Martelen in 2004

Na het Rode Kruis blijkt nu ook de FBI de vinger te hebben gelegd op martelpraktijken door het Amerikaanse leger in Irak en op de basis Guantanámo. Dit is een wrange afsluiting van het jaar waarin foto's van mishandeling van gevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis in Bagdad de wereld schokten. Een commissie onder voorzitterschap van oud-minister Schlesinger had de ontsporingen in Bagdad nog afgedaan als het product van een dolgedraaide gevangenisafdeling. De FBI heeft het over de aanwending van geweld in de reguliere verhoorpraktijk. Het Rode Kruis sprak van stelselmatige praktijken.

Juristen van de regering-Bush hebben zich in allerlei bochten gewrongen om het gebruik van geweld te rechtvaardigen en de reikwijdte van het martelverbod in te perken. Die juridische kunstgrepen zijn niet nodig, concluderen de rapporteurs van het federale bureau – dat wel iets afweet van verhoortechniek – op grond van hun waarnemingen. Deze bevinding ondergraaft het vaak gebezigde argument van de `tikkende tijdbom' (gevangene weet waar een helse machine is die elk moment kan afgaan). Zelfs dat kan trouwens geen rechtvaardiging opleveren voor ongeoorloofde pressie, bleek onlangs in Duitsland. Ondanks alle begrip voor een politiechef die de verdachte van de kidnapping van een jonge bankierszoon had laten bedreigen, werd hij toch veroordeeld.

Het handboek van het Amerikaanse leger geeft zelf aan waarom martelen geen zin heeft. Het levert onbetrouwbare resultaten op, het ondermijnt steun voor de krijgsverrichtingen, het verhoogt het risico van represailles op gevangengenomen soldaten van de Verenigde Staten of hun bondgenoten en het is in strijd met de Geneefse verdragen over het oorlogsrecht.

Wat in het geval van de VS overblijft is het vermoeden dat inhumane methoden worden ingezet als een intimidatiemiddel; een teken van de bereidheid over lijken te gaan. Zoiets wijst op betrokkenheid van hogerhand; iets wat de commissie-Schlesinger naar aanleiding van Abu Ghraib trouwens al aangaf. Het betekent ook dat de VS bereid zijn het internationale recht verregaand aan hun laars te lappen. Het martelingverbod behoort tot de kernwaarden van het internationale humanitaire recht, bracht de speciale VN-rapporteur voor martelingen Theo van Boven in oktober in herinnering bij de aanvaarding van de Carnegie-Wateler Vredesprijs. Het kent zelfs niet de mogelijkheid van een beroep op noodtoestand.

Ondanks een brede internationale consensus over de rechtsplicht moet Van Boven vaststellen dat het martelverbod onder grote druk staat. In iets meer dan een jaar tijd heeft hij 292 maal een dringend beroep moeten doen op de regeringen van 82 landen. En dat is naar zich laat aanzien slechts een topje van de ijsberg. Des te belangrijker is het voor ogen te houden dat zelfs een beroep op de exclusieve bevoegdheden van een president als opperbevelhebber van de strijdkrachten niet kan baten, zoals het geval van de hoogbejaarde voormalige Chileense dictator Pinochet leert. Hij kwam dit jaar dichter bij een oordeel over zijn verantwoordelijkheid toen de Chileense rechter zijn zorgvuldig geconstrueerde immuniteit van vervolging alsnog doorbrak.

Martelen is niet alleen een internationaal misdrijf, maar vormt ook een zelfstandig delict. De Amerikaanse Grondwet bevat een eigen verbod, dat ver teruggaat. Onderschat de betekenis daarvan niet. Het heeft even geduurd voordat het federale Hooggerechtshof de detenties zonder enige vorm van proces op Guantanámo aanpakte. Maar het is dit jaar wél gebeurd.