Worstelend componist

De componist Jan van Vlijmen, die vrijdag in Normandië op 69-jarige leeftijd overleed aan leukemie, leidde in het Nederlandse muziekleven een indrukwekkend dubbelleven. Enerzijds was hij organisator en pedagoog in tal van verantwoordelijke functies, anderzijds was hij na zijn opleiding bij Kees van Baaren de componist van streng gestructureerde, donker getinte werken, horig aan met name Alban Berg.

Pas de laatste jaren, nadat hij zich in 1997 had teruggetrokken op het Franse platteland, wijdde Van Vlijmen zich volledig aan het componeren. Zelf zocht hij naar een verklaring waarom hij al die tijd in de marge, voornamelijk in vakanties, componeerde. Hij twijfelde aan zichzelf, had angst voor het lege papier. Componeren betekende een worsteling, eigenlijk net als bij Schönberg.

Al beschouwde Van Vlijmen zijn werkzaamheden buiten het componeren zelf als `vluchtgedrag', toch oefende hij juist daarin grote invloed uit. In 1967 werd hij adjunct-directeur en later, als opvolger van Van Baaren, directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar hij met succes een expansief beleid voerde en zorgde voor een nieuw gebouw.

In 1986 werd Van Vlijmen als opvolger van Hans de Roo aangesteld als intendant van de Nederlandse Opera. Daar introduceerde hij met grote kracht een ambitieus vernieuwend artistiek beleid, dat tegelijkertijd moest leiden tot meer kwantiteit. Hij zorgde voor opzienbarende voorstellingen – met als hoogtepunt Rossini's Il barbiere di Siviglia in de regie van Dario Fo – en fel omstreden producties als Wagners Tristan und Isolde in de regie van Jurgen Gosch.

Na oplopende tekorten en conflicten met het personeel werd Van Vlijmen ruim een jaar na zijn aantreden door minister Brinkman gedwongen op te stappen. Van 1991 tot en met 1997 was hij directeur van het Holland Festival, waar hij werd geconfronteerd met tekorten uit het verleden en onvoldoende subsidies om zijn grote ambities waar te maken.

Als componist hield Van Vlijmen zich afzijdig van het postmodernisme. Dat vond hij een te vrijblijvende weg, bezeten als hij was door vormproblemen en getalsturingen. Hij bleef het structurele denken steeds trouw en vergeleek zichzelf daarin graag met Pierre Boulez, die ook gestructureerde stukken bleef componeren nadat hij zich los had gemaakt van het strenge serialisme.

Samen met Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misja Mengelberg en Peter Schat, net als Van Vlijmen leerlingen van Kees van Baaren, werkte hij aan de opera Reconstructie (1969, Holland Festival). Maar het verst in zijn experimenteren ging Van Vlijmen in Interpolations, dat in 1968 een ongekende rel veroorzaakte in De Doelen in Rotterdam. Tientallen liepen weg en een enkeling trachtte Van Vlijmen zelfs het dirigeren te belemmeren. Na Reconstructie volgde samen met Reinbert de Leeuw de opera Axel (1977, Holland Festival) en als derde opera het kortere Un malheureux vetu de noir (1990) Zijn laatste opera Thyeste, bestemd voor de Brusselse Munt, heeft hij wel voltooid maar zal hij niet meer kunnen horen.

Toch richtte de componist Van Vlijmen zich in de eerste plaats op instrumentale muziek. Hij schreef aanvankelijk steeds voor gescheiden groepen instrumenten, net als Stockhausen. Pas met de serie Quaterni (1979-1985) ontstond zijn eerste werk voor traditioneel orkest, hoewel ook hier een sopraansolo met gemengd koor voorkomt: het vocale element zet, overtuigender dan in de opera's, ook hier door.

De agressieve ondertoon die meestal in Van Vlijmens werken opspeelt, wordt in cantate Inferno (1991-1993) naar Dantes Hel verlaten om ruimte te bieden aan melancholie. Daarin was Van Vlijmen op zijn sterkst. Zelf vond hij dan ook dat zijn mooiste tijd lag in het verleden, toen Boulez, Maderna, Bour en Edo de Waart zijn werken uitvoerden.