, en hervormingen niet in de weg stond. Hierdoor heeft de hulp aan Zuid-Korea bijgedragen tot een langdurige expansie met de export als motor. Dit wijst erop dat plotselinge exponentiële verhogingen, zoals verdubbeling van de hulp, voor Afrika waarschijnlijk niet gerechtvaardigd zijn, en mogelijk zelfs schadelijk.

Hoe de strijd van Afrika tegen de armoede verloopt zal uiteindelijk afhangen van zijn bevolking en zijn leiders. De internationale gemeenschap kan steun bieden door vrijere handel, meer particuliere investeringen en betere assistentie bij de ontwikkeling. De roep om een Marshallplan is politiek gezien misschien een goed idee, maar slaat de waarde van hulp te hoog aan en suggereert een benadering die niet past bij de Afrikaanse ontwikkelingsproblematiek.

Todd Moss is als onderzoeker verbonden aan het Center for Global Development in Washington.

© New York Times Syndicate