In de Fluitende Oester

Onze correspondent in Londen vond met vallen en opstaan zijn weg in de Engelse taal en omgangsvormen. Slot van een korte handleiding.

Voor de laatste aflevering in de serie vochten nog een paar onderwerpen om behandeling. Eén was: ondoorgrondelijke wegwijzers (`A46 (M69) Coventry (E)'), de kunst van het oversteken van een rotonde met de klok mee, en de mysterieuze instructies die Britten je geven om hun adres te vinden, omdat huisnummers en straatnaambordjes vaak ontbreken (`Rechts bij de eik en dan ongeveer twee mijl tot waar vroeger het postkantoor was'). Mijn theorie is dat geografie op dit eiland een vorm van fictie is.

In het verlengde daarvan stond een ander onderwerp te popelen: namen van pubs, die zó uit een sprookjesboek lijken te komen. Ja, er zijn veel Rode Leeuwen en 's Konings Wapenen. Maar op de uithangborden zijn ook de gelaarsde kat, een zwaan met twee nekken en de eenhoorn nog springlevend. Zelfs achter gewone namen zit vaak een verhaal. Een biertje bij de Elephant & Castle smaakt beter als je weet dat het een verbastering is van Infanta de Castilia, de titel van de vrouw van Edward I. En wat te denken van De Ladder Zonder Benen en De Fluitende Oester? Je reinste Lewis Carroll.

Plaatsnamen hadden óók een aflevering kunnen vullen. Op één en twee van mijn topografische top-10 staan respectievelijk Ashby de la Zouche (een stadje in Leicestershire, dat klinkt als een filmdiva) en Great Snoring (`Groot Snurken'), dat in Norfolk ligt, niet ver van Little Snoring. Het idee was om het boekje The Meaning of Liff erbij te halen, dat bestaande plaatsnamen gebruikt om fenomenen te benoemen waarvoor nog geen woord bestaat. Zo is Harbottle ,,een apart soort vlieg die leeft tussen dubbele beglazing'', terwijl Nypster staat voor ,,iemand die de lift neemt om zich één verdieping te verplaatsen''. Maar helaas – ruimtegebrek.

Nóg een onderwerp was voedsel. Nederland heeft zojuist de schijf van vijf in ere hersteld. De Britten houden het vanouds op drie: eiwit, zetmeel en vet. Eigenlijk hoort er nog een vierde bij, alcohol, waarvan P.G. Wodehouse heeft gezegd dat het ,,een verkeerd begrepen vitamine'' is, maar alla. De drie basisgroepen zijn soms nog (net) van elkaar te onderscheiden, zoals in fish & chips. Maar het liefst hebben de Britten ze in één gerecht verenigd, zoals het ontbijtworstje.

Die aflevering, die er nu niet komt, but you get the picture, had ook volks voedsel kunnen behandelen als bangers and mash, bubble and squeak, spotted dick en toad-in-the-hole. Om daarna over te stappen op het alomtegenwoordige zakje chips. Crisps met kaas- & uiensmaak en garnalencocktailsmaak waren er altijd al. Maar marktleider Walker's heeft nu zelfs een Great British Dinners-lijn op de markt gebracht met smaken als `Roast Beef & Yorkshire Pudding' en `Lamb & Mint Sauce'. I kid you not, zou een Brit zeggen, als hij het allemaal niet heel gewoon vond.

Wat me ten slotte op de vraag brengt of het Verenigd Koninkrijk wel echt zo'n exotisch land is als ik hier een half jaar heb betoogd. Het is een eiland, maar migranten, legaal of niet, trekken zich van die fysieke grens weinig aan. Vliegvelden, containerhavens en internet zijn de echte, net zulke poreuze buitengrenzen. Net als in Nederland of Italië. Britten staan wagenwijd open voor Nike, The West Wing, Franse voetbalspelers en Spaanse tapas. Net als die andere Europese landen. En ondanks alle wegvallende grenzen houden ze toch elk hun eigenaardigheden: een mengsel van bot en indirect, praktisch of cerebraal, koud en warm en ga zo maar door. Britse gedragscodes en de taal zijn (soms) surrealistisch theater. En een zoutje met rosbief-in-bladerdeeg-smaak kun je zelf niet bedenken. Maar of het anders anders is? Die vraag is, denk ik, voor gevorderden.