De ziekte van Kinshasa, het wachtkamersyndroom

Hoe groter het parlementsgebouw, des te kleiner de democratie. Afrika's grootste landen, Nigeria, Soedan en Congo, bouwden prestigieuze parlementsgebouwen, maar de bevolking wordt er niet vertegenwoordigd. Het overdadig uit marmer opgetrokken parlementsgebouw in de Congolese hoofdstad Kinshasa is de werkvloer voor 500 kamerleden en 120 senatoren, alle aangewezen door militaire facties. Niemand is gekozen. Ze ontvangen meer dan 1.500 dollar per maand, een gigantisch salaris in het rampzalig arme Congo.

Ik heb een afspraak met Olivier Kamitatu, de voorzitter van het parlement. Ik dool door weidse hallen waarop pathetische kroonluchters geen invloed krijgen. Na een lange tocht beland ik in een met dik rood tapijt belegde kamer. Het ruikt er muf, gemengd met een pikante geur van stront. De secretaresse doet een dutje. Ze schrikt op en zegt: ,,De voorzitter verwacht u. Neemt u maar plaats hiernaast.''

In de aangrenzende kamer luieren 25 wachtenden in leren fauteuils. Hun blik is gericht op kitscherige Afrikaanse schilderijen die scheefhangen. Een oudere man drukt een radio aan zijn oor, een vrouw met goudkleurig haar lakt haar nagels. Ik word gegrepen door de geestesziekte van Kinshasa: het wachtkamersyndroom.

In deze stad verdoen duizenden mensen hun tijd in wachtkamers, iedere dag opnieuw. Om pas na dagen – misschien – de hoge baas te spreken. Dadelijk, hij zal je dadelijk ontvangen, belooft de secretaresse. Na een uur zit iedereen nog in de wachtkamer. Marcel, een jonge architect, bestrijdt zijn lusteloosheid met een klaagzang. ,,Hoe kunnen we Congo ooit opbouwen als de leiders ons behandelen als kinderen'', zegt hij met gemaakte boosheid. ,,Ontwikkeling is een mentaliteit.''

Ik meld me weer bij de secretaresse. ,,Dadelijk, maak je geen zorgen.'' Als afleiding wil ik urineren en ze voert me naar het toilet van de voorzitter. Dat blijkt de bron van de penetrante strontgeur. Er komt geen water uit de kranen.

Twee uur later word ik geroepen en naar een hogere verdieping geleid. Met opschrijfboekje in de aanslag stap ik binnen. Maar nee, dit is niet het kantoor van de voorzitter. Een nieuwe wachtkamer, dit keer van de protocolaire afdeling. ,,Meneer de voorzitter verwacht u, neemt u plaats'', verwelkomt een heer in driedelig pak me. Hij draagt een zwaar brilmontuur, net als dat van president Mobutu, de kleptocraat die dit land vernietigde. Ik protesteer. Hij rammelt met zijn gouden armbanden en antwoordt geïrriteerd: ,,Weet u wel wie u gaat ontmoeten, weet u wel hoe belangrijk hij is? Hij heeft vandaag al een Poolse en Libische parlementaire delegatie ontvangen!'' Ik imiteer zijn toonaard aan en vertel dat ik over een half uur een andere afspraak heb, met de Amerikaanse ambassadeur! Dat lijkt indruk te maken. Hij verdwijnt en komt na vijf minuten terug: ,,Dadelijk.''

Weer een uur later. De man van het protocol tekent achter zijn eikenhouten bureau rondjes op een vel papier. Of hij speelt met zijn dure mobiel, die bij ieder telefoontje in luide soulmuziek uitbarst. Hij vertelt hoe Congo de Rwandese troepen in het oosten zal verdrijven. ,,Wat denkt dat rotlandje wel, ons machtige Congo binnenvallen. We gaan een mars van Congolese burgers organiseren en met zijn allen lopen we Rwanda plat.'' Met zijn puntige schoenen maakt hij knarsende geluiden, alsof hij over lijken loopt.

Zijn grootpraat maakt het wachtkamersyndroom ondraaglijk. Na vier uur rondhangen besluit ik mijn verlies te aanvaarden en vertrek abrupt. ,,Maar meneer'', roept hij me na. ,,U kunt niet zomaar weglopen van een afspraak met een gewichtig man.''

Verslagen rijd ik weg, door straten met gaten, langs open riolen, gehinderd door corrupte politieagenten en opdringerig bedelende kinderen. Kinshasa's skyline in het centrum geeft de stad een vleugje grandeur, maar de vervallen gebouwen bepalen de sfeer. Congo is een van de meest hopeloze landen van Afrika, een land maar geen staat. Een kleine elite van politici en zakenlui pikte alles in en bouwde niets op.

Ik besluit de parlemensvoorzitter 's avonds thuis te bellen. Verbaasd hoort hij dat ik vier uur op hem heb gewacht. ,,Ik wist helemaal niet dat je op me zat te wachten, niemand heeft dat verteld'', verontschuldigt hij zich. ,,Geen probleem, kom morgen en ik zal je ontvangen. Onmiddellijk.''