Oudejaarsmening

Mening geven of niet? Socioloog Warna Oosterbaan heeft de columnisten van dit land voor een duivels dilemma geplaatst. Hij deed dat met een opiniestuk in de krant van afgelopen donderdag, waarin hij stelt dat columnisten ,,vaker over de mening van een ander schrijven dan over een maatschappelijk verschijnsel''. Wie nu dus ingaat op Oosterbaans mening dat er te veel meningen zijn, bevestigt zijn diagnose dat die lui alleen maar over elkaar wauwelen.

Laten we daarom aannemen dat die wildgroei van meningen zelf géén mening is van de auteur, maar inderdaad een maatschappelijk verschijnsel dan kunnen we er gerust een mening over geven. Waar gaat het om? Warna Oosterbaan signaleert een wilgroei van meningen in de pers en elektronische media, die eerder verwarring dan inzicht opleveren. ,,Het maatschappelijk debat maakt geen vorderingen, maar fragmenteert, polariseert en tot een conclusie komt het al helemaal niet.'' Hij onderscheidt vervolgens drie oorzaken van die opinie-inflatie: individualisering en het oprukken van persoonlijke expressie; daarmee samenhangend een democratisering van de meningsvorming, en ten slotte de rol van de media, die opwindende opinies uit commercieel oogpunt belangrijker vinden dan saaie feiten. So far so good. Oosterbaan heeft op het eerste gezicht gelijk met die diagnose, daarvoor hoef je maar te kijken naar treinkranten waarin opinies van de strekking `ja toch? nou dan!' je tegemoet schreeuwen, naar geleerden die vanuit de studeerkamer voorrekenen dat de profeet een pedofiel was, of naar praatprogramma's waarin boutades als borrelnootjes over tafel stuiteren. Hoge en lage cultuur hebben elkaar eindelijk gevonden in een oververhit opinieklimaat waarin cultuurcritici gewichtig Nietzsche citeren, en onderuitgezakte stoorzenders aan de tapkast de vertolkers van het nationale geweten zijn geworden, met evenveel recht op een mening als een deskundige die ervoor heeft `doorgeleerd'.

Het zat erin. De paarse cultuur van technocratische expertise, waarvan de burger alleen het beklonken eindresultaat nog even kreeg voorgelegd, was niet bestand tegen de mokerslagen van Pim Fortuyn en 11 september. Oosterbaan merkt Fortuyn terecht aan als een sleutelfiguur in de democratisering van de gepeperde mening. Bij hem begint het jongleren met de kegels die nu alom zo hoog mogelijk worden opgeworpen: het Westen, de Verlichting en de Moderniteit. Paars regeerde nog met saaie feiten (het goeie oude financieringstekort, weet u nog?), Pim probeerde het liever met opwindende meningen.

Maar juist omdat hij gelijk heeft met zijn diagnose, is Oosterbaans remedie een beetje een anticlimax. Hij vraagt niet om betere meningen, wat je zou verwachten na zo'n scherpe aanklacht tegen de opiniemakers, maar vooral om meer feiten. Eerst de feiten, dan komen de meningen later wel. Dat is helaas een te naïeve veronderstelling, die om te beginnen over het hoofd ziet dat het onderscheid tussen feiten en meningen soms niet scherp is (de profeet of de prins een perverse tiran, feit of mening?). Maar vooral dat de polarisatie in het debat al zo ver is gevorderd dat feiten vermoedelijk druppels zijn op de gloeiende plaat.

Eerst een abstracte toelichting. Tussen feiten en meningen bestaat een afhankelijkheid die te vergelijken is met wat de Verlichtingsfilosoof Kant (om er ook maar een filosoof bij te halen) in zijn meesterwerk Kritik der reinen vernunft opmerkt over de verhouding tussen verstand en zintuigen. Zonder zintuigen is het menselijk verstand leeg: het draait als het ware in het luchtledige. Maar de zintuigen op hun beurt zijn blind zonder de ordening van het verstand. Zo is het ook met meningen en feiten: meningen die niet worden ondersteund door feiten, zijn soms niet meer dan duur aangeklede vooroordelen, of harstochtelijke woedekreten. Aan de andere kant: louter feiten verzamelen is ook voor een socioloog niet voldoende. Immers: wat betekenen die feiten dan? Het antwoord op die dringende vraag is bovendien niet eenduidig. Precies dezelfde feiten kunnen worden gebruikt voor radicaal tegenovergestelde meningen. Denk aan de oorlog in Irak, waar de kloof tussen voor- en tegenstanders van de Amerikaanse interventie ook na het vaststellen van de feiten over Saddams massavernietigingswapens, geen millimeter kleiner is geworden. Het opiniefront verschuift simpelweg. Het is een (sociologische?) illusie om te denken dat heftige controverses kunnen worden beslecht, of zoals Oosterbaan wil, ,,tot een conclusie komen'', louter met een beroep op de feiten. Abstract valt er dus wel wat op aan te merken, maar concreet kan Warna Oosterbaans pleidooi (of hartekreet) ontnuchterend werken. Bij alle filosofische rumoer over islam, democratie en terreur is het bijvoorbeeld hard nodig om meer feiten op tafel te krijgen over de radicalisering die sommige moslimjongeren doormaken. Deze krant, wel gekapitteld als politiek-correct bolwerk, bewijst daarbij trouwens uitstekende diensten: nergens anders heb ik tenminste zoveel nieuws gelezen over de `Hofstadgroep'; zie het verhaal van Ahmet Olgun en Jutta Chorus in de krant van vrijdag 24 december, een dag na publicatie van Oosterbaans stuk. Maar ook het recente rapport `Van dawa tot jihad' van de AIVD is leerzaam, met zijn vernuftige typologie van diverse soorten radicale islam. En dat nog wel van een dienst die recent door prominenten werd weggehoond wegens inmenging in het opinieklimaat, omdat de dienst had vastgesteld dat publieke verkettering van de islam een van de factoren is die bijdragen aan de radicalisering van moslimjongeren.

De AIVD doet op die manier ironisch genoeg wat sommige opiniemakers die ervoor hebben doorgeleerd niet doen: feitelijk en nuchter blijven in diagnose en remedie; onderscheid aanbrengen tussen de traditionele islam en de `zuivere islam' van radicalen, oog houden voor sociale en politieke processen die tot radicalisering leiden, en werken aan een palet van tegenmaatregelen in plaats van een groot seculariseringsoffensief.

Maar daarna komen toch weer de meningen. Want wat te doen? Als mijn laatste mening van dit annus horribilis dan deze: de situatie is ernstig, maar het instellen van een ministerie van Veiligheid is onwenselijk. Omdat het leidt tot nodeloze bureaucratie en vertraging, maar ook omdat zo'n departement extra taken zal willen krijgen. Wie nu uitziet naar een ministerie van Veiligheid, krijgt er straks een Patriot Act bij en dat is geen goed idee.