Maak kopie van Rembrandts `Eed'

Een geschilderde kopie van de Eed der Batavieren van Rembrandt zou permanent tentoongesteld moeten worden in het Rijksmuseum in Amsterdam, vindt Matthijs Ilsink.

Momenteel is in Museum het Valkhof in Nijmegen een van de belangrijkste schilderijen van Rembrandt te zien, de Eed der Batavieren uit 1661/62. Althans, een kopie van dit werk hangt op de tentoonstelling `De Bataven, verhalen van een verdwenen volk' die daar nog tot januari 2005 is te zien. Het origineel wordt bewaard in het Nationalmuseum in Stockholm en zal nooit meer voor een tentoonstelling worden uitgeleend. Dit wegens zijn kwetsbaarheid, de onschatbare waarde die het werk vertegenwoordigt en het feit dat veel toeristen juist voor dit schilderij een bezoek brengen aan Stockholm. Voor het laatst was deze `Nachtwacht van Zweden' in Nederland te zien in 1969 op een expositie ter gelegenheid van de 300ste sterfdag van Nederlands beroemdste schilder.

Het enorme doek van 5,5 x 5,5 meter werd door Rembrandt aan het eind van zijn leven geschilderd voor de Grote Galerij van het toentertijd nieuwe stadhuis van Amsterdam, het tegenwoordige Paleis op de Dam. Het maakte daar onderdeel uit van een serie schilderijen met uitbeeldingen van de opstand van de Bataven tegen de Romeinen in 69/70 n. Chr. Het doek heeft hooguit een paar maanden het stadhuis gesierd, want in de zomer van 1662 had Rembrandt het al weer thuis. Zijn opdrachtgevers waren niet tevreden en wensten dat Rembrandt het doek `verschilderde'. Uiteindelijk werden de partijen het niet eens en bleef Rembrandt met ruim 30 meter schilderij zitten. Daarop bracht hij het werk terug tot de huidige 1,9 x 3,1 meter. om het zo gemakkelijker te kunnen verkopen. Na een tijdlang spoorloos te zijn geweest, dook het schilderij in 1734 weer op bij een veiling in Amsterdam en is het uiteindelijk via vererving en schenking in bezit van de Koninklijke Academie voor Vrije Kunsten in Stockholm gekomen, die het werk in bruikleen heeft gegeven aan het Nationalmuseum aldaar.

Een schilderij dat zo nauw verbonden is met de vaderlandse (kunst)geschiedenis, zou echter altijd in Nederland te zien moeten zijn. Dit schilderij heeft alles in zich om een van de iconen van Nederland te worden. Aan de hand van dit ene werk kunnen tal van verhalen verteld worden die van belang zijn voor enig begrip van de geschiedenis van Nederland. Gezien de discussie met betrekking tot het al dan niet oprichten van een Nationaal Historisch Museum en de recente verkiezing van de Grootste Nederlander Aller Tijden vinden we deze geschiedenis kennelijk belangrijk. Daarom zou de Nederlandse staat een geschilderde kopie van dit werk moeten laten maken en deze permanent moeten tentoonstellen in het Rijksmuseum.

Wat zijn hiervoor de argumenten? In de eerste plaats betreft het een spannend beeld en geen tekst. Dit is een voordeel in een door televisiebeelden gedomineerde cultuur, waarin het woord vaak illustratie is van wat er te zien valt. Het beeld communiceert gemakkelijk, in ieder geval op het eerste gezicht.

Daar komt bij dat het hier om een schilderij van de vermaarde Rembrandt gaat, en dus van hoge kwaliteit is. Niet alleen naar compositie en inhoud maar ook om de manier van schilderen, waarbij de voorstelling zich aftekent door de dikke klodders verf heen. Hiermee is Rembrandt een voorloper van Van Gogh en Willem de Kooning en dus van de moderne westerse kunst. Als er, wanneer dit pleidooi wordt verhoord, straks een kopie van de Bataveneed in Amsterdam te zien is, zullen bezoekers juist dít aspect van dichtbij kunnen bekijken. Bij de Nachtwacht hoef je dat niet te proberen vanwege de metersbrede `tankgracht' die ervoor ligt.

