Oskarchen

Sport=Amusement. Dat is althans het credo van John de Mol. Het gekke is dat het de voetbalclubs zelf zijn geweest die met graagte hun afgehakte hoofden op zilveren schaaltjes aan de Beëlzebub van de lage landen hebben aangeboden. `De Mol heeft het beste met ons voor', was zo ongeveer de samenvatting van de wanhoopsmotivatie. Dit laatste was dan het werkelijke amusement.

Als De Mol maar met zijn tengels van het wielrennen afblijft.

Op mijn dertiende schoof ik elke religieuze cultus terzijde als ontoereikend amusement. Volwassen worden leek me evenmin iets om naar uit te zien. Toen al vond ik spelletjes van volwassenen even stomvervelend als voorspelbaar. Ik werd een Oscarchen die met trommelstokjes vinnig op een blikken trommeltje begon te timmeren. Nimmer volwassen worden, dat was de opdracht. Maar hoe dat te bereiken? Een engel worden van het hooggebergte, natuurlijk. Op een fietsje.

Makkelijker gezegd dan gedaan was dat. Maar wie zijn jongensdroom niet verloochent en onverstoorbaar op een trommeltje blijft roffelen komt al een heel eind.

Een ander woord voor jongensdroom is escapisme.

Sport is allesbehalve amusement, het is wanhoopsoffensief.

Toegegeven, op een voetbalveld kom je steeds minder blikken trommeltjes tegen, maar ze zijn er wel. De vurigste spelers zijn het meest onvolwassen. Laat het nou net deze spelers zijn die door de liefhebbers op tribune en bankstel worden gekust. Al is het maar voor een paar minuten per week, de ware supporters willen de doodgewaande Oscarchen in zichzelf voelen branden. Dat zij geamuseerd willen worden is de drogreden van iemand met een fractie te veel cynisme in zijn portefeuille.

Een ander woord voor cynisme is handigheid.

Seks, Geld, Macht is de heilige drievuldigvuldigheid van de Markt. De Mol mikt op het kolossale grauw dat overal een half woord over mee wil kunnen praten. Zoals op Alpe d'Huez de ware liefhebber ondertussen door de dagjesmens het ravijn is ingedrongen. De Mol mikt op het makkelijke. Of dat macht is, is een andere vraag, zeker is dat hij zal slagen.

Mijn religieuze overtuiging heb ik bekendgemaakt. Toch neem ik de laatste tijd steeds vaker de toevlucht tot het gebed: Heer, zendt ons een nieuwe zondvloed, maar mag het in plaats van regenwater een keertje zoutzuur zijn?

Mijn eerste optreden in La Grande Boucle verliep beslist niet onaardig. Ik ontving opeens fanmail – en niet zo'n beetje ook. Sindsdien weet ik dat een topsporter eerder psychiater is dan entertainer. Oscarchen behoefde alleen maar op de pedalen te roffelen, en de mensen konden weer vooruit. Het was een openbaring waar ik erg aan moest wennen. Ik was pas drieëntwintig, we spreken over de vroege jaren tachtig.

Mijn woonplaats is Venray, van oudsher gerenommeerd om haar psychiatrische klinieken. Op straat raak ik regelmatig bedolven onder groepjes patiënten die onder begeleiding naar buiten mogen. Ik heb altijd een zakdoek bij me want de kussen zijn nogal nat.

Heer, laat dat zoutzuur nog maar even zitten, bid ik dan.