Woningcorporaties willen duidelijkheid

De woningbouwcorporaties liggen onder vuur: ze bouwen te weinig, terwijl ze wel in Hongarije actief zijn (NRC Handelsblad, 23 en 24 december). En volgens een artikel in deze krant van 22 december lijkt ook minister Dekker ontevreden te zijn over de prestaties van de corporaties. Maar is dat oordeel terecht?

Nu ligt de focus vooral op het bouwen. Dat was anders in de jaren negentig toen corporaties zich ontwikkelden tot maatschappelijk ondernemers. Er waren voldoende sociale huurwoningen, zo werd gezegd, de markt moest worden bediend door projectontwikkelaars en beleggers. De belangrijkste regeling heette dan ook het `Besluit beheer sociale huursector'.

Corporaties hebben zich toen goed van hun taak gekweten en veel geïnvesteerd in de kwaliteit van het woningbezit. De nieuwbouw werd beperkt door een maximale bouwgrens in te voeren van nu 200.000 euro. Volgens het ministerie hebben sommige corporaties deze grens in 2003 overtreden. Natuurlijk, als dat gebeurt, moet de overheid ingrijpen. Maar het is van tweeën één: of men kiest voor de regels, maar dan moet men corporaties niet verwijten dat ze te weinig bouwen, of men wil iets doen aan de woningnood, maar dan moeten dergelijke regels worden afgeschaft.

Corporaties behoorden ook niet te `speculeren' met grondaankoop, zo vond men destijds. Dat werd daardoor het exclusieve domein van projectontwikkelaars en beleggers. De Vinex-locaties kwamen vrijwel geheel in handen van deze partijen. Gemeenten die nog dachten te kunnen sturen, hadden het nakijken. Als de politiek destijds de corporaties als bondgenoot had omarmd, was zeker meer mogelijk geweest. Gelukkig lijkt de Tweede Kamer nu ruimte te willen geven aan corporaties bij grondverwerving.

Wat zich wreekt is dat corporaties te veel afhankelijk zijn van de steeds wisselende beleidsopvattingen van de politiek. Al jaren meent elke bewindsman ten minste één nieuw `prestatieveld' voor corporaties in de kerstboom te moeten hangen. Zo kwamen daar achtereenvolgens het bevorderen van leefbaarheid, het realiseren van voldoende woningen met zorg en het verkopen van huurwoningen bij. Dat die prestatiegebieden onderling tegenstrijdig konden zijn, werd nauwelijks onderkend. Want hoe kun je nu zowel zoveel mogelijk woningen verhuren aan de lager betaalden en tegelijk woningen verkopen?

Opvallend is dat minister Dekker zich vorig jaar nog tevreden toonde en een stijgende lijn signaleerde in de prestaties van de corporaties. Kan zo'n beeld in één jaar zomaar kantelen? Dat is toch onwaarschijnlijk.

Voor een echt oordeel moet men naar een langere periode kijken en duidelijke maatstaven aanleggen. Het wordt tijd dat kabinet en parlement helderheid scheppen over wat ze van corporaties verwachten en daar dan consistent in zijn. Het komende onderzoek van de Tweede Kamer naar de woningcorporaties biedt daarvoor een uitgelezen kans.

Doen de corporaties het dan allemaal even goed? Nee, natuurlijk niet. Niet elke corporatie maakt het maatschappelijk ondernemerschap nog waar. Daarom moet de bedrijfstak investeren in het verbeteren van ondernemerschap, in transparante jaarverslaglegging en in de verantwoordingsstructuur.

Stedelijke vernieuwing, woningnood en leefbaarheid vragen dringend om actie. Corporaties willen daar dolgraag mee aan de gang en ze doen dat ook al, ondanks een tekort aan bouwlocaties, een overschot aan regels en maatschappelijke weerstand tegen verandering. Hoe dan ook hebben de corporaties er recht op te weten waar ze aan toe zijn.

Hans van Harten is directeur van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties.