Bericht bij een gebruiksaanwijzing

Op verzoek van de Achterpagina hebben vier auteurs een wintervertelling geschreven. Vandaag een verhaal van Manon Uphoff, van wie begin dit jaar de novelle `De Bastaard' verscheen.

Voor mij is de winter verbonden met afbeeldingen, plaatjes. Al toen ik een kind was, en ook later in mijn leven, en zelfs nu, nu ik in dit gebouw op de negentiende etage woon, en uitkijk over een snelweg.

Hoewel ik mezelf graag wil zien als een schrijver (al is het dan meer een gepassioneerde dan een die over juiste vaardigheden beschikt), verbeter en vertaal ik slecht vertaalde gebruiksaanwijzingen bij apparaten. Ik probeer ze om te zetten in iets begrijpelijks, waar de cliënt, de enthousiaste koper wat aan heeft. Zodat het apparaat, de machine, of het gebruiksvoorwerp dat moet bijdragen tot grotere levensvreugde en meer gemak, zijn geheim prijsgeeft. Minder gesloten, meer toegankelijk is. Soms heb ik geen idee, werkelijk geen flauw idee wat er staat. Wat ze bedoelen. De woorden hebben niet alleen een geheimzinnige jas aan, ze zijn volslagen onbegrijpelijk: `verplats de knipel an de stevel en veerschuiv tot dis klikt' (ik kan u meer voorbeelden geven, ik kan u net zoveel voorbeelden geven als er voorbeelden zijn). En vaak, terwijl ik bezig ben met de verwrongen omschrijvingen, dringt zich de vraag op waarom het apparaat er eigenlijk is. Dan schuurt en schrijnt het, krijg ik ongelooflijke koppijn en voel ik kolkende woede omdat ik besef dat het apparaat van alles wat het belooft te doen, het minste dat zal doen wat het belooft. Zo vertaalde ik gebruiksaanwijzingen voor de nutteloze Uiensnipperaar, de niet functionerende Elektronische Rattenverjager, en de Epilady. Een kleine shaver die bezwoer `al uwe hairen voltrekt pinloos te verwideren'. Maar toen ik het uittestte op mijn eigen onderbeen, schoot er zo'n onbeschrijflijke pijn door me heen dat mijn ogen bleven tranen en ik twee uur moest wachten tot het waas wegtrok en ik verder kon werken. Zo draag ik bij aan een sluipend bedrog, dat ik alleen maar van de onduidelijkste elementen probeer te ontdoen. Zodat straks, als u leest `al uw ongewenste haren pijnloos verwijderd' tenminste dat bedrog duidelijk is, en waarheid en grove leugen elkaar – in aanwezigheid van de bedrogene – recht in de ogen moeten zien.

Genoeg hierover, het is mijn werk, niet meer en niet minder dan dat, het bezorgt me vreugde noch pijn, draagt niets bij en doet niets af, ik ben als mens doordrongen van eigen onzichtbaarheid en dit gaat niet over mij, maar over wat er gebeurde op de avond van de 27ste december. Voor ik u vertel van die avond, wacht ik even zodat u `de drat in de voor dat bestemde sluuf' kunt koppelen. Probleem is dat we leven in een tijd van snelheid en directheid, ik ben geen van beide, en heb zeker meer woorden nodig dan ik hier... ja, dan u me zal willen toestaan, u wilt immers slechts weten hoe de `schif an de sluitstuk hakt'. En niet hoe ik die avond in mijn werkkamer zat en met tussenpozen uit het raam keek – terwijl de dingen waren als gewoonlijk. Dat wil zeggen, ondoorgrondelijk en onbegrijpelijk (`vestig de schoef an de vorkant'). Of hoe de gebruikelijke stroom auto's met hun witte lichten aan de voorkant, rode lichten aan de achterkant, als twee slurven, rupsen met verschillende ogenparen, traag over het wegdek gleden.

Hoe die stroom langzaam afnam, de rupsen zich opdeelden in segmenten, oplosten. Waarbij de rode lichtjes nog even nagloeiden, als bijna opgebrande sigaretten in het donker. Hoe het begon te sneeuwen, een fijne zachte sneeuw, en een mist opkwam. Hoe kort daarop de snelweg zo goed als verlaten was. Ik hou van auto's, ik hou ervan in ze te zitten, in de beschermende cocon, er is niets waar ik zo hartstochtelijk van hou – en hoe toen het ongeluk gebeurde.

Werkelijk van het ene op het andere moment.

Het leek wel of het ongeluk er eerst, en het geluid, vertraagd, er pas veel later was en opsteeg als een rookkolom om mijn kamer binnen te dringen. Ik denk niet dat anderen iets hadden gehoord, er kwam geen reactie. Toen ik de hal inliep en behoedzaam de trap afdaalde (maar ook: met lichte, verende tred) bleven alle deuren gesloten, en waren alleen mijn eigen voetstappen te horen. Ook op straat was ik de enige. Iedereen had zich naar huis gespoed. In de suizende stilte was er alleen die ene wagen, geklemd onder de vangrail, door dicht geworden mist en sneeuw aan het zicht onttrokken. Ik aarzelde.

Ik moet erbij vertellen dat het menselijk leed mij geen speciale vreugde geeft, dat ik geleerd heb me naar behoren af te sluiten en open te stellen, en dat ik van nature wel gesloten, maar ook zorgzaam ben, dat ik bij mezelf nooit extra hartstocht heb kunnen bespeuren als zich ergens een ramp voltrok. Maar deze kleine bronskleurige wagen die zich half onder de vangrail had geboord... het voelde eenzaam en verwachtingsvol, zoals voor kerst of pakjesavond, of mijn verjaardag (zelfs als er niemand komt, de hele dag het gevoel van iets knisperends en stralends dat wacht om uitgepakt te worden, en ook als er wel bezoek komt, dat wordt ontvangen, drinken krijgt, gebak, blijft het aanwezig, als een kleine kleurrijke versie van jezelf, een sitspapieren knipsel), en ik aarzelde, juist omdat ik gretig was, net als het kind dat in alle vroegte met een vreemde knoop in de maag de trap afloopt om te gaan kijken of de tafel wel gedekt is, de kerstboom werkelijk opgetuigd.

In de wagen bevond zich een man. Hij lag met zijn hoofd op het stuur en leek te slapen. Zijn arm lag in een vreemde kromming. Er waren geen zichtbare wonden, behalve een snee in zijn wang, waaruit het een beetje bloedde. Aan het spiegeltje hing een plastic trolletje, tegen het raam zaten de plastic plaatjes die kinderen vaak opplakken tegen de verveling.

De man in de auto had geen opvallende uiterlijke kenmerken. Dat wil zeggen, hij leek wel wat op mij. Mensen zeggen me vaak dat ik bleek ben. Hoewel ik niet bleek ben, geef ik de indruk van bleekheid, en vaak verwarren ze me met een ander, die ze kennen van kantoor, zien achter de balie van een bank of in een zaak waar ze tapijten aan de rol verkopen. De man die daar zo rustig met zijn wang tegen het stuur lag, zijn arm in een vreemde knik, had net zo'n onopvallend gezicht als ik. Hij droeg een blauwe trui en een asgrijze broek, zijn handen waren verzorgd, zijn schoenen niet van bijzondere kwaliteit, zijn huid enigszins droog en gelobd, zoals bij mannen van onze leeftijd vaker het geval is. Er was niets bijzonders aan de wagen. Het interieur en alles wat zich erin bevond, had ik al eens eerder gezien. De geruite stoelhoezen, het plastic tasje op de achterbank, de opengevallen catalogus voor hang- & sluitwerk. Ze waren van een ontstellende geruststellendheid (met niets van het vreselijke dat me overvalt als ik een dorp binnenkom en ik zie hoe de dingen aan elkaar gelijk zijn). Misschien is dit het moment om toe te geven dat ik bezorgder moest zijn, me meer moest haasten, want ik aarzelde alweer – en lange tijd.

Toen opende ik voorzichtig het portier. Zachtjes riep ik, ik weet niet meer wat, iets onbelangrijks, of hij in orde was, noemde mijn eigen naam (alsof dat er toe deed), zei dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, dat er waarschijnlijk snel een ambulance zou komen. Terwijl de warmte uit de auto mijn kant op vloeide, raakte ik hem heel licht aan. Hij voelde aan als brood. De man reageerde eerst niet, opende heel even zijn ogen, sloot ze weer, was stil. En ik met hem. Want ik kon niet bij hem weggaan. Ik bedoel: niet dat ik niet bezorgd was, en ook niet dat ik bezorgd was, ik bedoel dat dit laatste van geen belang was, daar op dat moment.

Dat het bijna onmogelijk was naar boven te gaan en hulp van buitenaf in te roepen. Het moment in te luiden waarop hij niet meer de onbekende in een verwrongen auto zou zijn, een aan mij gelijke, maar een slachtoffer, met de naam en het adres van een slachtoffer, en mensen die veel van hem zouden willen weten, het moment waarop hij uit de auto gehaald zou worden, er chaos, lawaai, rumoer zou zijn. Broeders, hulpverleners, politiemensen die vragen zouden stellen. Hoe laat ik ter plekke was, wat ik, getuige, had gezien. Kortom, alles wat de broze bel ruw zou doen openspatten. Ja, ik vreesde dat moment meer dan alles – en daarom stelde ik het uit, terwijl zijn geschiedenis, zijn hele bestaan naar me toe vloeide. Ik wachtte. Drie, vier, vijf minuten, niet langer. Met de mistdruppeltjes op mijn neus en wangen, in mijn haar. Daarna ging ik naar boven, belde ik de ambulance, en 15 minuten later gebeurde het zoals ik heb beschreven. Werd hij meegenomen en verzekerde iedereen me dat alles `in orde' zou komen (hij had kneuzingen en was in lichte shock).

Ik knikte stompzinnig. Wilde zeggen dat ik niet geïnteresseerd was, en dat ik niet niet geïnteresseerd was, dat het me niet uitmaakte, maar ik kon niet praten, trilde. Beefde tot in mijn vingertoppen. Vanwege de man in de auto met de plakplaatjes (een trein, een, twee huisjes, een geel hondje en een groene boom zoals ik vroeger bomen zag, totaal en geheel, overweldigend groen, nergens minder groen, overal gelijk aan groen) en heel zijn onbekende, bekende leven, dat de wagen geurig vulde, zoals dennengeur of gepofte kastanjes, zoals je jeugd de volwassen jaren. Ik wilde zeggen hoe zijn bestaan het mijne een paar kostelijke minuten lang geheel had ingekleurd en opgevuld. Een man die zijn jas ophangt, ergens binnenkomt waar kinderen (eentje met een allergie, een met driftige buien) zonder angst en zelfs met lichte verveling op hem wachten.

Sinds die avond, verbeeld ik me, gedragen de woorden zich anders, zelfs als de apparaten, de machines, de gebruiksvoorwerpen van geen kanten doen wat ze beloven.