Veel belangrijker wordt dit beeld nog wanneer het weer woord wordt, en aan de hand van dit schilderij verhalen worden verteld over de Nederlandse geschiedenis. Dit kan op verschillende niveaus gebeuren. In de eerste plaats is er het letterlijke onderwerp van het schilderij: de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in de eerste eeuw na Christus. Lange tijd vormde deze episode het begin van de geschiedenislessen op de lagere school.

Ook in de 17de eeuw toen het stadsbestuur van Amsterdam dit schilderij bestelde, stond dit verhaal symbool voor het ontstaan van een vrij Nederland. Hiermee wordt het impliciete verhaal van het schilderij verteld, namelijk dat van de opstand tegen de Spanjaarden en de Tachtigjarige Oorlog. Maar vooral ook van het einde van die oorlog door de vrede van Münster in 1648, dat de aanleiding vormde voor de nieuwbouw van het stadhuis en daarmee voor het werk van Rembrandt. Zo kan het werk symbool staan voor het ontstaan van vroegmodern Nederland.

Natuurlijk maakt de Eed van Claudius Civilis, zoals het werk ook wordt genoemd, deel uit van de politieke propaganda van de toen jonge Republiek, maar dat laat juist ook zien dat de geschiedenis wordt gemáákt. Ons daarvan bewust worden is een andere les die we van dit schilderij kunnen leren.

Meestal worden deze en andere verhalen toch niet aan de hand van dit schilderij verteld. Dit komt eenvoudigweg doordat het niet in Nederland te zien is. De Nachtwacht kent vrijwel iedereen, maar de Eed der Bataven is eigenlijk slechts aan een kleine groep specialisten bekend. Daarom moet dit werk naar Nederland worden gehaald.

Maar, zullen sommigen tegenwerpen, het is toch binnen handbereik? Het wordt afgebeeld in vrijwel ieder boek over Rembrandt en verder in menig geschiedenisboek. Bovendien beschikt tegenwoordig bijna iedereen over internet, waar het ook te vinden is. En als je dan per se iets wilt hebben dat fysiek aanwezig is, dan maak je toch een mooie foto die je opblaast?

Maar dat is allemaal niet voldoende. Een reproductie in een boek of op een monitor laat niets zien van de indrukwekkende grootte van het schilderij. Een foto op ware grootte maakt niets duidelijk van het wonder van het aanbrengen van verf op een doek, een belangrijk onderdeel van de kunst van Rembrandt en een essentieel aspect van dit schilderij.

De enige manier waarop dit schilderij en de verhalen die daarmee verteld kunnen worden echt dichterbij gebracht kunnen worden, is de vervaardiging van een geschilderde kopie, die op de afdeling Vaderlandse Geschiedenis in het Rijksmuseum te zien zou moeten zijn.

Het idee van een kopie is overigens niet nieuw, zo blijkt uit de Nijmeegse tentoonstelling. In 1926 bestelde de grote kunst- en cultuurhistoricus Aby Warburg al een kopie voor zijn Kulturwissenschaftliche Bibliothek Warburg in Hamburg. Toen deze bibliotheek in december 1933 naar Londen werd verhuisd, bleef het doek achter en werd het spoedig daarna in bewaring gegeven aan het Rijksmuseum. Rond het midden van de jaren vijftig wilde men het doek in Londen (terecht) weer terug hebben en sindsdien hangt het daar in het Warburg Institute.

Voor even is het schilderij nu weer in Nederland te zien, zodat iedereen kan zien hoe groot de zeggingskracht ervan is, zelfs in kopievorm. De aanwezigheid van het schilderij in Nederland kan van grote waarde zijn voor ons nationaal historisch besef/bewustzijn. Het is als didactisch instrument bijzonder krachtig. Het origineel is voor Nederland verloren, maar een getrouwe, gedegen en ambachtelijk vervaardigde kopie zou straks in het vernieuwde Rijksmuseum moeten hangen.

Matthijs Ilsink is junior onderzoeker aan de afdeling kunstgeschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen.